Jacques de Châtillon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jacques de Châtillon (? - 11 juli 1302) was een Frans edelman die in 1300 door koning Filips IV van Frankrijk werd aangesteld tot landvoogd van het graafschap Vlaanderen. Hij was een zoon van Gwijde III van Saint-Pol en van Mathilde van Brabant en een oom van de toenmalige Franse koningin, Johanna van Navarra.

Deze vechtjas was een slechte keuze omdat hij weinig inzicht had in de specifieke situatie in Vlaanderen waar steden zoals Gent en Brugge veel machtiger en rijker waren dan welke Franse stad dan ook. Door zijn misprijzen voor de gewone man mislukte de integratie van Vlaanderen (de Vlaamse graaf was een leenman van de Franse koning) volledig. Hij onderkende de tegenstellingen niet die bestonden tussen de aanhangers van de graaf (Liebaards) en die van de koning (leliaards), maar binnen de steden ook tussen de patriciërs die het bestuur in handen hadden, en het gewone volk. En het volk wilde vooral politieke inspraak. Châtillon steunde tot hun grote woede de patriciërs; de ambachtslui kozen dan ook massaal partij voor de Liebaards.

Hij maakte een fout toen hij, bij de bezetting van Brugge, zijn soldaten in de stad liet overnachten. Tijdens de Brugse Metten werd een aantal door Pieter de Coninck en zijn aanhangers vermoord, de rest vluchtte naar het kasteel van Kortrijk. Châtillon kon nog net ontsnappen door zich, ironisch genoeg, te vermommen als een eenvoudige man; hij zou echter, zoals zovele Franse edellieden, een paar maanden later sneuvelen tijdens de Guldensporenslag.

Hij was gehuwd met Catharina van Condé (1260-1329), en de vader van onder meer Beatrix, die huwde met Jan van Vlaanderen, een zoon van Willem Crèvecoeur.