Jötun

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De reuzen dreigen godin Freyja te overmeesteren,
illustratie van Arthur Rackham.

Jötun (Noors: Jötnar, Jöten of Jøtnar, Jøten) is in de Noordse mythologie de soortnaam voor een van de twee zowel mannelijke als vrouwelijke reuzengeslachten. Het gaat om mensachtige of beestachtige entiteiten van vaak onvoorstelbare afmetingen (groter dan die van de goden), en begaafd met vrijwel goddelijke kracht en macht.

Oorsprong der Joten[bewerken]

Het zijn allen afstammelingen van de hermafrodiete oerreus Ymir en zij ontstaan reeds voor de goden, die in feite ook hun afstammelingen zijn.

Ymir is de naam van het eerste leven dat zich vormde in het begin der tijden. Het was de verschrikkelijke rijpreus, ontstaan uit rijpafzettingen in de oorspronkelijke chaotische leegte (bekend als Ginnungagap). Tijdens zijn slaap werd de oerreus iets als een groeiende plant en kwamen er uit zijn oksels een reuzenzoon en een reuzendochter, en door copulatie van zijn twee voeten ontstond een zeskoppig monster Thrudgelmir. Deze drie entiteiten samen brengen het ras van de hrímþursar (rijmreuzen of “vorstreuzen”) voort, die het oorspronkelijke rijk Niflheim, wereld van vorst en mist, bevolkten.

De goden (Asen en Vanen) daarentegen claimen te zijn voortgekomen uit een zekere Búri, een andere reus. Wanneer vervolgens de reus Ymir door Odin, Vili en Ve (drie kleinkinderen van Búri) wordt opgeofferd als materiaal voor de bouw van de andere werelden, dan wordt Niflheim helemaal door zijn levenssap (bloed of water) overspoeld en komen daarbij alle reuzen om, op twee na, een zekere reus Bergelmir en zijn eega, waaruit hun soort herontstaat.

Verblijfplaatsen[bewerken]

De verblijfplaats van de Jötuns is Utgard dat gelegen is in Jötunheim aan gene zijde van de menselijke wereld Midgard en ervan gescheiden door hoge bergen met dichte wouden. De opperheer daar is Utgardloki, wiens rijk met het dodenrijk samenvalt. Als ze in andere werelden dan de hunne leven dan houden ze zich bij voorkeur op in grotten en donkere plaatsen.

Karakter en functie[bewerken]

In het collectief geheugen wordt reuzen vaak een afzichtelijke beeldvorm gegeven met klauwen, slagtanden, zwarte huid en vervormde leden, met bovendien ook nog eens afstotelijke afmetingen. Er zijn er zelfs met meerdere hoofden, maar ook met niet-menselijke vormen. Bijvoorbeeld Jǫrmungandr (midgaardslang) en Fenrir (alverslindende wolf), twee kinderen van Loki dan weer, worden ook als reuzen beschouwd.

Met het slecht voorkomen gaan eigenschappen als naïviteit en een zwak intellect gepaard. En de Edda laat hun humeur vaak met dat van kinderen overeenkomen.

Toch krijgen individueel benoemde of nauwer omschreven reuzen vaak tegenovergestelde karakteristieken. Ongelooflijk oud zijnde dragen ze de wijsheid der vervlogen tijden. En het zijn reuzen als Mímir en Vafþrúðnir die Odin uitzoekt om aan pre-kosmische kennis te komen.

Verhouding met mensen en goden[bewerken]

Veel echtgenoten van goden zijn reuzen. Njǫrð is met Skaði getrouwd, Gerðr wordt de gade van Freyr, Odin wint de liefde van Gunnlod, en zelfs Thor, de grote slachter van de soort, houdt van Jarnsaxa, de moeder van Magni. Op die manier komen ze als een soort mindere godheden over, iets wat ook kan gezegd worden van de reus Ægir, die veel meer verbanden met de goden heeft dan met het schuim dat Jotunheim bevolkt. Geen van allen vrezen deze het licht, en hun woonsten verschillen qua comfort niet veel van die van de goden.

Maar de verhouding tussen reuzen en goden of mensen is enkel bij sommigen gunstig (zoals met Ägir en Mímir), en andere Jötuns vormen een bedreiging voor de Asen. Ze zijn dan ook constant in een kosmische oorlog verwikkeld, waarin Thor (die met zijn hamer ter order roept) de bovenhand neemt, en dit duurt tot aan de Ragnarök. In tegenstelling tot de Asen die orde vertegenwoordigen zijn de Jötuns chaotische creaturen. De vuurreus Surt (mogelijk het enige nog oudere wezen dan Ymir) zal dan de hele schepping met zijn vlammend zwaard vernietigen.

Archetypische betekenis[bewerken]

De reuzen vertegenwoordigen de krachten van de originele chaos en van de ongetemde destructieve natuur. Hun nederlagen onder de handen van de goden vertegenwoordigen de triomf van de cultuur over de natuur, al kost dat eeuwige waakzaamheid. Heimdall bewaakt permanent de Bifröst brug tussen Ásgard en Jötunheimr, en Thor gaat vaak op bezoek in de wereld van de reuzen om er zo veel mogelijk te verpulveren.

Ragnarök, eindzege van de vuurreuzen[bewerken]

Van een bepaalde klasse reuzen, de vuurreuzen of Thursen, wordt gezegd dat zij in Muspelheim, de vuurwereld, leven onder leiding van Surt (‘’Zwart’’) en zijn koningin Sinmore. Een soortgenoot is Fornjótr, de incarnatie van vuur. Het is de rol van de vuurreuzen in de Noordse mythologie om de finale vernietiging van de werelden te bewerken, door de wereldboom Yggdrasil te laten ontvlammen aan het einde van de Ragnarök, nadat de reuzen van Jotenheim en de krachten van Helheim een aanval op de goden uitvoeren en de meesten van hen ombrengen. Daarna komt opnieuw een schepping tot ontstaan, mogelijk een betere, waar geen gevaarlijke reuzen meer zijn.

Naambetekenis[bewerken]

In het Oudnoors, worden ze jötnar (enkelvoud. jötunn), genoemd of risar (enk. risi), in het bijzonder bergrisar, of þursar (enk. þurs), in het bijzonder hrímþursar. Een reuzin kon ook als een gýgr worden aangeduid.

‘’Jötunn’’ komt waarschijnlijk van dezelfde wortel als ‘’eten’’ en had als oorspronkelijke betekenis gulzige of ‘’menseneter’’. Volgens dezelfde logica kan þurs dan zijn afgeleid van acute ‘’dorst’’ of ‘’bloed-dorst’’. ‘’Risi’’ is waarschijnlijk verwant met ‘’rijzen’’, en betekent een ‘’rijzig figuur’’: een ‘’reus’’ dus. In Oudengels heeft “jötunn” de connotatie eóten en eten, vandaar bijvoorbeeld het modern Engelse ettin en J.R.R. Tolkiens schepping “Ent”.

Een verband met het Oudengelse woord ent ("giant"), Oudnoords Jötunn, Finse jätti ("reus") en de Tibetaanse yeti ("harige reus") is onzeker, maar lijkt alleszins niet vergezocht, als men bedenkt dat Finoegrische talen nog steeds worden gesproken in de grensgebieden van de Tibetaanse taalregio en dat de Finse taal een van de oudste was in de Scandinavische regio.

Oud Engels heeft ook het verwante woord þyrs met dezelfde betekenis.

"Thurs" is ook de naam van de rune ᚦ, die later evolueerde tot de letter Þ.

Reuzen in de Scandinavische folklore[bewerken]

In latere tijden werden reuzen algemeen bekend als trollen in Scandinavië. Zij kunnen het geluid van kerkklokken niet verdragen en moeten daarom ver van de beschaving leven, in de bergen of in de verste wouden. Komen ze dan soms toch naar de mensengemeenschap dan is dat vooral om het kerkgelui te doen ophouden door grote rolkeien op kerkgebouwen te gooien.

De reuzen werden hoe dan ook aanzien als een ras uit het verleden, waarvan men de overblijfselen nog kan zien in het landschap. Saxo Grammaticus schrijft het oprichten van dolmens toe aan de reuzen. En een grote steen die schijnbaar verloren ligt in het landschap (in feite een zwerfkei overgebleven uit een IJstijd werd een “reuzenworp” genoemd. Dit begrip overleeft in de folklore en wordt aangetoond door een verhaal uit de Zweedse folklore, als zou een reus in oudere tijden twee stukken land hebben weggerukt waardoor het Vänermeer en het Vättermeer ontstonden, en die in de Oostzee hebben gesmeten, waar ze nu resp. de eilanden Gotland en Öland vormen.

De Noordse reuzen op een rijtje[bewerken]

De reuzen Fenja en Menja bij de Grottisöng.

Zie ook[bewerken]