Jörg Lanz von Liebenfels

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jörg Lanz von Liebenfels

Jörg Lanz von Liebenfels, oorspronkelijke naam Adolf Joseph Lanz (Wenen, 19 juli 1874 — aldaar, 22 april 1954) was een Oostenrijkse gnostisch-racistische denker. De latere toevoeging 'von Liebenfels' moest zijn naam een adellijk tintje geven.

Levensloop[bewerken]

Van 1893 tot 1899 was hij monnik in een cisterciënzer klooster bij Wenen. Hij was reeds sinds 1894 een racist, naar aanleiding van de ontdekking van een grafsteen in de kruisgang van seminarie Heiligenkreuz (waar Lanz als jonge monnik verbleef) met daarop de afbeelding van een middeleeuwse ridder die een dierlijk wezen vertrapte. Voor Lanz het symbool van de strijd tussen het 'hogere' (arische) ras en de 'lagere' rassen.

In 1899 trad hij uit het klooster en kocht met financiële steun van volgelingen slot Werfenstein, een vervallen burcht aan de Donau dat het organisatorische middelpunt was van zijn door hem in december 1900 opgerichte 'Orde der Nieuwe Tempelieren' (ONT).

Lanz noemde zijn leer ariosofie, een gnostische leer waarin eigentijdse racistische denkbeelden over de vermeende superioriteit van het ariërdom een synthese vormden met antieke gnostische motieven. Lanz presenteerde zijn ariosofische leer daarbij als een vorm van 'wetenschap', een leer waarin hij allerlei (pseudo)wetenschappelijke thema's op het vlak van de antropologie, archeologie, paleontologie, eugenetica, het darwinisme, moderne Bijbelkritiek en de theosofie op eclectische wijze met elkaar verbond (een typisch gnostische karakteristiek overigens). In 1905 verscheen van Lanz Theozoölogie oder die Kunde von den Sodoms-Äfflingen und dem Götter-Elektron, een gnostisch traktaat waarin hij de beginselen van zijn ariosofische rassenleer nader uiteenzette. Een voortzetting van zijn Theozoölogie was het 15-delige Bibliomystikon, verschenen in de jaren dertig (met een omvang van zo'n 2500 bladzijden), waarin hij het Oude en Nieuwe Testament aan een 'ariosofische' herinterpretatie onderwierp.

In zijn tussen 1905 en 1917 verschenen tijdschrift Ostara verkondigde Lanz de strijd tussen het lichte (blond en blauw-ogige) Arische ras en de donkere rassen (de Slavische en Latijnse volkeren in de Donaumonarchie en verder de joden, Afrikanen en Aziaten). Voor Lanz waren de Dunkelrassen een soort 'diermensen' die, belust op Arische vrouwen, het 'Ariërdom' door rasvermenging wilden corrumperen en overheersen, daarbij geleid door een gecorrumpeerde katholieke kerk, die volgens Lanz aan het eind van de Middeleeuwen onder invloed van de Dunkelrassen was geraakt. Lanz zag zich met zijn ONT als een reformator, die het door de joden en Dunkelrassen vervalste christendom terzijde zou schuiven om vervolgens het oorspronkelijke Arische christendom (waarin volgens Lanz de raszuiverheid werd gepredikt) in oude luister en glorie te herstellen. Er is reden om aan te nemen dat de jonge Adolf Hitler in zijn Weense jaren het tijdschrift van Lanz heeft gelezen (over de invloed van Lanz op Hitler verschillen de historici van mening). Motieven van de ariosofie zijn ook in het nationaalsocialisme terug te vinden. In hoeverre van een concrete invloed kan worden gesproken is ook hier een kwestie van interpretatie.

Elementen van zijn dualistische leer zijn in ieder geval ook in het nationaalsocialisme terug te vinden.

Literatuur[bewerken]

  • Wilfried Daim, Der Mann, der Hitler die Ideen gab. Von den religiösen Verirrungen eines Sektierers zum Rassenwahn des Diktators (Isar Verlag; München 1958). Eerste studie over Lanz van de Oostenrijkse psycholoog Wilfried Daim en in veel opzichten nog steeds de belangrijkste studie. Voor de persoon van Lanz is het boek van Daim nog altijd onmisbaar. Wat betreft Daims psychoanalytische interpretatie van Lanz zeer speculatief.
  • Nicholas Goodrick-Clarke, The Occult Roots of Nazism, The Ariosophists of Austria and Germany 1890-1935 (The Aquarian Press; Wellingborough/Northamptonshire 1985). Standaardwerk dat een overzicht geeft van de gehele occult-racistische subcultuur in Oostenrijk en Duitsland rond 1900. Wat betreft Oostenrijk leunt Goodrick-Clarke in zijn boek zwaar op Daim (m.b.t Guido List en Lanz). Verder is de studie van Goodrick-Clarke (zijn dissertatie uit 1985) zeer beschrijvend met weinig inhoudelijke analyse.
  • Zie verder van Goodrick-Clarke ook zijn bijdrage over Lanz in: Wouter J. Hanegraaff (ed.), Dictionary of Gnosis and Western Esotericism. Volume II (Brill; Leiden 2005) p. 673-675 en zijn bijdrage over 'Ariosophy' in deel I p, 91-97.
  • Rudolf J. Mund, Jörg Lanz von Liebenfels und der Neue Templer Orden. Die Esoterik des Christentums (Spieth Verlag; Stuttgart 1976). Apologetisch boek van een aanhanger van Lanz. Mund (overleden in 1985) was na de dood van Lanz de facto het nieuwe hoofd van Lanz' ONT (tenminste wat toen nog van de orde resteerde).
  • Peter Emil Becker, 'Jörg Lanz von Liebenfels. Rassenmystik und Ariosophie' in: Ib., Zur Geschichte der Rassenhygiene. Wege ins Dritte Reich (Georg Thieme Verlag: Stuttgart/New York 1988) p. 334-396. Becker geeft hierin een algemeen overzicht van leven en werk van Lanz.
  • Ekkehard Hieronimus, Lanz von Liebenfels. Eine Bibliographie. Toppenstedter Reihe 11. Sammlung bibliographischer Hilfsmittel zur Erforschung der Konservativen Revolution und des Nationalsozialismus. (Uwe Berg Verlag; Toppenstedt 1991). Onmisbare bibliografie van het werk van Lanz.
  • Jan Willem de Groot, 'Gnosis en raszuiverheid. De Ariosofie van Lanz von Liebenfels' in: Arnold Labrie e.a. (red.), De Hang naar Zuiverheid. De Cultuur van het Moderne Europa (Het Spinhuis; Amsterdam 1998) p. 223-249. Hierin specifieke aandacht voor Lanz' gnostiek.
  • Horst Lorenz, 'Rosen aus Germanieëns Bergen.' Eine Denkschrift zum 50. Todestag des Begründers des Neutemplerordens Jörg Lanz von Liebenfels (19 VII 1874 - 22 IV 1954). Unter besonderer Berücksichtigung geisteswissenschaftlicher Aspekte (Edition Weltwende; Ilvesheim z.j. [2005]). Evenals het boek van Mund een apologetisch werk van sympathisanten van Lanz, alleen van belang omdat hierin nog nieuwe biografische informatie en bronnen over Lanz te vinden zijn die voorheen nog niet bekend waren.
  • Petrus van der Let, Adolf Lanz. Mein Krampf. Videofilm, Österreichische Rundfunk 1994. Documentaire over Lanz met daarin o.a. nagespeelde scènes door een acteur die Lanz verbeeldt en een interview met Wilfried Daim. Daarnaast bevat de film unieke opnamen uit 1930 en 1931 die een lid van Lanz' ONT bij Werfenstein maakte. In deze opnamen is ook Lanz zelf te zien. (de titel Mein Krampf is een ironische verwijzing naar Hitlers Mein Kampf).

Tenslotte wordt Lanz nog in talloze andere boeken en artikelen over de (voor-)geschiedenis van het nationaalsocialisme genoemd, die verder niets aan de bovenstaande literatuur toevoegt (meestal wordt er dan verwezen naar de werken van Daim en Goodrick-Clarke). Daarnaast wordt er nog naar Lanz in allerlei speculatieve lectuur verwezen (ook op het internet). Voor de serieuze geschiedschrijving is dit verder niet van belang.