Jacobus de la Torre

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jacobus de la Torre (Den Haag, 1608 - Huijbergen, 16 september 1661) was een Nederlands geestelijke en een apostolisch vicaris van de rooms-katholieke Kerk.

Jacobus de la Torre studeerde in Leuven; zijn priesterwijding vond plaats in 1633. In 1640 volgde de benoeming als apostolisch vicaris-coadjutor van de Hollandse Zending, en in 1647 de benoeming tot titulair aartsbisschop van Efese. In 1649 werd hij overvallen en vervolgens verbannen. Hij verbleef voortaan in Brussel, op een verblijf in Rome in 1655/1656 na.

Toen Philippus Rovenius op 10 oktober 1651 overleed, volgde De la Torre hem op als apostolisch vicaris. In 1657 werd hij tevens benoemd tot apostolisch vicaris van 's-Hertogenbosch. Na zijn terugkeer in Brussel vertoonde hij verschijnselen van zwakzinnigheid, en in 1660 moest hij worden opgenomen. Tot ergernis van de seculieren stond hij elf nieuwe staties aan de Jezuïeten toe in zijn Concessiones Ephesinae (1652).

Door de oudkatholieke Kerk wordt De la Torre gerekend te behoren tot de (aarts)bisschoppelijke lijn.

Bronnen

Voorganger:
Philippus Rovenius
Apostolisch vicaris der Hollandse Zending
(in de rooms-katholieke traditie)
1651-1661
Apostolisch vicaris van 's-Hertogenbosch
(in de rooms-katholieke traditie)
1657-1661
Aartsbisschop van Utrecht
(in de oudkatholieke traditie)
1651-1661
Opvolger:
Boudewijn Catz