Jacob Haafner

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacob Haafner rond 1800

Jacob Gottfried Haafner (Halle, 13 mei 1754Amsterdam, 4 september 1809) leefde een kleine twintig jaar in Zuid-Afrika, India en Sri Lanka. Haafner schreef vijf reisverhalen over zijn verblijf in die landen. Haafner had een afschuw van westers kolonialisme en de slavenmaatschappij en bij zijn terugkeer schreef hij de eerste globale verhandeling tegen het kolonialisme en de zending. Hij bezat een uitstekende kennis van Indiase talen, vooral van het Tamil, en kende daarnaast Hindi en Bengali, en enig elementair Sanskriet.

Biografie[bewerken]

Jacob was de oudste zoon van een arts, afkomstig uit Colmar, die zich via Emden in Amsterdam vestigde. Hij werd in 1766 door zijn vader, die had aangemonsterd als scheepschirurgijn, meegenomen naar Batavia, waar hij als 12-jarige hulpeloos aankwam, omdat zijn vader onderweg, in Kaap de Goede Hoop, stierf. Het leven in de Oost beviel hem niet en al spoedig was hij terug in Kaapstad, en een jaar later in Medemblik. Jacob legde zich toe op de schilderskunst, en ging in de leer bij Reinier Vinkeles. In 1771 monsterde hij zich opnieuw aan voor een reis naar de Oost. Zes jaar werkte hij voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie als boekhouder in Negapattinam.

In 1779 nam Haafner ontslag en vond een baan in Sadraspatnam, waar hij trouwde met een inlandse. Bij een aanval van de Engelsen in 1781 werd hij op transport gesteld naar Madras. In 1782 verscheen een Franse vloot voor de stad. De situatie in de stad verslechterde van dag tot dag. De hongersnood maakte iedere dag honderd slachtoffers. Haafner wist te vluchtten naar Ceylon, waar hij een huisje kocht in een aards paradijs.[1]

Hij zwierf over de Kust van Coromandel, maar kwam uiteindelijk terecht in Calcutta. Na de dood van zijn geliefde reisde hij terug naar Amsterdam, waar hij Schlegel ontmoette. In juni 1796 wendde hij zich tot het Oostindisch Comité - de opvolger van de Heren XVII van de VOC - op zoek naar een functie. Een afwijzing volgde en Haafner vulde zijn dagen met schrijven en met het bestuderen van het Ramayana-epos.

Haafner op reis in een draagstoel

In 1805 veroorzaakte hij opschudding in Nederlandse zendingskringen door een prijsvraag van Teylers Godgeleerd Genootschap over het nut van de zending zo compromisloos negatief te beantwoorden, dat het twee jaar duurde voordat het tractaat in druk verscheen. Ongetwijfeld met spijt in het hart kenden de heren van het Genootschap de prijs toch aan Haafner toe: hij was namelijk de enige inzender en kwaliteit kon aan zijn inzending niet worden ontzegd.

Vanaf 1806 verschenen zijn reisverhalen, met de Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon als eerste. Hij had er ogenblikkelijk succes mee. Uitvoerig steekt Haafner de loftrompet op de vorst van Mysore, Haidar Ali, die de macht van de Engelsen in India in die jaren op zijn grondvesten deed schudden.

In korte tijd verschijnt 'Reize in eenen Palanquin' van Jacob Haafner in de bewerking van Thomas Rosenboom onder de titel 'Exotische Liefde'.

Noot[bewerken]

  1. Uitgebreid verslag over Jacob Haafner in het Engels.

Bron[bewerken]

Velde, P. van de (2008) Wie onder palmen leeft. De sublieme wereld van Jacob Haafner (1754 - 1809)

Externe links[bewerken]