J.R.R. Tolkien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
J.R.R. Tolkien
Volledige naam John Ronald Reuel Tolkien
Geboren 3 januari 1892
Overleden 2 september 1973
Land Zuid-Afrika en later Engeland
Jaren actief 1937-1973
Genre(s) Fantasy
Uitgeverij(en) George Allen & Unwin (Groot-Brittannië)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

John Ronald Reuel Tolkien (Bloemfontein, Zuid-Afrika, 3 januari 1892Bournemouth, Engeland, 2 september 1973) was hoogleraar Oud-Engels van 1925 tot 1945 en hoogleraar in de Engelse taal- en letterkunde[1] van 1945 tot 1959 aan de Universiteit van Oxford en schrijver van verschillende bekende werken. Met zijn boeken De Hobbit (The Hobbit) en In de Ban van de Ring (The Lord of the Rings) is hij vooral bekend geworden als de vader van de moderne high fantasy.

Inhoud

[bewerken] Biografie

[bewerken] Afkomst

Tolkiens voorouders van zijn vaders kant waren voornamelijk ambachtslieden. De familie kwam oorspronkelijk uit het Duitse Koninkrijk Saksen, maar woonde al sinds de achttiende eeuw in Engeland . De naam Tolkien is een Engelse verbastering van Tollkiehn, en van het Duitse tollkühn, wat roekeloos of overmoedig betekent.

Tolkiens grootouders van zijn moeders kant, John en Edith Jane Suffield, waren baptisten, die woonden in Birmingham (Engeland).Zij hadden er een winkel . De familie Suffield had sinds het begin van de negentiende eeuw verschillende bedrijven die gerund werden vanuit hetzelfde gebouw, Lamb House. Sinds 1810 had Tolkiens betovergrootvader William Suffield er een boekenwinkel; Tolkiens overgrootvader, ook John Suffield, had er sinds 1826 een kledingwinkel .

[bewerken] Jeugd

John Ronald Reuel Tolkien werd op 3 januari 1892 geboren in Bloemfontein in de toenmalige Oranje Vrijstaat. Hij was de zoon van Arthur Reuel Tolkien (1857-1896), een Engelse bankdirecteur, en zijn vrouw Mabel Suffield (1870-1904). Toen Arthur werd bevorderd tot het hoofd van een Britse bank in Bloemfontein vertrok het paar vanuit Engeland naar Zuid-Afrika. Tolkien had een jongere broer, Hilary Arthur Reuel, die werd geboren op 17 februari 1894.

Als kind werd Tolkien in de tuin gebeten door een grote Afrikaanse vogelspin. Deze gebeurtenis zou later terugkeren in zijn verhalen. Toen hij drie jaar oud was, ging Tolkien met zijn moeder en zijn broertje naar Engeland voor wat bedoeld was als een langdurig familiebezoek. Zijn vader stierf echter in Zuid-Afrika aan acute reuma, voordat hij ook naar Engeland kon komen. Hierdoor zat het gezin zonder inkomen, dus trok het in bij de grootouders in Birmingham. Korte tijd later , in 1896, verhuisde de familie naar Sarehole (nu in Hall Green), dat toen nog een dorp in Worcestershire was. Tolkien ging graag op onderzoek uit in de molen in Sarehole en ook in Moseley Bog (een natuurreservaat), de Clent Hills en Malver Hills. Deze plekken vormden later een bron van inspiratie voor zijn boeken, zoals dat ook het geval was met de dorpjes in Worcestershire, zoals Bromsgrove, Alcester en Alverchurch. Dat gold ook voor zijn tantes boerderij genaamd Bag End, waarvan de naam later zou terugkeren in Tolkiens verhalen.

Mabel onderwees haar twee zonen zelf. Ronald, zoals hij werd genoemd, was een slimme leerling. Zijn moeder leerde hem veel over plantkunde, en bracht hem de voorliefde voor planten bij. De jonge Tolkien tekende graag landschappen en bomen, maar het liefst leerde hij talen. Zijn moeder bracht hem van jongsafaan de beginselen van het Latijn bij. Hij kon al lezen toen hij vier was en niet veel later kon hij ook vloeiend schrijven. Zijn moeder liet hem veel lezen. Hij had een hekel aan Treasure Island en The Pied Piper , en vond Alice in Wonderland van Lewis Carroll grappig maar verwarrend. Hij hield echter van verhalen over indianen en van de fantasieverhalen van George MacDonald. Daarnaast waren de Fairy Books van Andrew Lang bijzonder belangrijk voor hem. Deze verhalen zijn van invloed geweest op zijn latere werk.

Tolkien ging naar de King Edward’s School in Birmingham, waar hij werd opgesteld in de erehaag van de parade ter gelegenheid van de kroning van koning George V Hij stond vlakbij de poort van Buckingham Palace. Later ging hij naar de St. Philip’s School.

Mabel Tolkien werd in 1900 opgenomen in de rooms-katholieke kerk, ondanks felle protesten van haar doopsgezinde familie, die vervolgens hun financiële steun aan haar stopzette. In 1904, toen Tolkien 12 jaar was, overleed ze aan de gevolgen van diabetes (type 1), in Fern Cottage in Rednal, waar ze toen woonden. Mabel Tolkien was toen ongeveer 34 jaar oud en destijds had men de behandeling met insuline nog niet uitgevonden. Tolkien zou de rest van zijn leven zijn moeder als een martelaar van haar geloof beschouwen.

Vlak voor haar dood had Mabel Tolkien de voogdij over haar zonen toegewezen aan frater Fancis Xavier Morgan van het oratorium van Birmingham, die hen moest opvoeden als goede katholieken. Hij woonde daar in de schaduw van de Perrott’s Folly en de victoriaanse toren van Edgbaston Waterworks, wat wellicht het beeld heeft beïnvloed van de donkere torens in zijn werk. Ook de romantische middeleeuwse schilderingen van Edward Burne-Jones en de Prerafaëlieten hebben een sterke invloed gehad op zijn werk.

[bewerken] Latere jeugd

In 1911, toen hij studeerde aan de King Edward’s School in Birmingham, richtte Tolkien samen met drie vrienden, Rob Gilson, Geoffrey Smith en Christopher Wiseman, een geheim genootschap op, dat ze T.C.B.S. noemden. Deze initialen betekenenTea Club and Barrovian Society en waren een zinspeling op hun voorliefde voor drinken van thee in de Barrow’s Stores vlakbij hun school en ook stiekem in de bibliotheek van de school. Na school hielden de leden contact en in december 1914 hielden ze een vergadering in Londen bij Wiseman thuis. Voor Tolkien resulteerde deze vergadering in een sterke toewijding tot het schrijven van poëzie.

In de zomer van 1911 ging Tolkien op vakantie naar Zwitserland, iets wat hij zich nog levendig kan herinneren in een brief die hij in 1968 schreef. Hij maakt daarin gewag van Bilbo’s reizen door de Nevelbergen (waaronder de glijpartij over de gladde stenen in het bos), en dit is rechtstreeks afgeleid van zijn eigen avontuur toen hun gezelschap van Interlaken naar Lauterbrunnen wandelde en uiteindelijk kampeerde in de morenen bij Mürren. Zevenenvijftig jaar later kon Tolkien zich nog herinneren dat hij met pijn in het hart afscheid nam van het uitzicht op de eeuwige sneeuw van deJungfrau en de Silberhorn. Ze trokken verder langs de Kleine Scheidegg naar Grindelwald en langs de Grosse Scheidegg naar Meiringen. Ze vervolgden hun reis naar de Grimselpas en door de Valais naar Brig, van daaruit gingen ze naar de Aletschgletsjer en Zermatt.

In oktober van datzelfde jaar ging Tolkien studeren aan het Exeter College, van de Universiteit van Oxford. Aanvankelijk studeerde hij er klassieke talen, maar ging later Engelse taal studeren. Hij studeerde af in 1915.

[bewerken] Verloving en huwelijk

Op zestienjarige leeftijd leerde Tolkien Edith Mary Bratt kennen, die drie jaar ouder was. J.R.R. en Hilary Tolkien woonden toen in hetzelfde kosthuis. Humphrey Carpenter schrijft hierover: Edith en Ronald gingen geregeld naar tearooms in Birmingham, met name naar een tearoom die een balkon had met uitzicht op straat. Ze zaten daar suikerklontjes in de hoeden van voorbijgangers te gooien en als het suikerpotje leeg was gingen ze naar het volgende tafeltje. Er moest wel iets moois bloeien tussen twee zulke gelijkgestemde mensen. Ze waren allebei wees en hadden beide behoefte aan genegenheid, en dat konden ze elkaar ook schenken. In de zomer van 1909 wisten ze dat ze verliefd waren. [2].

Frater Francis Morgan, zijn voogd, vond dat Edith Tolkien teveel afleiddde van zijn studie, en het vervulde hem met afschuw dat zijn jonge pupil een serieuze relatie had met een protestants meisje. Hij verbood hem haar te zien, te spreken of zelfs maar te schrijven, totdat hij 21 was. Hij hield zich strikt aan dit verbod, op een enkele uitzondering na, waardoor frater Morgan dreigde een einde te maken aan zijn universitaire carrière als hij er niet mee ophield.

Vlak voor zijn 21ste verjaardag schreef Tolkien Edith een brief en verklaarde hij haar zijn liefde en vroeg hij haar ten huwelijk. Edith antwoordde hierop dat ze al verloofd was met een andere man, maar dat had ze gedaan omdat ze dacht dat Tolkien niet langer om haar gaf. Ze liepen elkaar weer tegen het lijf en bij een spoorwegviaduct bloeide hun liefde weer op. Edith gaf haar verlovingsring terug en vertelde dat ze met Tolkien ging trouwen. Nadat ze verloofd waren bekeerde Edith zich op aandringen van Tolkien tot het katholieke geloof. In januari 1913 verloofden ze zich in Birmingham, en op 22 maart 1916 trouwden ze in Warwick in de Saint Mary Immaculate Catholic Church.

[bewerken] Eerste Wereldoorlog

Het Verenigd Koninkrijk was toen betrokken bij de Eerste Wereldoorlog en Tolkien nam vrijwillig dienst in het Britse Leger en werd tweede luitenant bij de Lancashire Fusiliers. Zijn opleiding bij het 13de (reserve) bataljon in Cannock Chase, Staffordshire duurde elf maanden. Hij werd vervolgens overgeplaatst naar het 11de bataljon van de British Expeditionary Force, en hij kwam op 4 juni 1916 in Frankrijk aan. Hierover schreef hij later: "Jonge officieren sneuvelden er bij de bosjes. Gescheiden te moeten zijn van mijn vrouw ... ik ging eraan onderdoor."

Tijdens de Slag aan de Somme was Tolkien verbindingsofficier. Hij nam ook deel aan de Slag bij Thiepval. Hij kreeg op 27 oktober 1916 last van loopgravenkoorts, een ziekte die werd overgedragen door luizen, waarvan het wemelde in het loopgravengebied. De Anglicaanse legeraalmoezenier Mervyn S. Meyers schreef hierover in zijn memoires: "Ik bracht een keer de nacht door met twee officieren in een buitgemaakte Duitse stelling. We probeerden wat te slapen maar dat was ons niet gegund. We waren nog maar net gaan liggen om te gaan slapen, toen er hele horden luizen tevoorschijn kwamen. We gingen toen meteen naar de officier-arts, die ook in de stelling was en zijn geneesmiddelen bij zich had. Hij gaf ons wat zalf om de luizen weg te houden. We smeerden ons helemaal in met het spul en probeerden weer te gaan slapen, maar dat mocht niet zo zijn. In plaats daarvan kwamen de kleine rotzakken weer massaal op ons af."

Tolkien ging op 8 november 1916 als oorlogsinvalide terug naar Engeland. Veel van zijn naaste vrienden, waaronder zijn mede TCBS'leden Gilson en Smith, waren gesneuveld. Jaren later zei Tolkien hierover verontwaardigd, dat degenen die zochten naar overeenkomsten tussen zijn boeken en de Tweede Wereldoorlog er volledig naast zaten: "Je moet zelf de oorlog hebben meegemaakt om te weten wat dat is. Met het verstrijken van de tijd lijkt men nu vaak te vergeten dat het niet minder erg was om in 1914 als jongeling verwikkeld te raken bij de Eerste Wereldoorlog dan het nu is betrokken te zijn bij de Tweede Wereloorlog. In 1918 waren op een na al mijn vrienden gesneuveld. [3].

Een verzwakte en uitgemergelde Tolkien, hij werd afgekeurd voor het front, bracht de rest van de oorlog door in militaire hospitalen of hij had garnizoensdienst. Toen werd ook de eerste zoon van Edith en J.R.R. geboren, John Francis Reuel Tolkien.

[bewerken] Thuisfront

Tijdens zijn herstel in Great Haywood, te Staffordshire, Engeland, begon Tolkien met het schrijven van wat hij The Book of Lost Tales noemde. Hij begon als eerste met het schrijven van De val van Gondolin. In 1917 en 1918 kwam zijn ziekte steeds terug, maar hij was voldoende hersteld om in eigen land dienst te doen in diverse kazernes en hij werd bevorderd tot luitenant.

Toen hij gelegerd was in Kingston upon Hull, ging hij samen met Edith wandelen in de bossen vlakbij Roos, en daar danste Edith voor hem op een open plek tussen de bloeiende dollekervel.

We wandelden in een bos waar de dollekervel groeide, in een zee van witte bloemen[4].

Deze gebeurtenis vormde de inspiratie voor de kennismaking tussen Beren en Lúthien. Tolkien noemde Edith vaak ‘’mijn Lúthien’’[5].

[bewerken] Universitaire carrière en schrijversloopbaan

Na de Eerste Wereldoorlog ging Tolkien aanvankelijk voor de Oxford English Dictionary werken, waar hij zich voornamelijk bezighield met de geschiedenis en etymologie van oorspronkelijk Duitse woorden, beginnend met de letter W. In 1920 werd hij lector in de Engelse taal aan de Universiteit van Leeds en 1924 werd hij er tot professor benoemd. In Leeds verscheen van zijn hand "A Middle English Vocabulary" en samen met E. V. Gordon een gezaghebbende uitgave van Heer Gawein en de Groene Ridder , die beiden decennialang beschouwd werden als academische standaardwerken. In 1925 keerde hij terug naar Oxford en werd daar professor in de Oud-Engelse taal aan de universiteit.

In die tijd begon Tolkien met het schrijven van "De Hobbit (The Hobbit)" en de eerste twee delen van "In de Ban van de Ring (The Lord of the Rings)".

20 Northmoor Road, voormalige huis van J.R.R. Tolkien in Oxford.

Tolkiens verhandeling uit 1936 over Beowulf, "Beowulf: the Monsters and the Critics" uit 1936, is van blijvende invloed geweest op het onderzoek naar Beowulf. Lewis E. Nicholson zei dat Toliens artikel over Beowulf wordt beschouwd als een keerpunt in de kritiek op Beowulf. Daar voegde hij aan toe dat Tolkien de nadruk legde op de poëtische aard van het verhaal in plaats van de nadruk te leggen op de meer taalkundige elementen. Destijds werd Beowulf door geleerden over het algemeen geringschattend beschouwd als een kinderachtig verhaal over gevechten met monsters in plaats van een realistisch verhaal over stammenoorlogen; Tolkien stelde dat de schrijver van Beowulf het menselijke lot in algemene zin aan de orde stelde, en zich niet beperkte tot stammenoorlogen, en dat de monsters daarom noodzakelijk zijn voor het gedicht. In zijn essay laat Tolkien ook zien hoeveel respect hij had voor Beowulf: “Beowulf is een van mijn meest waardevolste bronnen,” en deze invloed is terug te vinden in "In de Ban van de Ring".

In 1945 werd Tolkien professor in de Engelse taal- en letterkunde aan het Merton College van de Universiteit van Oxford, en dat bleef hij tot aan zijn pensioen in 1959. In 1948 voltooide Tolkien "In de Ban van de Ring", bijna tien jaar nadat hij er voor het eerst aan was begonnen.

Tolkien werkte ook mee aan het vertalen van de "Bijbel van Jeruzalem", die in 1966 verscheen.

[bewerken] Gezin

J.R.R. en Edith Tolkien hadden vier kinderen: John Francis Reuel Tolkien (17 november 1917 – 22 januari 2003), Michael Hilary Reuel Tolkien (22 oktober 1920 – 27 februari 1984), Christopher John Reuel Tolkien (geboren op 21 november 1924) en Priscilla Mary Anne Reuel Tolkien (geboren op 18 juni 1929). Tolkien was dol op zijn kinderen en toen ze nog klein waren stuurde hij ze brieven met tekeningen van de Kerstman. Elk jaar kwamen er meer personages bij, zoals de ijsbeer, het hulpje van de kerstman, de Sneeuwman, de tuinman, Ilbereth de elf, zijn secretaresse en andere personages. De belangrijkste personages vertelden verhalen over de strijd van de kerstman tegen de aardmannen die op vleermuizen vlogen, en over de grappen die de IJsbeer uithaalde.

[bewerken] Vriendschappen

Tolkien leerde C. S. Lewis kennen in Oxford. Hij was wellicht zijn beste vriend en collega, hoewel hun verhouding bekoelde naarmate ze ouder werden. Ze deelden de liefde voor een goed gesprek, lachen en bier en in mei 1927 maakte Tolkien Lewis lid va de "Coalbiters club", die IJlandse sagen las in het oorspronkelijke Oud Noors. Dit was, zoals Humphrey Carpenter het omschreef "het begin van een lange en gecompliceerde vriendschap." Tolkien en Hugh Dyson brachten C. S. Lewis weer nader tot het christendom. Tijdens hun bijeenkomsten met de Inklings bij Lewis thuis, maar ook privé, las Tolkien op diens aanmoediging en met zijn goedkeuring delen uit "De Silmarillion", "De Hobbit" en "In de Ban van de Ring" voor aan Lewis.

Door de komst van Charles Williams, die werkte voor de Oxford University Press, veranderde die de verhouding tussen Tolkien en Lewis. Lewis’ enthousiasme verschoof bijna ongemerkt van Tolkien naar Williams, met name toen Lewis bezig was met het schrijven van zijn derde roman, "That Hideous Strength".

Tolkien maakte zich al lang erg druk over wat hij beschouwde als de anti-katholieke houding van Lewis. In een brief aan zijn zoon Christopher zei hij:

de haat tegen onze kerk is uiteindelijk het enige echte fundament van de Anglicaanse Kerk – dit is zelfs zo sterk dat het overeind blijft wanneer de superstructuur lijkt te zijn verdwenen (C.S.L. eerbiedigt het Heilige Sacrament en heeft bewondering voor nonnen!). Maar als een Lutheraan in de gevangenis belandt is hij gevechtsklaar; maar als katholieke priesters worden afgeslacht – gelooft hij het niet (en ik geloof zeker dat hij denkt dat ze erom gevraagd hebben[6]).

Lewis’ groeiende reputatie als christelijke apologeet en zijn terugkeer naar de Anglicaanse kerk ergerde Tolkien, die een diepe afkeer had van de Anglicaanse kerk. Halverwege de jaren veertig vond Tolkien dat Lewis te veel publiciteit kreeg naar zijn eigen of onze mening.

Tolkien en Lewis hadden misschien een hechtere band kunnen krigen toen ze in Headington verbleven, maar Lewis' huwelijk met Joy Davidman voorkwam dit. Tolkien vond dat Lewis verwachtte dat zijn vrienden hem en zijn vrouw zouden bezoeken. Toen hij in de jaren dertig nog vrijgezel was en de Inklings hun bijeenkomsten hielden, ging hij voorbij aan het feit dat zijn vrienden zelf getrouwd waren. Het hielp ook al niet dat Lewis Tolkien aanvankelijk niets vertelde over zijn huwelijk met Davidman en toen Tolkien daar uiteindelijk achterkwam, kwam hij ook te weten dat Lewis was getrouwd met een gescheiden vrouw. Dit druisde in tegen Tolkiens katholieke geloofsovertuiging. Hij omschreef het huwelijk dan ook als "erg raar".

In de jaren vijftig kwam er een eind aan de gergelde bezoeken van Tolkien aan Lewis, en dit betekende ook het eind van Tolkiens "gezellige" periode, die op school was begonnen met de T.C.B.S. en eindidgde met de Inklings in Oxford.

Zijn vriendschap met Lewis kende later niettemin een zekere opleving. Tolkien zei hierover het volgende in een brief aan Priscilla na Lewis’ dood in november 1963:

Tot nu toe heb ik normale dingen gevoeld voor een man van mijn leeftijd – zoals een oude boom die één voor één al zijn bladeren verliest: dit voelt als een bijlslag aan mijn wortels[7].

W. H. Auden, die als student les had gekregen van Tolkien, was bij gelegenheid ook een journalist en stond vanaf medio jaren vijftig tot aan Tolkiens dood op vriendschappelijke voet met hem. De vriendschap was ontstaan doordat Auden geboeid werd door "In de Ban van de Ring" en Auden was een van de eerste en belangrijkste critici die zich lovend uitlieten over het boekwerk. Tolkien schreef in een brief uit 1971:

Ik heb de laatste jaren veel te danken gehad aan Auden. Zijn steun en interesse in mijn werk hebben mij in belangrijke mate gestimuleerd. Van begin af aan schreef hij me goede kritieken, notities en brieven, op een moment dat dat nog helemaal niet vanzelfsprekend was. Hij werd er zelfs om bespot[8].

[bewerken] Pensioen en latere leven

Tijdens zijn pensioen, van 1959 tot aan zijn dood in 1973, kwam Tolkien geleidelijk aan steeds meer in de publieke belangstelling te staan en groeide zijn bekendheid op literair gebied. Zijn boeken verkochten zo goed dat hij er spijt van had dat hij niet eerder met pensioen was gegaan. Aanvankelijk beantwoordde hij nog graag vragen van zijn fans, maar koesterde hij een zekere achterdocht jegens het ontstaan van fanclubs, vooral onder de hippiebeweging in de Verenigde Staten. In een brief uit 1972 betreurt hij dat hij een idool is geworden, maar geeft hij toe dat:

…zelfs de neus van een erg bescheiden idool […] niet helemaal ongevoelig is voor de zoete geur van wierook![9]

Door de toenemende aandacht van fans zag Tolkien zich genoodzaakt een geheim telefoonnummer aan te vragen en uiteindelijk verhuisde hij samen met Edith naar Bournemouth aan de zuidkust van Engeland.

Op 1 januari 1972 werd Tolkien door Koningin Elizabeth II benoemd tot ridder in de Order of the British Empire en op 28 maart 1972 werd hem de onderscheiding uitgereikt op Buckingham Palace.

[bewerken] Overlijden

Grafsteen van J.R.R. Tolkien

Edith Tolkien stierf op 29 november 1971, op 82 jarige leeftijd. Tolkien liet de naam Lúthien graveren in de grafsteen op het kerkhof van Wolvercote in Oxford. Toen Tolkien 21 maanden later overleed op 2 september 1973, op 81 jarige leeftijd, werd hij bijgezet in hetzelfde graf, en werd de naam Beren gegraveerd in de grafsteen. Het grafschrift luidt:

Edith Mary Tolkien
Lúthien
John Ronald Reuel Tolkien
Beren

[bewerken] Opvattingen

Tolkien was een devote rooms-katholiek, en hij had voornamelijk conservatieve religieuze en politieke opvattingen. Hij gaf de voorkeur aan oude gebruiken en gewoonten in plaats van innovatie en modernisering. Hij had ook een gruwelijke hekel aan de neveneffecten van de industrialisatie, waarvan hij vond dat die het Britse platteland verwoestte. Bijna zijn hele volwassen leven had hij een afkeer van auto's en ging hij liever fietsen. Deze houding is ook terug te vinden in zijn boeken, met als bekendste voorbeeld de verbeelding van de gedwongen industrialisatie van de Gouw in In de Ban van de Ring.

Er is veel gezegd en geschreven over mogelijke overeenkomsten tussen Midden-aarde[10] en Tolkiens eigen leven. Van In de Ban van de Ring wordt vaak beweerd dat het Engeland tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog moet voorstellen. Tolkien trekt hiertegen flink van leer in het voorwoord van de tweede druk van de roman, en zegt dat hij toepasselijkheid prefereert in plaats van allegorie. Dit thema wordt nog verder uitgewerkt in zijn essay "On Fairy-Stories", waarin hij betoogt dat sprookjes zo treffend zijn, omdat ze soms stroken met de werkelijkheid. Hij komt tot de conclusie dat het christendom ook dit patroon volgt van innerlijke samenhang en uiterlijke waarheid. Zijn geloof in de fundamentele waarheden van het christendom en hun plaats in de mythologie brengen sommige critici ertoe christelijke thema’s te zien in In de Ban van de Ring, ondanks een opmerkelijk gebrek aan openlijke religieuze verwijzingen. Dit is niet zo verwonderlijk, want de fenomenen die in onze eigen wereld religieuze impulsen doen ontstaan, zijn in Midden-aarde een normaal en vanzelfsprekend onderdeel van de natuurlijke wereld. Tolkien had grote moeite met het gebruik van religieuze verwijzingen in de verhalen van C.S. Lewis, die vaak openlijk allegorisch van aard waren. Tolkien schreef echter dat de plaats van handeling van de Doemberg een toelichting vormde op het Onze Vader.

Zijn voorliefde voor mythes en zijn devote geloof kwamen samen in zijn bewering dat hij geloofde dat de mythologie de goddelijke weerklank is van De Waarheid. Dit standpunt kwam tot uitdrukking in zijn gedicht Mythopoeia, en zijn opvatting dat mythes fundamentele waarheden bevatten werd in algemene zin een centraal thema van de Inklings.

[bewerken] Geloof

Tolkiens geloof speelde een belangrijke rol in de bekering van C.S. Lewis van het atheïsme tot het christendom, maar Tolkien was erg teleurgesteld dat Lewis ervoor koos zich aan te sluiten bij de Anglicaanse Kerk, die Tolkien, in tegenstelling tot de Rooms-Katholieke Kerk, een zielige en duistere mengeling van half-vergeten tradities en verminkte geloofsopvattingen vond.

In de laatste jaren van zijn leven was Tolkien erg teleurgesteld over de hervormingen en veranderingen die werden doorgevoerd na het Tweede Vaticaanse Concilie, en zijn kleinzoon Simon Tolkien zegt hierover:

Ik herinner me het nog goed dat ik met hem naar de kerk ging in Bournemouth. Hij was een devote rooms-katholiek en het gebeurde niet lang nadat de Kerk de liturgie van het Latijn had aangepast in het Engels. Mijn grootvader was het hier duidelijk niet mee eens en antwoordde luidkeels in het Latijn terwijl de rest van de parochie in het Engels antwoordde. Ik vond het allemaal nogal pijnlijk, maar mijn grootvader was zich van geen kwaad bewust. Hij deed gewoon zoals hij vond dat het hoorde [11].

[bewerken] Politiek

Tolkiens zienswijze werd geleid door zijn strenge katholicisme. Toen hij erachter kwam dat Republikeinse doodsekaders tijdens de Spaanse Burgeroorlogkerken verwoestten en op grote schaal priesters en nonnen vermoordden, bracht hij zijn steun tot uiting aan het regime van Francisco Franco. Na een kennismaking in 1944 had hij ook bewondering voor de Zuid-Afrikaanse dichter en mede-katholiek Roy Campbell. Campbell zou in Spanje hebben gevochten aan de zijde van Franco’s leger, en dus beschouwde Tolkien hem als een verdediger van het katholieke geloof. C.S. Lewis daarentegen hekelde in zijn gedichten openlijk Campbells "mengeling van katholicisme en fascisme ".

Geleerden zijn het niet eens over de vraag of er racistische of raciale elementen in Tolkiens opvattingen zijn te vinden. Christine Chism maakt bij de beschuldigingen een onderscheid in drie categorieën: opzettelijk racisme, onbewuste Eurocentrische vooroordelen en de ontwikkeling van latent racisme in Tolkiens vroegere werk naar een bewuste afkeer van racistische tendensen in zijn latere werk. Het is bekend dat Tolkien de "rassenleer" en het antisemitisme van de Nazi's veroordeelde als "volkomen verderfelijk en onwetenschappelijk". Over de rassenscheiding in Zuid-Afrika zei hij:

De behandeling van kleurlingen schrikt bijna altijd iedereen af die afkomstig is uit Groot-Brittannië[12].

In 1968 maakte hij bezwaar tegen de beschrijving van Midden-aarde als "noords", waarvan hij zei een hekel te hebben aan die term omdat die in verband werd gebracht met racistische theorieën. Tolkien kende alleen maar minachting voor Adolf Hitler, die hij beschuldigde van "het degenereren … en het voor altijd vervloeken van de edele noordse geest" die hem zo lief was.

In een brief uit 1944 aan zijn zoon Christopher schreef hij het volgende:

Het is bedroevend te zien hoezeer de pers zich tot hetzelfde bedenkelijke niveau verlaagt als Goebbels in zijn hoogtijdagen, en met schreeuwende krantenkoppen stelt dat elke Duitse commandant die standhoudt in een wanhopige situatie (wanneer, ook, de militaire noodzaak van zijn kant er baat bij heeft) een dronkenlap is en een zotte fanatiekeling. Er was een belangrijk artikel in de plaatselijke krant, waarin serieus bepleit werd dat het systematisch uitroeien van de gehele Duitse natie, de enige juiste oplossing was na militaire overwinning: want het zijn, als ik zo vrij mag zijn, ratelslangen, en zij kennen het verschil niet tussen goed en kwaad! (En de schrijver dan?) De Duitsers hebben net zoveel recht om te beweren dat Polen en Joden ongedierte zijn en minder dan menselijk, als wij hebben om de Duitsers te veroordelen: met andere woorden, we hebben daar geen enkel recht toe, wat ze dan ook gedaan mogen hebben[13].

De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki vervulden hem met afschuw en hij omschrijft de makers van de atoombom als "deze gestoorde fysici" en als "bouwers van Babel".

[bewerken] Schrijversloopbaan

Voor "The Book of Lost Tales", dat Tolkien schreef toen hij herstelde van de loopgravenziekte die hij opliep tijdens de Slag aan de Somme, bedacht hij verschillende thema’s die later opnieuw werden gebruikt in de opeenvolgende concepten van zijn "Legendarium". De twee opvallendste verhalen, de legende van Beren en Lúthien en die van Túrin, werden voortgezet in lange verhalende gedichten (gepubliceerd in "The Lays of Beleriand".

[bewerken] Invloeden

Een van degenen die van grote invloed zijn geweest op Tolkien was de duizendpoot William Morris. Tolkien wilde Morris’ prozaïsche en poëtische avonturenverhalen imiteren. Hij putte er voor "In de Ban de van de Ring" onder meer inspiratiie uit voor de namen van bijvoorbeeld de "Dode Moerassen (Dead Marshes)" en het "Demsterwoud (Mirkwood)".

Edward Wyke-Smiths Marvelous Land of the Snergs, met zijn typische personages, heeft een grote invloed gehad op de gebeurtenissen, thema's en beschrijving van Bilbo’s volk in De Hobbit. Tolkien schreef dat hij als kind erg onder de indruk was van S.R. Crocketts historische roman The Black Douglas en dat Sauron op zijn schurk, Gilles de Retz, was gebaseerd.

Germaanse inspiratie Tolkien is ook sterk beïnvloed door de Germaanse talen, vooral door de Oud-Engelse literatuur, poëzie en mythologie. Hij putte inspiratie uit werken als Beowulf, Heer Gawein en de Groene Ridder (Sir Gawain and the Green Knight), en Noorse sagen, zoals de Volsunga saga en de Hervarar saga, de poëtische Edda, het Nibelungenlied en andere soortgelijke culturele werken.

Ondanks de overeenkomsten tussen zijn werk en de Volsunga saga en het Nibelungenlied, die de basis vormde voor Richard Wagners opera’s, vinden critici dat de directe overeenkomsten gering zijn. Zoals zijn uitgever zei: “Beide ringen waren rond, en daar houd de gelijkenis op.” Andere critici vinden dat Tolkien het idee van een Ring die de drager heerschappij over de wereld geeft te danken heeft aan Wagner. Twee karaktereigenschappen van de Ene Ring, de vijandige aard en corrumperende macht op gedachten en willen, waren niet aanwezig in de mythologische of historische bronnen, maar hebben wel een centrale rol in Wagner’s opera. Tolkien zelf gaf ook toe dat hij Homerus, Sophocles en de Finse Kalevala heeft gebruikt als inspiratie voor zijn verhalen of ideeën.

Keltische inspiratie Uit Tolkiens werk blijkt ook dat hij aspecten uit de Keltische geschiedenis en legendes heeft gehaald. Maar nadat het manuscript voor Silmarillion was afgewezen, onder andere door zijn Keltische namen, verwierp Tolkien hun Keltische oorsprong:

Het is onnodig om te zeggen dat ze niet Keltisch zijn! De verhalen zijn dat evenmin. Ik ken Keltische dingen en voel een zekere afkeer ervoor: vooral vanwege hun fundamentele onlogica. Ze hebben heldere kleuren, maar zijn als een gebroken, aangetaste glazen ruit die weer slordig in elkaar is gezet. Ze zijn in feite ‘gek’, zoals jouw lezer zegt – maar ik geloof niet dat ik dat ben[14].

[bewerken] De Silmarillion

J.R.R. Tolkien schreef een korte ‘Schets over de Mythologie’, waarin de verhalen van Beren en Lúthien en van Túrin onderdeel van waren. Uiteindelijk groeide de ‘Schets’ uit tot de Quenta Silmarilion, een epische geschiedenis waar Tolkien drie maal aan was begonnen, maar nooit had afgemaakt en gepubliceerd. Hij hoopte het te publiceren samen met de In de Ban van de Ring trilogie, maar de uitgevers (beiden Allen & Unwin en Collins) durfden het niet aan. Bovendien waren de kosten voor het drukken van een boek erg hoog in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog. Dit was tevens één van de redenen dat In de Ban van de Ring in drie delen werd gepubliceerd. Deze drie conceptverhalen zijn postuum uitgegeven onder de naam van De Geschiedenis van Midden-Aarde, door zijn zoon Christopher Tolkien, die zijn vaders concepten heeft bewerkt en toegelicht. Vanaf 1936 begon hij de geschiedenis uit te breiden door een nieuw verhaal toe te voegen, De Val van Númenor, een verhaal gebaseerd op de legende van Atlantis.

[bewerken] Kinderboeken

Naast het componeren van mythologische poëzie, hield Tolkien er ook van om fantasie verhalen te bedenken voor het vermaak van zijn kinderen. Hier was immers ook het boek De Hobbit uit voortgevloeid. Hij schreef ieder jaar brieven van de Kerstman voor hen, waarmee hij een reeks van korte verhalen opbouwde. Deze werden later samengevoegd en uitgegeven. Andere verhalen waren Mr. Bliss, Roverandom, De smid van Groot-Wolding en Boer Gilles van Ham. Voor deze verhalen gebruikte hij, net als voor De Hobbit ideeën uit zijn Legendarium.

[bewerken] De Hobbit

Tolkien had nooit verwacht dat zijn verhalen zo populair werden, maar door toeval trok het boek dat hij jaren eerder voor zijn kinderen had geschreven, genaamd De Hobbit, in 1936 de aandacht van Susan Dagnall, een medewerker van de Londense uitgeverij George Allen & Unwin, die hem overhaalde het te laten publiceren. Het boek trok echter ook de aandacht van volwassenen en het werd zo populair dat de uitgever Tolkien vroeg om een vervolg te schrijven.

[bewerken] In de Ban van de Ring

Hoewel hij zich in eerste instantie niet geïnspireerd voelde voor zo’n onderwerp, zorgde dit verzoek ervoor dat Tolkien begon aan zijn beroemdste werk: het epische, driedelige roman In de Ban van de Ring (gepubliceerd 1954-1955). Tolkien deed er meer dan tien jaar over om de achtergrond te creëren voor de trilogie. Tijdens deze periode kreeg J.R.R. Tolkien steun van zijn vrienden van de Inklings, vooral van zijn beste vriend C. S. Lewis, de auteur van de De Kronieken van Narnia. De Hobbit en In de Ban van de Ring zijn beide gebaseerd op de verhalen uit De Silmarillion, maar spelen zich veel later af.

De bedoeling van Tolkien was dat In de Ban van de Ring een kinderverhaal zou worden in dezelfde stijl als De Hobbit, maar het werd al snel duisterder en serieuzer, qua schrijfstijl. Hoewel het een vervolg was op De Hobbit, was het gericht op een ouder publiek, borduurde het voort op de enorme achtergrondverhalen van Beleriand, die Tolkien eerder had geschreven. Deze verhalen werden echter pas na Tolkiens dood gepubliceerd, onder andere in De Silmarillion. Tolkien heeft zelf ook een grote invloed achtergelaten op het Fantasy-genre, dat ontstond na het succes van In de Ban van de Ring.

In de Ban van de Ring werd enorm populair in de jaren 60 van de vorige eeuw en is dat sindsdien gebleven. Het is een van de populairste fictiewerken uit de 20ste eeuw, wat zowel uit verkoopcijfers als uit peilingen onder lezers blijkt.

  • 1999: ‘Boek van het Millennium’, volgens een poll van Amazon.com
  • 2003: In de Ban van de Ring is ‘Natie’s-Meest-Geliefde-Boek’, volgens een onderzoek van de BBC.
  • 2004: ‘Meest-Favoriete-Boek’, volgens onderzoek door de Australian Broadcasting Channel.
  • 2002: Tolkien is de ‘Grootste Brit’, volgens een poll van de BBC.
  • 2004: Tolkien werd 35ste in de lijst van Grootste Zuid-Afrikanen en was daarmee de enige persoon die in beide lijsten verscheen.

De boeken zijn niet alleen enorm populair in Engelssprekende landen. In een poll uit 2004 vonden 250.000 Duitsers In de Ban van de Ring hun favoriete literaire werk.

[bewerken] Postume publicaties

J.R.R. Tolkien had zijn zoon Christopher aangewezen als literaire testamentuitvoerder en hij publiceerde (met hulp van Guy Gavriel Kay) in 1977 wat ongepubliceerd materiaal, genaamd De Silmarillion. Zijn vader had in 1937 geprobeerd een collectie ‘Silmarillion’-materiaal te publiceren, voordat hij In de Ban van de Ring had geschreven.

In 1980 bracht Christopher nog een collectie uit onder de naam Nagelaten vertellingen. In de opvolgende jaren (1983-1996) publiceerde hij een groot aantal van het resterende materiaal inclusief de aantekeningen van Tolkien zelf en aantekeningen in een serie van twaalf delen genaamd De Geschiedenis van Midden-aarde. Deze bevatten onafgemaakte, alternatieve en tegenstrijdige verhalen en feiten, aangezien ze nog niet af waren. Er is niet een volledige overloop tussen In de Ban van de Ring en De Hobbit, de meest gerelateerde werken, omdat Tolkien nooit helemaal de verhalen in elkaar heeft laten overlopen qua tradities en achtergrondinformatie. In 1965 zei Tolkien, terwijl hij bezig was met de derde editie van De Hobbit, dat hij het op prijs had gesteld om het hele boek te herschrijven vanwege de stijl van het proza.

In 2007 werd de collectie afgemaakt met de publicatie van De Kinderen van Húrin. De roman vertelt het verhaal van Túrin Turambar en zijn zus Nienor, de kinderen van Húrin Thalion. Het materiaal was samengesteld door Christopher Tolkien van De Silmarillion, Nagelaten vertellingen, De Geschiedenis van Midden-aarde en ongepubliceerd werk.

Het 'Departement van Speciale Collecties' en de bibliotheek van de Marquette University in Milwaukee bewaren veel van Tolkiens manuscripten. Ander origineel materiaal wordt bewaard in de Bodleian Library van de Universiteit van Oxford.

[bewerken] Talen en filologie

[bewerken] Taalkundige carrière

Tolkiens academische carrière en zijn literaire productie zijn onlosmakelijk verbonden met zijn liefde voor taal en filologie. Hij was gespecialiseerd in de Oud Griekse filologie aan de universiteit, en in 1915 slaagde hij met Oud Noors als een extra vak. Hij werkte voor de Oxford English Dictionary vanaf 1918. In 1920 ging hij naar de Universiteit van Leeds en begon daar de studie van de Engelse taal. Hij gaf modules over Oud Engels, geschiedenis van Engeland en over verscheidene Oudengelse en Middelengelse teksten en filologie. Hij introduceerde ook Germaanse, Gotische, Oud-IJslandse en middeleeuws Welshe filologie. In 1925, op drieëndertig jarige leeftijd, solliciteerde Tolkien naar de baan als Professor Angelsaksisch, waarbij hij ook meldde dat enkele van zijn studenten aan de Universiteit van Leeds een Viking Club waren begonnen. Daarnaast had hij ook een zekere kennis, al dan niet perfect, van de Finse taal.

[bewerken] Taalopbouw

zie ook Talen van Arda

Naast Tolkiens professionele werk als filoloog, wat soms zijn werk overschaduwde (aangezien hij weinig academisch werk heeft geproduceerd), had hij ook een grote liefde voor het bedenken van kunsttalen. De best ontwikkelde zijn Quenya en Sindarijns, de etymologische connectie tussen deze vormden de kern van zijn legendarium. Taal en grammatica waren voor Tolkien een zaak van esthetica en phonoësthetica (de schoonheid van een taal qua klank), vooral Quenya was gemaakt vanuit phonoëstitische overwegingen en was bedoeld als een soort 'Elfenlatijn', en was fonologisch gebaseerd op het Latijn, met wat ingrediënten uit het Fins, Welsh, Engels en Oudgrieks. In 1945 kwamen er nog een taal bij: Adûnaisch of Númenoriaans, een taal met een Semitisch tintje. Deze taal was verbonden met Tolkiens Atlantis legende, dat overeenkomt met zijn ideeën over dat talen niet kunnen worden geërfd. En samen met de Tweede Era en het verhaal van Eärendil werd zijn Legendarium gevormd.

De populariteit van Tolkiens boeken had een klein, maar voortdurend, effect op het gebruik van taal in fantasy-literatuur in het algemeen. En veel woordenboeken accepteren Tolkiens spelling dwarves (Dwergen) en dwarvish (Dwergs), naast de originele spelling dwarfs en dwarfish, de woorden die nauwelijks meer gebruikt werden.

[bewerken] Erfenis

[bewerken] Aanpassingen

In een brief aan Milton Waldman uit 1951 schrijft Tolkien over zijn bedoelingen om een 'geraamte van min of meer samenhangende legendes' te creëren, waarvan:

De cyclus tot een majestueus geheel moesten worden gemaakt, maar toch een opening moesten houden voor andere gedachten en handen, die konden schrijven over schilderkunst, muziek en drama[15].

De handen en gedachten van menig artiest zijn inderdaad geïnspireerd door Tolkiens legendes. Zo kende hij Pauline Baynes persoonlijk, zij was Tolkiens favoriete tekenaar van De Avonturen van Tom Bombadil en Boer Gilles van Ham. Maar ook Donald Swann was aan Tolkien bekend. Hij componeerde muziek bij The Road Goes Ever On. Koningin Margaretha II van Denemarken creëerde illustraties voor In de Ban van de Ring aan het begin van de jaren 70. Ze stuurde ze naar Tolkien, die verbaasd stond van de gelijkenis tussen haar tekeningen en zijn schetsen.

Desalniettemin was Tolkien niet blij met al het artistieke werk dat gebaseerd was op zijn werk en sommige keurde hij af. In 1946 wees hij de illustraties van Horus Engels voor de Duitse editie van De Hobbit af en vond dat ze te Disney-achtig waren.

Bilbo met een loopneus en Gandalf als iemand met vulgaire humor, in plaats van het Odin-achtige slenteren wat ik in mijn gedachten heb[16].

Tolkien was sceptisch over het ontstaan van de Tolkien-fanclub in de Verenigde Staten, en in 1954 retourneerde hij de voorstellen voor de kaft van de Amerikaanse uitgave van In de Ban van de Ring:

Bedankt voor het sturen van de voorgestelde ‘blurbs’, die ik heb teruggestuurd. De Amerikanen staan in feite helemaal niet open voor kritiek of verbetering; maar ik denk dat hun inzet zo armzalig is dat ik me geneigd voel om het zelf te verbeteren[17].

In 1958, nadat hij een script had ontvangen voor een voorgestelde film afgeleid van In de Ban van de Ring door Morton Grady Zimmerman, schreef Tolkien:

Ik zou hen vragen om voldoende te proberen de irritatie van een auteur te begrijpen, die steeds meer vindt dat zijn werk onzorgvuldig wordt behandeld, op sommige gebieden roekeloos en zonder duidelijke tekens van waardering waar het allemaal over gaat[18].
Tolkiens blauwe plak bij Sarehole Mill, in Birmingham.
Tolkiens blauwe plak bij Plough and Harrow hotel, in Birmingham

Tolkien ging verder met het bekritiseren van het script, scène voor scène. Hij stond in principe wel open voor het idee van een verfilming. Hij verkocht de rechten van De Hobbit en In de Ban van de Ring aan United Artists in ’68. Hoewel Tolkien uitdrukkelijk verbood dat The Walt Disney Company bij de productie betrokken zou worden, Tolkien koesterde een intense haat voor hun werk.

United Artists maakte nooit een film en dus werden de rechten in 1976 verkocht aan Tolkien Enterprises, en de eerste verfilming van In de Ban van de Ring verscheen een jaar later. De animatiefilm besloeg echter alleen de eerste helft van het verhaal. In 1977 kwam er een geanimeerde productie van De Hobbit en in 1980 kwam er een geanimeerde De Terugkeer van de Koning, die enigszins overeenkwam met de onafgemaakte productie uit 1977.

Van 2001 tot 2003 bracht New Line Cinema de The Lord of the Rings trilogie uit. Deze waren gefilmd in Nieuw-Zeeland en geproduceerd door Peter Jackson. De films waren zeer succesvol en wonnen meerdere Oscars.

[bewerken] Gedenktekens

Na zijn dood zijn enkele dingen naar Tolkien vernoemd:

  • Tolkien Road in Eastbourne, East Sussex
  • Astroïde 2675 Tolkien ontdekt in 1982.
  • Tolkien Way in Stoke-on-Trent is vernoemd naar Tolkiens oudste zoon, John Francis Tolkien, die een priester was bij de dichtbijgelegen Roman Catholic Church of Our Lady of the Angels en St. Peter in Chains.

[bewerken] Blauwe Plakken

Er zijn zes blauwe plakken, deze gedenken plaatsen waar Tolkien is geweest. Er is er één in Oxford, één in Harrogate en vier in Birmingham.

[bewerken] Bibliografie

Graf van Edith († 29 november 1971) en J.R.R. Tolkien († 2 september 1973), Wolvercote Cemetery in Oxford

[bewerken] Externe links

Wikimedia Commons
Wikimedia Commons heeft meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen: John Ronald Reuel Tolkien.


Bronnen, noten en referenties

  • Biography: Carpenter, Humphrey (1977). Tolkien: A Biography. New York: Ballantine Books. ISBN 0-04-928037-6.

  1. Humphrey Carpenter, Tolkien; The Authorised Biography, bladzijde 111, 200
  2. Humphrey Carpenter, Tolkien; The Authorised Biography, bladzijde 44
  3. In de Ban van de Ring, voorwoord van de tweede editie
  4. Tolkien gebruikte het woord hemlock voor meerdere planten met witte bloemen. Edith danste waarschijnlijk tussen fluitenkruid of wilde peen. Zie John Gart: Tolkien and the Great War (Harper Collins/Houghton Mifflin 2003) en Peter Gilliver, Jeremy Marshall & Edmund Weiner: The Ring of Words (OUP 2006)
  5. We talked of love, death, and fairy tales. UK Telegraph van 13 maart 2006
  6. The Letters of J.R.R. Tolkien, Nr. 83, bladzijde 96
  7. JRR Tolkien, A Biography, HarperCollins Publishers, 1992, bladzijde 243
  8. Letters, nr. 327
  9. Letters, nr. 336
  10. Middle-earth is afgeleid van de verengelste vorm van het Oud Noorse Midgard, het land dat bewoont wordt door mensen in de Noorse Mythologie
  11. Simon Tolkien - My Grandfather
  12. The Letters of J. R. R. Tolkien, nr. 61, aan Christopher van 18 april 1944
  13. Letters, nr. 81.
  14. Carpenter, Humphrey. (1981). The Letters of J. R. R. Tolkien. Boston: Houghton Mifflin. Nr. 26 en 144. ISBN 0-395-31555-7
  15. Letters, nr. 131
  16. Letters, nr. 107
  17. Letters, nr. 144
  18. Letters, nr. 207


 
Persoonlijke instellingen
Boek maken