J. A. Topf und Söhne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

J.A. Topf und Söhne was een Duits bedrijf dat crematoria bouwde. Het bedrijf werkte ook mee aan de bouw van de crematoria in Auschwitz-Birkenau en andere vernietigingskampen in nazi-Duitsland. Het bedrijf heeft ook ontluchtingsinstallaties voor de gaskamers ontworpen en daar gasdichte deuren geïnstalleerd.

De firma[bewerken]

De firma Topf & Söhne werd in 1878 in Erfurt opgericht en was gespecialiseerd in stookinstallaties. In het begin van de 20ste eeuw was de onderneming op wereldniveau al een van de grootste fabrikanten van installaties voor brouwerijen. In 1914 begaf het bedrijf zich op een nieuwe markt en begon verbrandingsinstallaties voor stedelijke crematoria te bouwen. Hoewel deze speciale ovens voor de firma steeds slechts een kleine nevenactiviteit bleven, kon het bedrijf zich toch al snel een plaats als marktleider voor crematoriumovens in Duitsland veroveren. De installaties van Topf & Söhne zetten een nieuwe standaard voor de crematie bij kerkelijke uitvaarten.

De broers Topf[bewerken]

Ludwig en Ernst Wolfgang Topf begonnen in het begin van de jaren 30 voor het door hun grootvader opgerichte bedrijf te werken. Door lucratieve opdrachten zoals de bouw van magazijnen voor het leger konden ze hun firma, die door de crisis in de wereldeconomie klappen gekregen had, consolideren. Uit de opdrachten van de SS - die minder dan 2% van de omzet uitmaakten - haalden ze evenwel geen winst. In 1941 kon Ludwig Topf zich aan zijn legerdienst onttrekken door te stellen dat hij voor het Auschwitzproject onmisbaar was. Na de oorlog pleegde hij zelfmoord. Ernst Wolfgang Topf probeerde in het Westen een firma voor crematoria- en afvalverbrandingsovens op te bouwen

De ingenieurs[bewerken]

In het bedrijf waren de broers Topf op de lange ervaring van hun toenmalige afdelingsleiders en ingenieurs aangewezen. Die ontwikkelden de speciale machines van Topf die vervolgens in de eigen ateliers geproduceerd werden. Kurt Prüfer, leider van de afdeling Bouw van Speciale Ovens, had intern een moeilijke positie, omdat hij volgens de bedrijfsleiding te weinig winst opleverde. Hij was het die vanaf 1939 het zakelijke partnerschap van Topf & Zonen met de SS versnelde en was een van de vier ingenieurs die in 1946 door de Sovjetambtenaren gearresteerd en veroordeeld werden. Hij stierf in 1952 in de Goelag.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Crematorium van Dachau

J. A. Topf und Söhne ging in 1940 een samenwerkingsverband aan met het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), dat het beheer over de concentratiekampen had. Het bedrijf had in het eerste oorlogsjaar een flinke financiële klap gekregen en in april 1941 was de schuld opgelopen tot bijna een half miljoen Reichsmark. Eventuele morele bezwaren werden aan de kant geschoven, teneinde het bedrijf te redden.[1] In oktober 1941 ging J. A. Topf und Söhne samenwerken met Karl Bischoff, die belast was met de bouw van Auschwitz-Birkenau. Eerder had het bedrijf al crematoria geleverd voor de concentratiekampen Dachau, Gusen en het Stammlager van Auschwitz.

De capaciteit van de crematoria in Auschwitz-Birkenau was uitzonderlijk hoog. Per crematorium kon er per dag 4.416 lijken worden verbrand.[2] De crematoria werden door ingenieurs van Topf und Söhne in de concentratiekampen geïnstalleerd. Daarnaast installeerden deze ingenieurs een ventilatiesysteem voor de gaskamers, waardoor er een snelle luchtdoorvoer plaatsvond. Hierdoor konden de vergassingen sneller achter elkaar plaatsvinden.

Na de oorlog[bewerken]

De geschiedenis van het bedrijf eindigt niet met de nederlaag van het "Derde Rijk" op 8 mei 1945. Om de sporen van de misdaden uit te wissen, blies de SS in januari 1945 de crematoria van Auschwitz-Birkenau op. Maar de puinhopen bleven en getuigen van de massamoord. De restanten van de crematoria kregen al snel de symbolische betekenis van grafmonumenten en gedenkstenen. Ze geven de herinnering een gezicht en een houvast. De bedrijfsleiding van Topf & Söhne alsook de betrokken medewerkers loochenden elke eigen schuld en medeverantwoordelijkheid aan de misdaden. De SS werd als enige schuldige afgeschilderd. Het bedrijf waarin Topf & Söhne ten tijde van de DDR opgegaan was, probeerde elke medeverantwoordelijkheid op de vroegere kapitalistische bedrijfseigenaars af te schuiven.

Het bedrijfsarchief van Topf & Söhne is pas sinds 2004 publiek te consulteren. Voordien waren grote delen van de dossiers in het bezit van Jean-Claude Pressac gekomen, die zich als eerste met bestudering van de bouwwijze van de crematoria beziggehouden heeft. Was hij eerst een holocaustontkenner, hij kwam later tot de conclusie dat de massamoord in de crematoria van Auschwitz zowel technisch mogelijk geweest was als ook daadwerkelijk plaatsgevonden had.

Tentoonstelling[bewerken]

"Erinnerungsort Topf und Söhne" in Erfurt (2011)

In Mechelen was in de Noker van 13 december 2007 tot 10 februari 2008 de Duitse tentoonstelling "Een Doodgewoon Bedrijf" te zien dat handelt over J.A. Topf und Söhne.

De tentoonstelling was eerder te zien in Berlijn, Erfurt, Essen, Lage en Neurenberg. Na Mechelen reist ze o.a. naar Mauthausen (Oostenrijk) en Wiesbaden, en eventueel ook naar Nederland en Noord-Frankrijk. Daarna krijgt ze een permanente stek in de oorspronkelijke gebouwen van de firma in Erfurt. Die werden gedurende vele jaren verwaarloosd, er brak brand uit etc. De bedrijfsterreinen werden een alternatieve plek voor punkconcerten (Topf Squat). Vrijwilligers maakten een documentaire over de gebouwen.

Externe link[bewerken]

Bronnen

Referenties

  1. Annegret Schüle, Technik ohne Moral, Geschäft ohne Verantwortung, Frankfurt/M 2003, p. 203.
  2. Annegret Schüle, Technik ohne Moral p. 208.