Jacqueline E. van der Waals

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jacqueline Elisabeth van der Waals (Den Haag, 26 juni 1868Amsterdam, 29 april 1922) was een Nederlandse dichteres, schrijfster, vertaalster en lerares.

Familie en loopbaan[bewerken]

Ze werd geboren als dochter van J.D. van der Waals, een wereldberoemd natuurkundige en Nobelprijswinnaar, naar wie de Vanderwaalskracht is genoemd. Jacqueline van der Waals doorliep de HBS en studeerde thuis voor de hulpakte voor het onderwijs en de M.O.-akte voor geschiedenis. Ze was lerares in Doorn, Bloemendaal en Amsterdam.

Daarnaast vertaalde zij onder meer uit de Scandinavische talen en schreef essays over Søren Kierkegaard, Henrik Ibsen en Selma Lagerlöf. Gedichten schreef zij aanvankelijk onder het pseudoniem Una Ex Vocibus (Latijn voor 'Een van de stemmen'). De beginletters hiervan komen overeen met die van Ursule Eleonora Velt, de hoofdpersoon van haar autobiografische roman Noortje Velt (1907).

Van der Waals deed aan tennissen, schaatsen, wandelen en bergbeklimmen, activiteiten die in haar gedichten terugkomen. Ook nam ze deel aan studiegroepen waar ze filosofen als Kierkegaard en Nietzsche besprak.

Debuut als dichteres[bewerken]

In het voorbericht van haar debuutbundel Verzen schreef ze:

"Ik vrees, dat ik even onvoorzichtig ben als de dwaze dwerg in het kindersprookje, die zijn naam verborgen willende houden, in de eenzaamheid van het bosch stond te dansen en juichende zong: 'Welk een geluk, dat niemand weet,/ Dat ik Repelsteeltje heet.'
En een man, die hem bespiedde, hoorde zijn lied en verstond de woorden, en Repelsteeltje's naam werd bekend.
Doe ik wellicht hetzelfde? En heb ik onwetend, voor enkelen verstaanbaar, mijn naam uitgesproken in deze verzen? Dan vraag ik allen, die mijn geheim weten of te weten mochten komen, dat verborgen te houden; en hièrin ongelijk aan Repelsteeltje, mag ik dit verlangen, want het weten van mijn naam zou niemand voordeel doen, slechts mijn vreugde bederven.
Want ik wil niets zijn dan een stem, één van die vele stemmen, die luid of stil uit menschenharten omhoog klinken.
Moge mijn geluid dan liefelijk zijn en, zij het ook slechts aan enkelen, vreugde geven."

Haar vrees werd bewaarheid. Iemand ontdekte dat zij die gedichten had gemaakt en haalde haar over de gedichten onder haar eigen naam te publiceren. Het sprookje over Repelsteeltje heeft ze herverteld waarbij de rol van deze dwerg in een ander daglicht komt te staan.

Thema's[bewerken]

In haar gedichten zijn thema's te ontdekken als

  • de natuur. Zij roept vele gevoelens op, bijvoorbeeld van intens geluk, maar daardoor tegelijk ook droefheid en weemoed.
  • God in haar gedichten en bijvoorbeeld de vertaling "Zegen ons Algoede".
  • de dood. Soms verlangt ze er naar, maar ze pleegt geen zelfmoord: ze kiest voor het leven.

Maagkanker en gedicht Annunciatie[bewerken]

In 1921 wordt maagkanker bij haar geconstateerd. In haar gedichten wordt duidelijk dat ze, juist nu ze weet dat ze binnenkort zal sterven, het leven nog intenser beleeft. Ze komt tot een aanvaarding van het leven en de dood. Dit wordt in het gedicht Annunciatie helder verwoord:

Annunciatie
Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad,
Ik wachtte, en zag u na een korte pooze.
- Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen! -
Toen gij mijn open woning binnentradt.
Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt,
O Dood, niet overmoedig, niet vermetel,
En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel,
Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd.
"Ik kom misschien wat laat en ongelegen?
Maar God heeft mij gezonden met een last."
Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege
Is mij ten allen tijde een lieve gast."
Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn.
Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen
De mijne niet, naar de uwe opgeslagen,
Maar staarden peinzend in den avondschijn:
"Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd,
Die gij zoo juist van plan waart te betrekken?
Dat gij de taak, door God u toevertrouwd
Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken,
Als gij uw eigen leven leven zoudt?" ...
Maar met een glimlach sprak ik snel en stil:
"Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken?
Spreek en verkondig mij des Meesters wil."
Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken,
Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood. -
Ik deed u even later uitgeleide,
Ik zag u duister in het avondrood
Verdwijnen in de duisternis der heide.
En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,
Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze",
En 'k had het leven nooit zoo lief gehad.

Laatste jaren[bewerken]

In haar laatste levensjaren werd het mystieke en religieuze element in haar werk steeds belangrijker. Jacqueline van der Waals schreef voor haar dood het bekende lied Wat de toekomst brengen moge. Het wordt in kerkelijke kring wel gezongen tijdens begrafenis- en trouwdiensten. Ze stierf op 53-jarige leeftijd.

Liedboek voor de Kerken[bewerken]

In het Liedboek voor de Kerken is een aantal liederen van Van der Waals opgenomen. Hoe geliefd deze zijn bleek nog eens in 2006, toen in een verkiezing van het mooiste religieuze lied onder NCRV-luisteraars Wat de toekomst brengen moge (Lied 293) en De dag door uwe gunst ontvangen (Lied 393) bij de eerste tien eindigden.

Biografie en Verzameld werk[bewerken]

In 1982 verscheen haar biografie Jacqueline E. van der Waals, Haar leven en haar werk, geschreven door Anton Ent en Jacoba Kramer-Vreugdenhil. Van der Ent bezorgde in 1994 haar poëzie onder de titel Jacqueline E. van der Waals, Verzamelde Gedichten.

Publicaties[bewerken]

  • 1900 - Verzen
  • 1910 - Nieuwe Verzen
  • 1918 - Iris
  • 1923 - Laatste Verzen

Externe links[bewerken]