Jacob van Ruisdael

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Jacob Isaacksz. van Ruisdael)
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacob van Ruisdael
Medaillon van Jacob van Ruisdael, Kunsthalle Hamburg
Medaillon van Jacob van Ruisdael, Kunsthalle Hamburg
Persoonsgegevens
Volledige naam Jacob Isaackz. van Ruisdael
Geboren Haarlem, circa 1628
Overleden Amsterdam of Haarlem, 14 maart 1682
Geboorteland Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Barok
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Jacob Isaacksz. van Ruisdael (Haarlem, circa 1628 - Amsterdam of Haarlem, 14 maart 1682) was een Nederlands kunstschilder van landschappen en marines.

Biografie[bewerken]

Er is veel speculatie over het leven van Jacob: zo zijn alleen al zijn geboortedatum en sterfplek hevige discussiepunten. Desondanks is er een duidelijk beeld van zijn leven en werk.

Jacob werd geboren als zoon van een onfortuinlijke kunstschilder en lijstenmaker Isaack en als neefje van de bekende landschapschilder Salomon van Ruysdael. Hij groeide dus op in het Haarlemse schildersmilieu. Jacobs familie staat ook bekend onder de naam ‘de Goyer’ naar hun afkomst uit het Gooiland. Isaack veranderde echter zijn naam in Van Ruysdael. Alleen Jacob spelde de nieuwe familienaam met een i.[1] Zijn vader, zijn oom en hun kennissen, waaronder Jan van Goyen, hebben grote invloed gehad op de ontwikkeling van de schilder.

Jacob trad in 1648 toe tot het Haarlemse Sint-Lucas schildersgilde. De regels van het gilde geboden dat iemand eerst drie jaar de status van leerling kreeg en vervolgens minstens een jaar als ‘vrije gast’ werd aangeduid. Enkel vrije gasten hadden het recht hun werk te signeren. Omdat Jacob zijn werk vanaf 1646 signeerde was hij waarschijnlijk van 1643 tot 1646 leerling en vervolgens van 1646 tot 1648 'vrije gast'. Jacobs talent was op jonge leeftijd al duidelijk en we kunnen ervan uitgaan dat hij toegelaten werd tot het gilde zo gauw hij de minimumleeftijd van 20 had bereikt.

Er zijn verhalen dat Jacob in 1646 begon te reizen en dat dit resulteerde in een aantal schilderijen. Zo zou hij in 1646 met zijn vader naar Egmond aan Zee zijn geweest, waar ze beiden schilderden. In 1647 zou hij naar Naarden en naar Rhenen zijn geweest. In 1650 zou hij naar Bentheim aan de Duits-Nederlandse grens zijn vertrokken, waarvan hij samen met zijn vriend Nicolaes Berchem een groot aantal schilderijen van Kasteel Bentheim maakte. Vervolgens zou hij naar zijn familie in Alkmaar zijn gereisd. Het is echter hoogstwaarschijnlijk dat slechts enkele maanden in Bentheim is geweest en niet verder heeft gereisd. Rond 1656 verhuisde Jacob naar Amsterdam, waar hij in 1659 burgerrechten kreeg. Hij nam daar een aantal leerlingen onder zijn hoede, de meest succesvolle was Meyndert Lubbert (ook bekend als Meindert Hobbema). Rond 1660-1661 nam hij Hobbema mee naar de Duits-Nederlandse grens, een reis die grote impact had op de ontwikkeling van Hobbema. Ruisdael genoot hoog aanzien in Amsterdam. Na de dood van Govert Flinck in 1660 kregen Ruisdael, Jan Lievens, Jordaens, Jurriaen Ovens en Rembrandt door de gebroers Cornelis en Andries de Graeff de opdracht een aantal schilderijen te leveren voor de decoratie van het nieuwe stadhuis in Amsterdam.

Naast schilder schijnt Jacob ook te hebben gewerkt als chirurg. Er zijn mensen die beweren dat hij daarvoor ook opgeleid was en dat hij in 1672 promoveerde in de medicijnen in Caen, maar de meeste wetenschappers zijn het hiermee oneens. Hierover is dus veel onduidelijk hoewel een vaste hand van pas komt voor zowel een chirurg als voor een schilder.

Het is onduidelijk of de kunstenaar is gestorven in Haarlem of in Amsterdam, maar hij ligt begraven in de St. Bavokerk. Ook zijn er verhalen dat Jacob in armoede is gestorven, maar dit is waarschijnlijk een verwisseling met zijn neef Jacob Salomonsz. van Ruysdael (ca. 1630-1681), van wie het zeker is dat hij arm is overleden.

Zijn werk[bewerken]

Jacobs vroege werken zijn gemaakt in de omgeving van Haarlem en laten duidelijk de invloeden van zijn vader en oom zien, maar ook van Cornelis Vroom. Tijdens zijn studiereizen kwam hij in aanraking met ruigere landschappen. Dit beïnvloedde zijn werk blijvend en hij beeldde met grote regelmaat ruige woeste landschappen af met daarin watervallen, naaldbossen en heuvels onder stormachtige luchten. Boslandschappen met grote centrale motieven van ruïnes, watermolens en oude eiken behoren tot zijn oeuvre. Van grote invloed op deze periode was ook het werk van Allart van Everdingen. In Amsterdam schilderde Ruisdael ook stadsgezichten in vogelvlucht en winterse taferelen. Menselijke figuren zijn in zijn werken zeer spaarzaam aangebracht door zijn leerlingen.

Het werk van Van Ruisdael is geen directe weergave van de werkelijkheid. De landschappen zijn poëtischer, imposanter en dramatischer dan in werkelijkheid en zijn nauwkeurig gecomponeerd. De schilderijen zijn 'uyt den gheest' geschilderd, omdat het ten eerste technisch nog niet mogelijk was om buiten het atelier te schilderen (de tubeverf zou immers pas enkele eeuwen later worden "uitgevonden") en het ten tweede de bedoeling was om slechts de essentie van het landschap weer te geven. Het was dus niet het doel om topografisch correct te schilderen. Dit gold zowel voor Van Ruisdael als voor zijn tijdgenoten. Ruisdaels belangrijkste werken zijn Molen bij Wijk bij Duurstede (circa 1670) en De Joodse begraafplaats (1655-1660). De laatstgenoemde is, zoals al Ruisdaels werk, nauwkeurig gecomponeerd en dus geen weergave van de werkelijkheid. Het enige wat we kunnen terugvoeren op de werkelijkheid zijn de graftombes die komen van de Joodse Begraafplaats in Amsterdam. Hier is ook de diepere christelijke ondertoon zeer duidelijk. De graven en de regenboog verwijzen naar de vergankelijkheid. Op de achtergrond is ook de ruïne van Egmond te zien. Deze ruïne komt vaker voor op Jacobs schilderijen. De regenboog zou kunnen worden opgevat als de belofte van vergiffenis en zaligheid door middel van geloof. Goethe zag in het werk van Van Ruisdael het idee van de romantiek terug. In de zeventiende eeuw heerste echter het idee dat landschap een middel tegen melancholie was en de goddelijke lading in de schilderijen is dus 'positief' van aard, terwijl in de romantiek het landschap juist wordt gebruikt om melancholie of Weltschmerz aan te geven. Het idee van het landschap uit de zeventiende eeuw staat dus los van het idee van het landschap uit de negentiende eeuw.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Jacob van Ruisdael, Rijksmuseum Amsterdam.