Jürgen Moser

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jürgen Moser (1969)

Jürgen Kurt Moser (Koningsbergen, 4 juli 1928 - Schwerzenbach, 17 december 1999) was een Duits-Amerikaans-Zwitsers wiskundige.

Leven[bewerken]

Jürgen Moser werd in 1928 in de Oost-Pruisische hoofdstad Koningsbergen geboren als zoon van de neuroloog Kurt Moser en diens vrouw, de tot pianiste opgeleide Ilse Strehlke. Zijn moeder was een nicht van de violist en componist Louis Spohr. Hij bezocht net als vóór hem David Hilbert, het natuurwetenschappelijk georiënteerde Königliches Wilhelms-Gymnasium. In 1943, hij was toen 15, werd hij net als de meeste van zijn klasgenoten, ingezet bij het Duitse luchtafweergeschut (FLAK). Veel van zijn klasgenoten zouden dit niet overleven. Zijn oudere broer Friedel viel in 1945 in Rusland. Na Oost-Pruisen ontvlucht te zijn, woonde het gezin direct na de oorlog in Stralsund in Mecklenburg. Moser slaagde er in 1947 in om in aanmerking te komen voor een studie wiskunde aan de Georg-August-Universität Göttingen in Göttingen. Onder zijn leraren was Franz Rellich, onder wiens begeleiding hij in 1952 promoveerde. Een andere leraar was Carl Ludwig Siegel, wiens lezingen over de hemelmechanica hij in 1954-1955 in zijn rol als assistent van Siebel uitwerkte. Later zou dit werk nog onder hun beider naam als een monografie worden gepubliceerd. In 1955 werd hij assistent professor aan het bij de New York University aangesloten Courant Institute of Mathematical Sciences. Dit instituut was opgericht door Richard Courant, de uit Duitsland verdreven opvolger van Felix Klein aan de universiteit van Göttingen. In 1953-54 had Moser hier ook al als Fulbright Scholar gestudeerd. Moser was vanaf 1957 verbonden aan het MIT. Vanaf 1960 was hij hoogleraar aan het Courant Institute, waarvan hij van 1967 tot 1970 ook de directeur was. In 1959 werd hij Amerikaans staatsburger. Vanaf 1980 was hij verbonden aan de ETH Zürich, waar hij van 1982-1995 als directeur van het onderzoeksinstituut voor de wiskunde werkte. In de periode 1983–1986 was Moser president van de Internationale Wiskundige Unie. Hij ontving in 1984 de Brouwermedaille. In 1995 ging hij met emeritaat en nam hij de Zwitserse nationaliteit aan. In 1999 stierf hij in het Universitair Ziekenhuis van Zürich aan de gevolgen van prostaatkanker.

Werk[bewerken]

Het meest gekend is Moser voor zijn bijdrage aan de naar Andrei Kolmogorov, Vladimir Arnold en naar hemzelf genoemde KAM-theorie. Deze vindt zijn oorsprong in de perturbatietheorie voor meerlichamenprobleem in de hemelmechanica. Het belangrijkste resultaat van deze theorie zijn uitspraken over het bestaan ​​van stabiele tori in de faseruimte, waarom zich bij kleine verstoringen de lichamen quasi-periodiek bewegen. Daarnaast leverde Moser vele andere belangrijke bijdragen, in het bijzonder aan de theorie van de partiële differentiaalvergelijkingen (de stelling van Nash-Moser is naar hem en John Nash genoemd), aan de theorie van integreerbare systemen, en aan de complexe analyse van meerdere variabelen, waar hij in samenwerking met Shiing-Shen Chern de Chern-Moser-invarianten van reële hyperoppervlakken introduceerde en samen met Sidney Webster geïsoleerde complexe punten van reële oppervlakken van codimensie twee in de tweedimensionale complexe ruimte bestudeerde.

Uitgekozen werken[bewerken]

Externe links[bewerken]