Jacques Goudstikker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacques Goudstikker
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Geboren 30 augustus 1897
Overleden 16 mei 1940, SS Bodegraven, Het Kanaal
Nationaliteit Nederlands
Beroep Kunsthandelaar

Jacques Goudstikker (Amsterdam, 30 augustus 1897 – a/b van de SS Bodegraven, Het Kanaal, 16 mei 1940) was een belangrijk Joods-Nederlands kunsthandelaar, tijdens het interbellum van de 20e eeuw.

Inhoud

[bewerken] Jeugd- en vormingsjaren

Herengracht 458, Amsterdam (2010)

Goudstikker werd geboren als zoon van de kunsthandelaar Eduard Goudstikker en Emmy Sellisberger. Hij doorliep de Middelbare Handelsschool en studeerde in de periode 1919-1921 kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden bij professor Martin (1876-1954), en aan de Universiteit Utrecht bij professor Vogelsang (1875-1954). Daarnaast werkte hij vanaf 1919 in de kunsthandel Firma Goudstikker die in 1845 door zijn grootvader en diens broer was opgericht. Nadat Goudstikkers vader in 1924 overleed zette de zoon Jacques de zaak voort. Onder het bewind van Eduard had de nadruk gelegen op Nederlandse en Vlaamse kunst uit de 17e eeuw. Jacques richtte zich op een internationaal publiek en bracht de Nederlandse kunstkenners ook in contact met Italiaanse meesters uit de 15e eeuw, vooral van de Florentijnse en Venetiaanse school. Voor het verzamelen hiervan was in Nederland tot 1900 geen animo, anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, Frankrijk en Engeland. In Amsterdam ontstond een netwerk van verzamelaars en liefhebbers van vroeg-Italiaanse kunst die Goudstikker van advies diende. Tot deze groep verzamelaars en kunstvrienden behoorden bijvoorbeeld Edwin vom Rath (1863-1940), die in de directe nabijheid van de kunsthandel Goudstikker NV woonde, en de Zwitserse chirurg en kunstminnaar Otto Lanz (1865-1935), die sinds 1902 in Amsterdam woonde vanwege zijn benoeming tot hoogleraar chirurgie aan de Universiteit van Amsterdam.

Hij verzamelde ook werk van eigentijdse Nederlandse kunstenaars zoals Jan en Charley Toorop, Breitner en Van Dongen. Zijn catalogi verschenen doorgaans in goed verzorgd Frans. Goudstikker kocht selectief veel Hollandse en Vlaamse meesters op buitenlandse veilingen, met name bij het Berlijnse veilinghuis Thomas Lepke in mei 1931. De kunst bij Lepke was deels afkomstig uit Russische particuliere collecties (van de keizerlijke familie Romanov en de Stroganoffs) die door de Sovjets waren aangeslagen en nu in ruil voor buitenlandse valuta werden aangeboden. De erven van de wereldvermaarde Stroganoff-collectie tekenden, bij monde van de weduwe Olga Stroganova vanuit hun Parijse ballingsoord, tevergeefs verzet aan tegen de betwiste Berlijnse veilingen van hun kunstbezit. [1] De Rotterdamse industrieel Daniël George van Beuningen bracht, dankzij "hofleverancier" Goudstikker een verzameling van wereldklasse bij elkaar. Vermogende investeerders en kunstliefhebbers als de krantenmagnaat Randolph Hearst, Daniël George van Beuningen, Heinrich Baron Thyssen-Bornemisza, J. W. Edwin vom Rath, Detlen Van Hadeln, Jan Herman van Heek, Ernst Proehl, de Kászon en Otto Lanz behoorden tot zijn cliënteel.
De zaken liepen uitstekend, het ging Goudstikker voor de wind. In 1927 verkocht hij de winkel in de Kalverstraat en kocht hij Herengracht 458 te Amsterdam, een monumentaal pand in de Gouden Bocht met plafondschilderingen van Gerard de Lairesse, waar hij de kunsthandel voortzette. De kunsthandel zette hij op 1 oktober 1931 om in de naamloze vennootschap Kunsthandel J. Goudstikker N.V. Hij werd zelf de directeur en was de belangrijkste aandeelhouder.

[bewerken] De succesvolle jaren dertig

In 1930 kocht Goudstikker de aan de Amstel gelegen buitenplaats Huize Oostermeer en zeven dagen later het kasteel Nijenrode te Breukelen. Hij ging in het buitenhuis 'Oostermeer' te Ouderkerk wonen en stelde Nijenrode open voor klanten, maar ook voor publiek. Op deze wijze trachtte Goudstikker ook minder kapitaalkrachtigen in contact te brengen met kunst. Goudstikker was inmiddels voorzitter van de Vereniging van Handelaren in Oude Kunst, en organiseerde in die kwaliteit tentoonstellingen in het Rijksmuseum Amsterdam (1929 en 1936) en het Stedelijk Museum (1934). Voor de tentoonstelling Italiaanse Kunst in Nederlandsch Bezit had het Amsterdamse Stedelijk Museum in 1934 zijn bovenverdieping beschikbaar gesteld. Het doel was de Italiaanse kunst bij het Nederlandse publiek bekendheid te geven. Ongeveer honderd verzamelaars stelden meer dan 1300 kunstvoorwerpen beschikbaar. De rijk geïllustreerde tentoonstellingscatalogus uit 1934 was omvangrijk en laat zien dat Nederland in die jaren een internationaal centrum was voor de handel en het verzamelen van vroeg-Italiaanse kunst. Ook was hij voorzitter van de Confédération Internationale de Négociants Artificiels. Op en rond Nijenrode organiseerde hij verschillende benefietconcerten (met het Concertgebouworkest) en grote feesten voor de society. Hier traden beroemdheden op zoals de cellist Pablo Casals en de sopraan Jo Vincent. Culturele organisaties en goede doelen kregen vaak schenkingen van hem, zoals Stichting Amsterdamsche kolonieverpleging voor kinderen (1928), het Crisis-comité (1932) en de vereniging Rembrandt (1933).

In zijn eigen buitenhuis 'Oostermeer' te Oudekerk aan de Amstel organiseerde Goudstikker vele thematische tentoonstellingen zoals "Hollandse winterlandschappen", "Salomon van Ruysdael" en "Prinses Juliana tentoonstelling". Goudstikker had een goed oog voor de wijze van presenteren van zijn handelswaar. Fee van 't Veen geeft meer informatie over zijn manier van exposeren in de publicatie Het Nederlandse Palazzo. Hij richtte volledige aangepaste interieurs met aangepaste meubels in met beelden en wandtapijten die aansloten op de stijl van de uitgestalde schilderijen. Zo schiep hij een bijzondere sfeer die de kunst tot zijn recht deed komen. Op 5 december 1936 overleed Goudstikkers eerste vrouw Johanna Bray, met wie hij op 16 september 1924 te Amsterdam was getrouwd. Een half jaar later nodigde weduwnaar Goudstikker de Weense zangeres Dési von Halban uit voor een optreden tijdens een Weense avond, 17 juni 1937 op Nijenrode. Het was liefde op het eerste gezicht en op 24 december van dat jaar trad het paar in het huwelijk. In 1939 werd hun zoon Edouard geboren.

[bewerken] Vlucht uit Nederland en overlijden

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 aarzelde Goudstikker even, maar op 14 mei 1940, de dag van het bombardement op Rotterdam, slaagde het gezin erin om in IJmuiden aan boord te komen van het vrachtschip 'SS Bodegraven'. De Nederlandse gevolmachtigde van Jacques Goudstikker, de Joodse accountant Mr. Dr. A. Sternheim, die de handelsvoorraad van Goudstikker tijdens zijn afwezigheid zou beheren, was op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval overleden aan een hartaanval, en Goudstikker had nog geen opvolger voor Sternheim aangewezen [2]. Het enige wat hij had was een inventaris genoteerd in een boekje voorzien van een zwart lederen kaft.[3]. In de nacht van 15 op 16 mei viel Goudstikker, die aan dek een luchtje was gaan scheppen, in het vrachtruim. Hij werd gevonden met een schedelfractuur die hem fataal was geworden. Op de overlijdensakte stond vermeld: Fracture of Skull due to accidentally falling into the Hold of the s/s Bodegraven on the High Seas whilst a Refugee Passenger thereon.
Aanvankelijk gaven de Engelse autoriteiten geen toestemming voor het schip om aan te leggen. Uiteindelijk werd Goudstikker voor een zeemansgraf behoed en begraven in Falmouth (Cornwall) zonder de aanwezigheid van zijn weduwe en zijn zoon Edo. De weduwe had verzocht om het graf van Goudstikker te bedekken met bloemen, hem te begraven met de manchetknopen die zij hem als huwelijksgeschenk had gegeven en dat men zijn lievelingsmuziek, Cole Porters Night and Day, zou spelen bij de begrafenis. De familie kreeg geen toestemming van boord te gaan. Dési vond het zwart lederen notitieboekje met alle eigendommen en transacties beschreven en bewaarde het als aandenken, niet wetende dat dit een heel belangrijk bewijs van de erfenis zou zijn.

[bewerken] Situatie tijdens de oorlogsjaren 40-45

De kunsthandel bleef met een handelsvoorraad van 1113 genoteerde kunstvoorwerpen onbeheerd achter, aangezien de door Goudstikker aangesteld gevolmachtigde advocaat eveneens begin mei plotseling was overleden. Twee personeelsleden, namelijk A.A. ten Broek en J. Dik sr, namen de leiding van de zaak op zich, waarna Ten Broek op 4 juni 1940 tijdens een voor besluitvorming ongeldig bijeengeroepen buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders tot directeur van de NV werd benoemd. Vrijwel direct daarop deed Alois Miedl zijn intrede in de zaak en trok de feitelijke leiding tot zich.

Op 1 juli 1940 sloten Ten Broek en Alois Miedl (een op 3 maart 1903 in München geboren Duitser, die al sinds 1932 in Nederland resideerde en zich als gefortuneerd man onledig hield met diverse investeringsmaatschappijen en die daarnaast zelf een zakenbank exploiteerde) een overeenkomst. Miedl zou voor f 300.000 (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit: € 2.000.000) alle onroerende goederen aanschaffen. Alle andere goederen (inclusief alle schilderijen) zou Miedl aanschaffen voor f 2.250.000 (waarde 2005: € 15.500.000). Nadat de overeenkomst was gesloten, dook een andere geïnteresseerde op: Duitslands Reichsmarschall en gulzige verzamelaar van oude kunst: Hermann Göring. Hitler moest zijn gepland Führermuseum in zijn Heimat Linz met kunst gevuld krijgen. Voor Göring moest Miedl natuurlijk buigen: de overeenkomst van 1 juli 1940 werd ontbonden. Zij werd vervangen door 2 nieuwe overeenkomsten. Op 13 juli 1940 verkocht Ten Broek aan Göring voor f 2.000.000 (waarde 2005: € 13.750.000) :de rechten op alle schilderijen, tekeningen, antiquiteiten en verdere kunstvoorwerpen, welke zich op 26 juni 1940 in Nederland bevonden en toen eigendom waren van gemelde naamloze vennootschap.

Göring kocht alle 1113 geïnventariseerde schilderijen en kunstvoorwerpen tegen hoogstens een zesde van de werkelijke waarde (een transactie die op naasting lijkt). Bij de verkoop aan Göring behoorden overigens ook 'drie plafondstukken' van Gerard de Lairesse, aanwezig in de zoldering van een van de vertrekken van het pand Herengracht 458 waar Goudstikkers kunsthandel was gevestigd. Nadat de panelen van de plafonds waren losgemaakt werden ze naar Berlijn getransporteerd, evenals de ruim 780 schilderijen die onmiddellijk door Göring zelf werden meegenomen.

Miedl had echter nog altijd zijn zinnen gezet op de kunsthandel, want die wilde hij zelf voortzetten. Hij kocht dus van Ten Broek voor f 500.000 (waarde 2005: € 3.400.000):

  1. alle aandelen in schilderijen, die deels aan anderen toebehoorden
  2. de bibliotheek
  3. de cartotheek
  4. de wapenverzameling op Nijenrode
  5. de inventaris van Nijenrode
  6. de inventaris van Herengracht 458
  7. alle onroerende goederen (kasteel Nijenrode, buitenhuis 'Oostermeer' te Oudekerk en de kunsthandel aan de Herengracht 458, te Amsterdam)
  8. het recht op de handelsnaam "Kunsthandel J. Goudstikker NV"

Om zijn dank te uiten, verkocht Göring (op uiterst vriendelijke handelscondities) een deel van de collectie onmiddellijk door aan Miedl, die daarmee zeer lucratief de kunsthandel J. Goudstikker NV voortzette tijdens de oorlogsjaren. Er zou ook toegezegd zijn dat de achtergebleven 70-jarige moeder van J. Goudstikker op bescherming van Göring kon rekenen. Desi Goudstikker, Jacques' weduwe heeft geweigerd de haar door Ten Broek gevraagde toestemming voor de verkoop te verlenen. Ten Broek en partner Dik, de Duitse kopers goed gezinde medewerkers, kregen elk voor hun diensten 180.000 NLG, de rest van het personeel 40.000 NLG. Een riante vergoeding aangezien hun maandloon toen 600 NLG bedroeg.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou Miedl met zijn kunsthandel meer dan 3200 schilderijen, waarde ruim 18 miljoen, in Nazi-Duitsland verkopen. Aldus werd de naam Goudstikker bezoedeld. Hij vluchtte in 1944 naar Spanje en werd weer bankier. Hier overleed hij enkele jaren na de oorlog. De 25 schilderijen die hij had meegenomen naar Spanje, van onder anderen Gerard Dou, Frans Hals en Antoni van Dijck, zijn nooit meer teruggevonden.

[bewerken] Naoorlogse periode (tot februari 2006)

De teruggekeerde kunstwerken werden na de oorlog door de Nederlandse Overheid als "vijandelijk vermogen" in beslag genomen, terwijl er eigenlijk het odium: "roofkunst" op rustte. De gerecupereerde kunstwerken werden opgeslagen in het centraal depot van het "Instituut Collectie Nederland" (ICN) te Rijswijk van waaruit zij deels in langdurige bruikleen werden gegeven aan de landelijke musea. Na de oorlog ontstond een decennia durende betwisting over de eigendomsrechten op de schilderijen tussen enerzijds de weduwe Von Saher (de naam van haar tweede echtgenoot en overleden in 1996), schoondochter Goudstikker (Marei von Saher, geboren 1945, gehuwd met Edouard die eveneens overleed in 1996) en de Nederlandse staat. [4]

In februari 2006 kreeg de zaak uiteindelijk zijn beslag, nadat de erfgenamen sinds 1997 langs juridische weg de Nederlandse staat tot teruggave dwongen. Vroegere pogingen van de weduwe Goudstikker om haar bezit terug te krijgen eindigden in 1952 in een voor haar zeer nadelige schikking met de Nederlandse Staat. De restitutiecommissie oordeelde dat de weduwe Goudstikker destijds akkoord ging met een schikking, maar nooit afstand gedaan heeft op haar rechten op de kunstwerken. Het betrof een aanzienlijke collectie, 1113 in totaal, waarvan er 267 na de bevrijding terug naar Nederland keerden. Een aantal was sterk beschadigd door de opslag tijdens de oorlog in zoutmijnen op bevel van Hermann Göring. De vorige eigenaars van sommige schilderijen achterhalen, was gezien de onduidelijke herkomst en het grote tijdsverloop een onmogelijke klus. De verzameling bestond ook voor een deel uit door de Sovjet-Unie geconfisqueerd en verhandeld goed. Goudstikker had voor de oorlog op veilingen immers onteigende kunst van de Sovjet-Unie gekocht.

De Nederlandse regering heeft zich op 6 februari 2006 akkoord verklaard om 202 van de 267 schilderijen terug te geven aan Marei von Saher, schoondochter en eerste erfgename van Goudstikker. [5] Veertig andere kunstwerken worden niet teruggegeven, omdat deze in mei 1940 niet toebehoorden aan Goudstikker. 21 andere werken ook niet: de weduwe Goudstikker heeft in 1952 bij akte afstand gedaan van deze werken. Vier terug te geven werken staan als vermist genoteerd: vernietigd, ontvreemd of gewoon onvindbaar. De Nederlandse staat heeft in de jaren vijftig 63 kunstwerken zelf verkocht: deze zijn niet te recupereren. De opbrengst daarvan vloeide in de staatskas. Blijft een saldo van 202 terug te geven schilderijen.

De bevoegde staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen OCW Medy van der Laan (D66) volgde daarmee het advies d.d. 19 december 2005 van de restitutiecommissie. Deze commissie, eind 2001 ingesteld door het Ministerie van OCW, kwam tot het besluit dat het bezitsverlies van Goudstikkers weduwe, Desi, als onvrijwillig dient aangemerkt te worden. Bij weigering tot medewerking aan de verkoop dreigde immers gewoon inbeslagname. Minister Donner van Justitie (CDA) benadrukte in een verklaring dat de teruggave gebaseerd is op moreel-ethische en niet op juridische gronden. Tegelijkertijd was de onderbouwing daarvan weer juridisch. Het Haagse Gerechtshof wees de claim van von Saher in een arrest van 1998 immers af.[6] Minister Donner heeft die "moreel-ethische" gronden erbij gehaald omdat hij bang is voor nieuwe claims. Maar met deze restitutie schiep hij hoe dan ook een precedent, het helpt echt niet om de motivering om te buigen (cfr Wilfred Takken in NRC Handelsblad d.d. 10 februari 2006). Het Norton Simon museum USA, kan april 2007, die niet-juridische argumentatie van de Nederlandse Staat aanwenden om af te zien van een tweede teruggave van het tweeluik Adam en Eva van Lucas Cranach de Oude, waar het odium roofkunst op rust. (geschatte waarde US$ 20 miljoen)[7]
In 1998 is op de "Washington Conference on Holocaust-Era Assets" over in oorlogen gestolen kunst, door 44 landen, waaronder Nederland, afgesproken dat morele argumenten zwaarder wegen dan strikt juridische. Rond dit belangrijke symbooldossier groeide langzamerhand een consensus: geen roofkunst in Nederlandse musea!

Goudstikker-schilderijen sieren de muren van het Kabinet van de Koningin en van enkele ministeries; ze zijn verspreid over ambtswoningen en vele Nederlandse ambassades en musea, waaronder het Rijksmuseum, het Mauritshuis, Museum Boijmans van Beuningen en het Bonnefantenmuseum. Zie hiervoor: http://www.vn.nl (overzicht: Wie moet welke werken afstaan?). Voor een aantal musea betekent de teruggave een zware aderlating. Het betreft topwerken van de respectievelijke musea die al meer dan 50 jaar op zaal hangen en waar zowel het publiek als de museumstaf ondertussen een affectieve band mee hebben. Voor het Dordrechts Museum is dit een werk van Jan Goyen: "Gezicht op de Oude Maas bij Dordrecht", voor het Rijksmuseum 2 landschappen van Salomon van Ruysdael, voor Museum Boijmans Van Beuningen een Claude Lorrain en voor het Bonnefantenmuseum te Maastricht een op eigen kosten gerestaureerd paneel van Lippi (zie hieronder).

Het Keulse Wallraf-Richartzmuseum heeft in april 2006 twee kunstwerken terugbezorgd aan de erfgenamen (een werk van de Vlaming David Teniers: "Dorpsgezicht" en een van de Fransman Constant Troyon: "Koe op de weide". Het Albertinum te Dresden heeft een zeventiende-eeuws bloemstilleven van de Nederlandse schilderes Rachel Ruysch (1664-1750) teruggegeven aan Von Saher. Het museum "Het Kunstpalast" te Düsseldorf heeft het doek "Kaartspeler en rokers" van Dirck Hals (1591-1656) teruggegeven. Via Hermann Göring waren deze werken in Duitse handen terechtgekomen. Het Kunsthistorisches Museum in Wenen retourneert het "Portret van Van Schooten" (1656) door Philips Koninck terug aan Marei von Saher. Bij Sotheby's in New York werd onlangs een beeld van de Italiaanse kunstenaar Donatello voor 4,5 miljoen euro geveild. Het beeld was ingebracht door een particulier uit de USA die een deel van de opbrengst afstond aan Marei von Saher.

[bewerken] Afwikkeling restitutie collectie Goudstikker (vanaf februari 2006)

De feitelijke overdracht van de 202 schilderijen greep plaats in februari 2007. De Nederlandse musea hopen dat zij een gedeelte van de werken in bruikleen mogen houden. Zij hebben tenslotte de kunstwerken al die tijd goed beheerd en deels gerestaureerd op eigen kosten. Daar tegenover staat dat de Nederlandse Staat het gebruiks- en beeldrecht van de schilderijen gedurende een periode van 60 jaar heeft uitgeoefend zonder daarvoor een tegenprestatie te leveren. Marei von Saher wil een reizende, internationale expositie organiseren met de teruggegeven kunstwerken. Een ander deel wil zij verkopen op een veiling. Het is ironisch, besluit Veraart zijn artikel in de NRC, de schilderijen verdwijnen nu uit de kunsttempels en worden weer handelswaar, wat ze tot 1945 ook waren.

"Het rivierlandschap met veerpont" van Salomon van Ruysdael kan echter het predicaat "onmisbaar en onvervangbaar" meekrijgen. Dat betekent dat het doek wel mag verkocht worden, maar dat het in Nederland moet blijven. Het kan een eigendomsbeperking meekrijgen. Nationale trots speelt daarbij ongetwijfdeld een rol. In het begin van de 19e eeuw liet koning Willem I ook de veiling van de Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt verbieden en gaf het bevel dit meesterwerk voor zijn "Koninklijk Kabinet van Schilderijen" aan te kopen. Het is nu in het Mauritshuis in Den Haag te bewonderen. De advocaten van Von Saher bevestigen dat het overdrachtscontract nagenoeg klaar is en dat de overdracht van de 202 kunstwerken in februari 2007 zal plaatsvinden. Minister van Cultuur Maria van der Hoeven (CDA) zal met Von Saher spreken over de mogelijkheid om bepaalde kunstwerken uit de collectie toegankelijk te houden voor het Nederlandse publiek. Over enkele topstukken die een historisch verlies voor Nederland kunnen betekenen wordt nog onderhandeld.

De feitelijke restitutie van de collectie zal een logistieke uitdaging zijn. Het gaat om kwetsbare objecten van gemiddeld 400 jaar oud die eigenlijk alleen in een museale omgeving behoorlijk kunnen geconserveerd worden. Vooral de vroeg Italiaanse tempera op hout-panelen van het Bonnefantenmuseum te Maastricht zijn bijzonder kwetsbaar. De verzekerbaarheid is op orde omdat de depots van ICN goed beveiligd zijn. Een tijdelijke opslag in de depots van het "Instituut Collectie Nederland" te Rijswijk is gegarandeerd waar ondertussen (februari 2007) alle werken zijn geregistreerd, gefotografeerd en klaargemaakt voor teruggave. De lege muren van de landelijke musea kan men voorzien van andere collectiestukken. Het ICN kan daarbij adviseren als het objecten uit de rijkscollectie betreft.

Ondertussen beraden museumdirecteuren en plaatselijke politieke partijen zich hoe waardig afscheid te nemen van deze cultuurobjecten. In Delft stelt men voor om een "afscheidstentoonstelling" te organiseren waarbij men uitleg geeft over de kunstwerken en over de weg waarlangs deze in Delft terecht zijn gekomen of over "roofkunst" in brede zin. Staatssecretaris Van der Laan stelt, in een toespraak in de Tweede Kamer dd 21 maart 2006, een "respectvolle" houding jegens de erven Goudstikker voorop. De Nederlandse kunstwereld gaat een rouwproces tegemoet: van verbijstering en ongeloof, over onvrede tot uiteindelijk berusting en aanvaarding.

Een magere troost biedt de volgende gedachte: het zijn vooral véél schilderijen die uit Nederlandse musea verdwijnen, maar échte topstukken zoals een Rembrandt, een Vermeer of een Frans Hals zitten er niet bij; de musea verliezen vooral "volume" en het Bonnefantenmuseum een deel van haar Italiaanse kunstverzameling (19 stuks). Het Museum Boijmans verliest een kostbaar landschap van Claude Lorrain. Het Rijksmuseum in Amsterdam zal met pijn het rivierlandschap van Salomon van Ruysdael van de muur moeten halen... Wat kwaliteit betreft is deze ramp voor de meeste andere musea wel te overkomen.

Er hangt het Stedelijk Museum van Amsterdam nog een claim boven het hoofd van de collectie Kasimir Malewitsj (1878-1935), die wederrechtelijk zou zijn verkregen. Anderzijds vergemakkelijkt de huidige regeling Goudstikker, het recupereren van de aan Nederland ontvreemde Koenigscollectie (in Oekraïne en Moskou aanwezig). Op Nijenrode werd in 1946 het Nederlands Opleidings Instituut voor het Buitenland (NOIB) gevestigd. [8]

[bewerken] Epiloog rond Collectie Goudstikker

[bewerken] Tentoonstelling van roofkunst

Het Joods Historisch Museum van Amsterdam organiseerde in het najaar 2006 een tentoonstelling rond roofkunst uit rijksbezit met onbekende herkomst. De tentoonstelling vond plaats in de Hollandsche Schouwburg, van waar uit tijdens de Tweede Wereldoorlog de Joden werden doorverwezen naar het doorgangskamp Westerbork, de wachtplaats voor de Duitse vernietigingskampen.

Er was een vijftigtal kunstvoorwerpen te bezichtigen van tot nu toe onbekende eigenaars, zoals een marmeren borstbeeld, een bronzen vrouwenhoofd van de Zwitserse beeldhouwster Dora Neher, een romantisch landschap, een stilleven met oesters. Onder elk werk stonden bordjes met teksten als "herkomst verduisterd", "oorlogsdelinquenten" of "erven gezocht". Deze werken werden door de Duitsers buit gemaakt op tot nu toe niet getraceerde Nederlandse Joden tijdens de oorlogsjaren. De joden moesten al hun bezittingen inleveren bij de joodse roofbank Lippmann & Rosenthal te Amsterdam, alvorens zij naar een concentratiekamp werden afgevoerd. Het "Bureau Herkomst Gezocht" onder leiding van R. Ekkart verrichtte in de afgelopen acht jaar speurwerk naar de herkomst van 4700 kunstwerken die na de oorlog terugkeerden uit Duitsland en vervolgens toevielen aan de Nederlandse Staat.

[bewerken] Catalogus roofkunst

De erven-Goudstikker stuurden begin 2007 een catalogus met 500 afbeeldingen en beschrijvingen van destijds geroofde schilderijen uit de collectie van Jacques Goudstikker naar musea, veilinghuizen, kunsthandels en bibliotheken overal ter wereld met verzoek eventueel aanwezige kunstwerken te melden, m.a.w. zelf actief op zoek te gaan naar geroofde stukken uit de collectie. Het is de bedoeling dat de (Nederlandse) musea de catalogus met hun bezit vergelijken om te zien of zij Goudstikkerwerken in hun collectie hebben. Op deze wijze hoopt Marei von Saher de oorspronkelijke verzameling zoveel als mogelijk te herstellen. Het plan voor een Goudstikkermuseum vond weinig weerklank.

[bewerken] Onderhandelingen voorjaar 2007

In het najaar 2006 en het voorjaar 2007 werden er besprekingen gevoerd tussen het ministerie van OCW (Directeur Rudi Ekkart, Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie) en de zaakwaarnemers van Marei von Saher om enkele kunsthistorisch belangrijke topstukken uit de collectie voor Nederland te behouden. Als die Nederland verlaten, zou dat leiden tot pijnlijke gaten in de nationaal openbaar kunstbezit.
Het betreft:

  • vakkundig vervaardigde kunstwerken van hoge kwaliteit
  • kunstwerken van belang voor het nationale kunstpatrimonium
  • kunstwerken van belang voor hun plaats in het oeuvre van een bepaalde kunstenaar
  • kunstwerken bekend uit historische bronnen of waar een kenschetsende historie aan vast zit.

Hier volgt een selectie door dr Bram de Klerck, docent aan de Radboud Universiteit en specialist in oude kunst.[9]

Begin maart 2007 raakte bekend dat de Nederlandse Staat 4 werken van Goudstikker aangekocht heeft ter waarde van 3 miljoen euro. Het gaat om de kunstwerken Architectuurfantasie met figuren (1633) van Dirk van Delen (Noordbrabants Museum, Den Bosch), Anna Strick van Linschoten en Philips Ram (1625), twee bij elkaar horende stukken van Paulus Moreelse (Centraal Museum, Utrecht) en Gezicht op Delft (1665) van Daniël Vosmaer (Het Princenhof, Delft). De erven Goudstikker schonken een werk Kind op sterfbed (1645) van Bartholomeus van der Helst aan het stedelijk museum van Gouda, waar het tot voorheen hing. De vijf schilderijen keren terug naar de musea waar zij al die tijd in de collectie zaten.[10]

Het Bonnefantenmuseum Maastricht had met ongeveer 38 vroege werken van Goudstikker de meeste stukken in zijn bezit, waaronder De Heilige Lucia (ca. 1325) van Jacopo del Casentino. Het museum heeft niets teruggekregen.

[bewerken] Veiling bij Christie's

Op 22 februari 2007 werd bekend dat Goudstikkers schoondochter Marei von Saher, meer dan de helft van de 202 schilderijen begin april bij Christie's te New York gaat veilen. [11] Dit ligt voor de hand aangezien zij, niet vermogend, substantiële bedragen nodig heeft om haar advocaten en adviseurs te betalen. Met deze advocaten en raadgevers maakte zij een no cure no pay-overeenkomst. [12] Volgens de laatste berichten verwerven deze 60 % van de verkoopwaarde van de kunstwerken. [13] [14] Von Saher opperde dat als de Nederlandse regering, met name de toenmalige staatssecretaris Aad Nuis (Cultuur, D66), was ingegaan op eerdere verzoeken om teruggave in 1997, en zelfs in 1950, zij al die adviseurs niet behoefde.
Ook de vermaarde Ruysdael Veerpont met vee op de Vecht bij Nijenrode zal ter veiling aangeboden worden in april 2007.
Christie's veilde de helft van collectie op 19 april te New York, op 5 juli in Londen en op 14 november in Amsterdam. De opbrengst van de drie veilingen samen was 12,4 miljoen euro[15]. De andere helft blijft familiebezit en zal in een rondreizende expositie aan het publiek getoond worden. [16] [17]

Op 19 april 2007 bood Christie's te New York 45 werken ter veiling aan, waarvan een derde onverkocht bleef. De totale opbrengst bedroeg US$ 9,7 miljoen. Het rivierlandschap van Van Ruysdael werd voor US$ 2 miljoen verworven door de Maastrichtse kunsthandelaar William Noortman. Volgens hem viel de prijs erg mee, het was zo goedkoop dat "het voelt alsof ik het werk heb gestolen". [18]

De veiling dd 5 juli 2007 van het tweede deel van de Goudstikker-collectie te Londen door Christie's bracht 4,6 miljoen euro op. Op de veiling bracht een tafereel in Den Haag van Gerrit Berckheyde (1638-1698) ruim 750.000 euro euro op. Voor een schilderij van Jan Josefz. van Goyen werd ruim 520.000 euro betaald. Een schilderij van twee liefdesparen van Oostsanen bracht ruim twee keer zoveel op dan verwacht: 168.000 euro in plaats van de geraamde 70.000. [19]

De derde en laatste veiling vond plaats op 14 november 2007 bij Christie's te Amsterdam en bracht 1,2 miljoen euro op. Een doek van Jan van Goyen verwisselde voor ruim 275.000 euro van eigenaar, hetgeen zelfs twee keer het verwachte bedrag was.

[bewerken] Kunst en het Art Loss Register

Kunsthandelaar Salomon Lilian uitte op de Maastrichtse kunstbeurs The European Fine Art Fair of TEFAF in het MECC, medio maart 2007, de bedenking een ambivalent gevoel over te houden over de teruggave van oorlogskunst. Hij zei: "Ik vind het terecht dat kinderen of kleinkinderen van joden die in de oorlog beroofd zijn hun bezit alsnog terugkrijgen. Ik ben zelf joods. Maar het is nu vooral big business geworden voor advocaten. Kunsthandelaars zijn er niet blij mee. Wij moeten zo voorzichtig zijn met onze aankopen, ik laat de oorlogsgeschiedenis van elk schilderij checken door het Art Loss Register. Voor mij mag die teruggave nu wel een keertje afgelopen zijn."

[bewerken] Einddatum voor opeisen roofkunst

De Nederlandse Staat heeft 4 april 2007 als uiterste datum aangegeven voor claims op in de oorlog gestolen kunst. Bij deze komt een einde aan de tienjarige zoektocht naar herkomst van 4.500 kunstvoorwerpen uit veelal joods bezit die tijdens WOII in Duitsland zijn beland en na de bevrijding terugkeerden naar musea en overheidsgebouwen in de zogeheten Nederlands Kunst (NK)-collectie. De erven van de joodse bankier Max Rothstein konden nog op tijd het schilderij "Landschap met kudde bij een poel" van Salomon van Ruysdael claimen. Het schilderij hing al die tijd op de Nederlandse ambassade in Washington.

[bewerken] Bonnefantenmuseum Maastricht 2008-2013

Onder de titel Het Nederlandse Palazzo presenteert het Bonnefantenmuseum te Maastricht vanaf 7 maart 2008 gedurende vijf jaar vroeg-Italiaanse kunst verzameld in Nederland tussen 1900 en 1940. Het gaat om 200 werken uit het bezit van het Rijksmuseum en het Bonnefantenmuseum zelf. Naar aanleiding hiervan verscheen een publicatie Het Nederlandse Palazzo, waarin Fee van 't Veen deze verzamelgeschiedenis van vroeg-Italiaanse kunst beschrijft. Uit de publicatie komt naar voren dat Jacques Goudstikker met zijn kunsthandel Goudstikker NV tijdens het interbellum het speciale adres was voor de oude Italiaanse kunst met een heel gevarieerd aanbod. Omdat de belangstelling voor deze kunst bij Nederlandse verzamelaars toenam en hierdoor een netwerk ontstond, kochten deze liefhebbers allemaal bij Goudstikker.

[bewerken] Aankoop Van Goyen door Dordrechts Museum, september 2008

De geldinzamelactie "Geef Dordrecht zijn gezicht terug" is zeer succesvol geweest en heeft geresulteerd in een bedrag van 3,5 miljoen euro. Hiermee kon het Dordrechts museum het schilderij Gezicht op Dordrecht (1651) van Jan van Goijen kopen. Het schilderij was een halve eeuw lang te bezichtigen geweest in het museum, maar werd in 2006 teruggegeven aan de erven van Goudstikker. Met financiële steun van fondsen én inwoners van Dodrecht slaagde het museum erin dit belangrijke kunstwerk terug te kopen en voor de stad te behouden. Tijdelijk hangt het schilderij in het museum Simon van Gijn, maar in 2010 zal het schilderij een vaste plaats in het Dordrechts museum krijgen.

[bewerken] Schilderij Jan Steen naar familie Goudstikker, oktober 2008

In de negentiende eeuw werd het schilderij De huwelijksnacht van Tobias en Sara van Jan Steen (1626-1679) in twee stukken gesneden, naar alle waarschijnlijkheid omdat het door brand was beschadigd. Afzonderlijk zijn beide delen in de kunsthandel beland en na verloop van tijd wist niemand meer dat de delen bij elkaar hoorden. Het rechterdeel dat de aartsengel Raphaël uitbeeldt, werd in 1907 gekocht door verzamelaar Abraham Bredius en kwam later terecht in het Bredius Museum van Den Haag. Het linkerdeel met het bruidspaar Tobias en Sara werd het eigendom van Goudstikker. In 1996 werden de delen gerestaureerd en weer samengevoegd. Zie hiervoor: http://www.museumbredius.nl/reconstr_nl.htm De gemeente Den Haag werd eigenaar van het deel Aartsengel Raphaël, terwijl het andere deel vanaf de restauratie eigendom werd van de Staat. De Staat droeg in 2006 het deel met Tobias en Sara over aan Marei von Saher, de erfgenaam van Goudstikker. De gemeente Den Haag maakte bezwaren tegen de teruggave van haar deel, dat immers niet uit de collectie Goudstikker stamt. Na een advies van de Restitutiecommissie Cultuurgoederen op 28 oktober 2008 liet de gemeente Den Haag weten dat zij haar deel voor ruim 620.000 euro zou verkopen aan Von Saher. Alzo kan het terug samengevoegde en moeizaam gerestaureerde werk in zijn geheel behouden blijven. [20]

Tegen deze gang van zaken kwam eind 2009 verzet door de Stichting tot bescherming en behoud van Nederlands Openbaar Kunstbezit. Om de verkoop mogelijk te maken dient de bepaling van Bredius ten aanzien van zijn nalatenschap namelijk de voorwaarde dat de collectie voor altijd onverdeeld in het Museum Bredius dient te verblijven, gedeeltelijk worden ontbonden. Teneinde tot een oplossing te komen in dit geschil werd de dit voorgelegd aan de rechtbank, die op 5 februari 2010 oordeelde dat de gemeente Den Haag haar deel van het schilderij Het huwelijk van Tobias en Sara van Jan Steen niet mag verkopen.

Vanwege de uitspraak van de rechter moet in ieder geval het deel De Aartsengel Rafaël in Museum Bredius blijven. Het doek opnieuw in twee delen splitsen vindt de rechtbank "geen redelijk alternatief". Volgens het ANP richt de gemeente zich nu op het aankopen van het deel dat eigendom is van de Goudstikker-erfgename. Den Haag is inmiddels in gesprek gegaan met het Rijk en probeert fondsen te werven zodat het deel aangekocht kan worden. De andere helft van het schilderij werd in 2008 op 1,8 miljoen euro getaxeerd. Maar Den Haag denkt wel wat af te kunnen dingen omdat het schilderij niet op de markt mag worden verkocht. Onbekend is of Von Saher-Langenbein wel wil verkopen.

[bewerken] Reizende expositie, vanaf maart 2009

Een reizende, internationale expositie met een klein deel van de door Marei von Saher teruggekregen kunstwerken is van start gegaan in het Bruce Museum te Greenwich van 10 mei tot 7 september 2008. Hierna zijn de werken te zien geweest in het museum van het Holocaust-Instituut Yad Vashem in Jeruzalem. Tot 2 augustus 2009 was de tentoonstelling, met zo'n 35 werken van onder anderen Jan van de Heyden, Peter Paul Rubens, Michal Sweerts en Pieter de Hooch, te zien in The Jewish Museum in New York onder de titel": 'Paintings from the collection of Jacques Goudstikker'. Zie hiervoor: http://www.thejewishmuseum.org/exhibitions/goudstikker

[bewerken] Kunstverzameling

1rightarrow.png Zie Kunstverzameling Jacques Goudstikker voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

[bewerken] Bibliografie

  • Pieter den Hollander, De zaak Goudstikker. Uitg. Meulenhoff, 1998, ISBN 90-290-5785-8. (In mei 2007 verscheen een update van dit boek van de hand van Pieter den Hollander getiteld Roofkunst. De zaak-Goudstikker, ISBN 90-290-7789-1)
  • Robert E. Edsel, Rescuing Da Vinci. Hitler and the Nazis Stole Europe's Great Art, America and Her Allies Recovered It, Laurel Publishing, 303 blz, 2007.
  • Lien Heyting, Er is te lang getalmd. Zesduizend schilderijen spoorloos sinds de oorlog, in NRC Handelsblad, d.d. 31 oktober 1997.
  • Lien Heyting en Bram De Klerck, "Beeldende kunst: Goudstikkers top-6" en "De onmisbare schatten uit de Goudstikkercollectie" in NRC Handelsblad, Cultureel Supplement d.d. 2 februari 2007.
  • Lien Heyting, Zien wat anderen niet zien. Salomon Lilian over de globalisering van de kunsthandel, in NRC Handelsblad, Cultureel Supplement d.d.9 maart 2007.
  • Rosan Hollak, Dit portret hoort hier thuis, in het NRC Handelsblad d.d. 6 maart 2007.
  • Kunstredactie, Expositie van Goudstikkers ook naar Israël, in het NRC Handelsblad, d.d. 22 augustus 2008.
  • Kunstredactie, Het Dordrechts Museum heeft "zijn gezicht terug". In het NRC Handelsblad d.d. 12 september 2008.
  • Milko de Leeuw en Partin Pruijs, De Gouden Bocht van Amsterdam. Uitgever Stichting ITARR, Den Haag, 2008, ISBN 90-810694-1-1. Zie ook: http://www.degoudenbocht.nl
  • Sandra Smallenburg, Helft Jan Steen is niet van Goudstikker, in NRC Handelsblad d.d. 8 februari 2006.
  • Veen, F. van 't (2008) Palazzo; Verzamelingen van vroeg-Italiaanse kunst, ISBN 978-90-8689-0361. Uitgave: Rijksmuseum en Nieuw Amsterdam Uitgevers, pp.5-7, pp.63, colofon.
  • Adriaan Venema, Kunsthandel in Nederland 1940-1945. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1986. ISBN 90-295-5010-4.
  • Wouter Veraart, "Moraal zonder recht is sentiment" in NRC Handelsblad, Cultureel Supplement dd 10 februari 2006.
  • Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw. Uitg. Kluwer.
  • Volkskrant, Vijf werken Goudstikker komen terug, d.d. 6 maart 2007.
  • Charlotte Wiethoff, De kunsthandelaar J. Goudstikker en zijn betekenis voor het verzamelen van vroege Italiaanse kunst in Nederland, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1981 deel 32, Haarlem, 1981.
  • Advies restitutiecommissie inzake het verzoek tot teruggave van: de Amsterdamse Negotiatie Compagnie NV in liquidatie van 267 kunstwerken uit de rijkscollectie (zaaknummer RC 1.15) dd 19 december 2005. [21]

[bewerken] Externe links

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Goudstikker handelde in onteigende kunst
  2. [1]
  3. Goudstikkers inventaris
  4. Een heer in de kunsthandel. Strijd om de nalatenschap
  5. Restitutie collectie Goudstikker
  6. Claim erven Goudstikker ongegrond
  7. Strijd om een Cranach
  8. Dossier Goudstikker. Vrij Nederland
  9. Lien Heyting, 'Koop die Jan Mostaert', NRC Handelsblad 2 februari 2007.
  10. Vijf 'Goudstikkers' blijven in Nederland. Persbericht 6 maart 2007, Rijksoverheid.nl
  11. Veiling bij Christie's
  12. No cure no pay-overeenkomst
  13. Advocaat Dick Schonis
  14. Gevecht om de Goudstikker-miljoenen
  15. Goudstikker voor 12,4 mln geveild
  16. Veiling Goudstikker-collectie
  17. Ik had de stukken liever in de familie gehouden
  18. Van Ruysdael zo goedkoop, voelt aan als stelen
  19. Tweede deel Goudstikker-collectie geveild
  20. Verkoopovereenkomst
  21. Advies restitutiecommissie
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen