Jacob Cornelisz van Neck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacob Cornelisz van Neck (1564-1638) (door Cornelis Ketel)

Jacob Cornelisz. van Neck (1564 - 15 maart 1638) was samen met Wybrand van Warwijck en Jacob van Heemskerck de leider van de tweede Nederlandse schipvaart naar Oost-Indië (1598-1599) in opdracht van de Oude Compagnie, een voortzetting van de Compagnie van Verre en ongekend winstgevend. Samen met Jacob Wilkens maakte hij nog een reis, bekend als de vierde schipvaart (of tiende expeditie van de zogenaamde voorcompagnieën).

Onder de gezaghebbers uit de pionierstijd staat Jacob van Neck bekend als de meest beschaafde en behoedzame, zowel voor zijn eigen mannen als voor de mensen in de landen die ze bezeilden. Van Neck was het tegenbeeld van de latere J.P. Coen: hij heeft de mensen op Java en elders weten ervan te overtuigen dat hij niet zoals zijn eerder gekomen landgenoten uit was op buit, maar op handel.[1]

Biografie[bewerken]

Zijn overgrootvader behoorde tot de regenten in Enkhuizen. Een van zijn belangrijkste leermeesters was Robbert Robbertsz., de ultra-libertijnse zeekundige en latere brandewijnverkoper in Hoorn, van wie hij leerde navigeren op zee en onder de mensen.

Tweede schipvaart[bewerken]

Terugkeer in 1599 door Cornelis Vroom

Op 1 mei 1598 vertrokken Van Warwijck, Van Neck en Van Heemskerck. Terwijl de admiraal met een deel van de kleine vloot voedsel zocht op Madagaskar, ging een ander deel met hetzelfde doel naar Mauritius. Destijds stond het eiland nog bekend onder de Portugese naam die Zwaneneiland betekent, al vlug zou duidelijk zijn waarom. Op 18 september 1598 gingen de eerste Hollanders aan land. Tegen de avond kwamen ze terug aan boord met negen stuks van een soort grote vogels die zij dodo's noemden, groter dan kalkoenen, en evenals die uitgerust met te kleine vleugels om te kunnen vliegen. Hun vlees was taai, maar de honger maakte veel goed. De volgende dag werden opnieuw veel vogels gevangen De dag daarop, 20 april, werd aan land een dankdienst gehouden. Het was de dag van de Amsterdamse kermis en daarom werd de dodo aanvankelijk wel 'kermisgans' genoemd. De vogels op het eiland kenden geen vijanden en lieten zich met tientallen gemakkelijk vangen, doodslaan en 'in 't zout smijten' voor de verdere zeereis. In het reisverslag van Willem van Westsanen, die de eerste keer erbij was, staat het doodslaan van de dodo's afgebeeld. Ruim een halve eeuw later al was de dodo uitgestorven, een van de eerste slachtoffers in de tropen van de Nederlandse ondernemingslust.[2]

Jacht op dodo's, tekening uit de reisbeschrijving van Willem van Westsanen, gepubliceerd in 1648

Op 26 november arriveerden de eersten, op oudejaarsdag arriveerden de laatste schepen op de rede van Bantam.[3] Op 11 januari 1599 stak de retourvloot van wal. Op de thuisreis liet Van Neck de kust van Sumatra aandoen waar de zieken aan wal werden gebracht en waar water ingeladen werd. Van Neck zelf ging ook aan land, alzo het landschap mij vermakelijk dachte. Na van een banket in de open lucht te hebben verteld onder schaduwrijke bomen, zegt hij: Uitermate contenteerde het gezicht de vruchtbare heuvelen en schone valleien. Daar zag men onder veel ombrose [schaduwrijke] bomen een rivierken zachtelijk henenvlieten; wat hoger, veel bezaaide akkers, divers van couleure, en opwaarts, het gebergte dat men de top door de wolken zag uitsteken. Langs de stranden daar de zee lieflijk op was spelende, kwamen veel van den lande, met haar dragende zeer goede vruchten die van de onzen werden gekocht en naar de schepen gevoerd die men daar sierlijk geankerd mocht zien tussen vele lustige eilanden.[4]

Hij kwam na 14½ maand met een rijke lading terug (onder andere 600.000 pond peper, (bij de aankoop gemengd met steentjes, zand en aarde), 250.000 pond kruidnagelen, 20.000 pond muskaatnoten en 200 pond foelie). Van Neck werd op 17 juli 1599 ingehaald met groot geclanck van acht Trompetten ende van Stadtswege met wyn beschonken ende men luyde van blydtschap alle de klocken.[5] In het geheel zijn 15 man onderweg gestorven. De winst bedroeg na de teruggave der inleggelden 265%. De aandeelhouders konden een flink dividend beuren en dominee Petrus Plancius, die ƒ 50.000 in de onderneming gestoken had, zal daar geen spijt van gehad hebben.

Als de bewindhebbers van de Oude Compagnie de meegebrachte peper niet in het openbaar willen veilen, maar onder elkaar verdelen, spreekt de Amsterdamse kerkenraad over dit "monopolie met de peper" zijn afkeuring uit.[6]

Kritische benadering[bewerken]

Als Van Neck op zijn eerste heenreis naar Indië op Madagaskar proviand probeert te kopen van de plaatselijke bevolking, slaagt hij hierin maar mondjesmaat. Tenslotte worden toch nog een koe en een vet kalf verkregen. Van Neck schrijft volgens de Nederlandse tekst eenvoudig dat 'ons volk' ermee van land kwam.[2] Anders staat de zaak voorgesteld in de Waarachtige Beschrijving, het oudste verslag van de reis, waarvan alle Nederlandse exemplaren zijn verloren gegaan en dat alleen in Engelse vertaling is bewaard.

Dit "True Report" zegt: We tooke the King prisoner, who paide for his ransome a cow and a fat calfe.[2] Is ook Van Neck geen uitzondering geweest op de regel dat alle Nederlandse ontdekkingsreizigers tevens plunderaars waren? Ook Van Neck en zijn kapiteins waren in het bezit van octrooibrieven.[2]

Vierde Schipvaart[bewerken]

Obligatie van de VOC-kamer Middelburg aan burgemeester Jacob van Neck, 7 november 1622

Op 28 juni 1600 vertrok Van Neck met zes schepen voor zijn tweede tocht. Jacob Wilkens was een half jaar eerder met vier schepen vertrokken. De beide vloten staan bekend als de vierde schipvaart. De proviand werd geleverd door Geurt van Beuningen. Ieder van de 600 bemanningsleden aan boord van zes schepen had recht op vier pond brood per week en een liter wijn per dag. Op elk schip lagen 600 kazen, 100 tonnen bier, zes tonnetjes paling, vijf tonnen spek en haring, mierikswortel, pruimen, krenten, kappertjes, tabak en een gigantische hoeveelheid boter, gort, bonen en gedroogde vis, etc.[7] Alle schepen kwamen op Java aan. Vier schepen vertrokken vanaf Bantam toen ze waren geladen met peper. Twee schepen hadden Annam als doel, en twee voeren door naar Ambon en Bali. Van Neck bezocht met twee schepen met Ternate en raakte in een gevecht met de Portugezen drie vingers kwijt. De stuurman verloor zijn been in de strijd en er vielen vier doden. Van Neck sloeg op de vlucht. Hij vervolgde zijn reis naar Macao. De bemanning, in sloepen uitgezonden ter verkenning, werd in Macao door de Portugezen opgehangen, verdronken of afgevoerd naar Goa.[8] Op 3 oktober blies hij de aftocht en bezocht Patani, op Malakka, waar een factorij werd gesticht. Daar ontmoette hij Jacob van Heemskerck, die hem uit de doeken kon doen wat er precies in Macao was gebeurd, nadat hij een Portugees schip had gekaapt.

Tot slot[bewerken]

Oudeschans met het als tweede pand van links het woonhuis van Van Neck

Na zijn terugkeer op 15 juli 1602 trouwde hij in 1604 met Griet Jacobs van Rijn (1585-1652); ze kregen vijf kinderen.[9] Van Neck nam deel aan de Straatvaart en handelde op West-Indië. In 1609 werd hij benoemd als schepen; van 1621 tot 1638 was hij lid van de vroedschap; in 1622, 1623, 1625 en 1626 was hij burgemeester van Amsterdam. Van 1620 tot 1625 raad ter admiraliteit in Zeeland en van 1628 tot 1637 in Admiraliteit van Amsterdam, terwijl hij van 1627-1628 en van 1637-1638 gedeputeerde was in den Raad van State.[10] Zijn pakhuis verhuurde hij aan de Admiraliteit.

Kinderen[bewerken]

Weyntje van Neck (1611-1682) trouwde in 1635 met de Amsterdamse koopman in buskruit, stokvis, tabak, huiden, zijde, ivoor, wol en bewindhebber van de VOC (vanaf 1641) Jean le Gouche of Lagoesie (ca 1591-1669), afkomstig uit Antwerpen en actief op Marseille.[11][12][13] Maria van Neck (?) trouwde Ferdinand Schuylenburgh (-1652), en Jacob van Neck Jacobszoon, (1629-1687) was raad ter admiraliteit in het Noorderkwartier.

Jacob Cornelisz. van Neck is geportretteerd door Cornelis Ketel.[14] Van Neck overleed op de Oude Schans. Na het overlijden van de weduwe werd in 1653 een inventaris opgemaakt.[15]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.antenna.nl/wvi/nl/nest/vanneck.html
  2. a b c d Vanvugt, Ewald, Zwartboek van Nederland overzee. Wat iedere Nederlander moet weten, 2002, p. 30
  3. Op de rede
  4. http://www.dbnl.org/tekst/nieu018oost02_01/nieu018oost02_01_0002.php
  5. http://www.dbnl.org/tekst/algr001disp04_01/algr001disp04_01_0001.php
  6. Van Dillen, J.G. (1930) "Nieuwe gegevens omtrent de A'damsche Compagnieën van Verre", T.v.G. 45, p. 358-359.
  7. De Vierde Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Jacob Wilkens en Jacob van Neck (1599-1604), deel I, p. 34-35. Uitgegeven door Jhr. H.A. van Foreest en A. de Booy. 's Gravenhage. Martinus Nijhoff.
  8. Wennekes, W. (1997) Gouden handel, p. 129.
  9. Doopbewijzen
  10. http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu08_01/molh003nieu08_01_2023.php
  11. Verscheyden voyagien van David Pietersz. de Vries, 1618-1644, p. 58. (1912) Bewerkt door H.T. Colenbrander. Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereniging.
  12. In 1634 geportretteerd door Johannes Verspronck [1]. Het schilderij was in het bezit van Jacques Goudstikker, Hermann Göring, Adolf Hitler en het Frans Hals Museum
  13. Ook dit echtpaar woonde op de Oudeschans. Cornelis le Gouche was boekhouder bij de OIC. Hun dochter Margriet le Gouche (1636-1727) liet zich in 1659 portretteren door Jurriaen Ovens [2]
  14. http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/RIJK01:SK-A-3121
  15. http://research.frick.org/montias/browserecord.php?-action=browse&-recid=2501