Jacobus de la Torre
Jacobus de la Torre (Den Haag, 1608 - Huijbergen, 16 september 1661) was apostolisch vicaris van de Hollandse Zending (1651-1661) en het bisdom 's-Hertogenbosch (1657-1661) (in de rooms-katholieke traditie) en aartsbisschop van Utrecht (1651-1661) (in de oudkatholieke traditie).
Jacobus de la Torre studeerde in Leuven en werd in 1633 priester. In 1640 volgde de benoeming als coadjutor van Philippus Rovenius, en in 1647 zijn benoeming tot titulair aartsbisschop van Efese. In 1649 werd hij overvallen en vervolgens verbannen. Hij verbleef voortaan in Brussel, op een verblijf in Rome in 1655/1656 na. Na zijn terugkeer in Brussel vertoonde hij verschijnselen van zwakzinnigheid, en in 1660 moest hij worden opgenomen. Tot ergernis van de seculieren stond hij elf nieuwe staties aan de Jezuïeten toe in zijn Concessiones Ephesinae (1652).
Door de oudkatholieke Kerk wordt De la Torre gerekend te behoren tot de (aarts)bisschoppelijke lijn.
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Voorganger: Philippus Rovenius |
Apostolisch vicaris der Hollandse Zending (in de rooms-katholieke traditie) Aartsbisschop van Utrecht (in de oudkatholieke traditie) 1651-1661 |
Opvolger: Boudewijn Catz |