Jafet
Jafet ( Jafeth[1]), (hebreeuws יֶפֶת of יָפֶת Japeth of Japhet), is een figuur uit de Bijbel. Zijn naam komen we tegen in Genesis 5 tot en met 10. Zijn naam betekent: uitbreiding. Hij is de middelste zoon van Noach. De oudste zoon van Noach is Sem. De jongste zoon van Noach is Cham. Tegenover zijn vader heeft Jafet zich zeer gewetensvol gedragen.
Noach was naakt in slaap gevallen na te veel van de oogst van zijn wijngaard te hebben gedronken. Cham had zijn vader in die toestand ontdekt en bespotte hem tegenover zijn broers. Jafet echter, bedekte, samen met Sem, zijn vader met een mantel, zonder naar diens naaktheid te hebben gekeken. Jafet en Sem worden voor deze daad door Noach gezegend. Cham wordt vervloekt.
Al in de oudheid werden Jafets nakomelingen geïdentificeerd met de Indo-Europese stammen zoals we bij Flavius Josephus lezen. In deze visie, die tot in de 19e eeuw letterlijk werden genomen, wordt hij vereenzelvigd met diverse Indo-Germaanse goden, zoals de Indische Pra-Japati en de Romeinse Jupiter en de Griekse Japetos of Iapetus (Iapetus of Iapetos (Grieks Ίαπετός / Iapetós) is in de Griekse mythologie een god, een van de Titanen.
[bewerken] Jafets nakomelingen of Jafetieten
Zijn zonen waren Gomer, Magog, Tiras, Javan, Mesech, Tubal, en Madai.
- Javan, waarvan onder andere de Ioniërs met o.a. de Grieken zouden afstammen.
- Tarsis, een zoon van Javan, wiens nageslacht zich verspreid zou hebben richting Klein-Azië en Spanje. De Middellandse Zee heette ooit de Tarsische zee en in de 9e eeuw v.Chr. werd Zuid-Spanje al in sommige archeologische vondsten Tarsis genoemd met de hoofdstad Tarshish, in het Grieks Tartessos genaamd).
- Tubal, wiens nageslacht richting het huidige Rusland getrokken zou zijn, voor het eerst genoemd door Tiglat-Pileser I, Koning van Assyrië, 1100 v.Chr.; hij noemt hen de 'Tabali'. Flavius Josephus beschreef hen als de Thobelieten, die volgens hem in Kaukakisch Iberië, het huidige Georgië leefden. Ze verleenden hun stamnaam zowel aan de rivier de Tobol als aan de befaamde stad ‘Tobolsk’, die tegenwoordig nog steeds zo heten.
- Mesech, die ook richting Rusland getrokken zou zijn. De Assyriërs noemden hen in één adem met de afstammelingen van Tubal, namelijk 'Tabal en Musku'. Herodotus schreef over de 'Tiberanoi en Moschoi', Tiglath-Pileser schreef in 1100 v.Chr. over de 'Muska-a-ia'. Hiervan zou de stad Moskou zijn naam danken, evenals de naam van Rusland tot 1700: Moskovië.
- Magog, voorvader van de Scythen, Slaven, Kelten en Hongaren.
- Gomer, de voorvader van o.a. de Gomaren, de Galaten en de inwoners van Wales (hun taal werd oorspronkelijk ook Gomeraeg genoemd).
- Madai, voorvader van o.a. de Meden van Iran, de Ariërs en andere volkeren in het huidige India.
Volgens vroegere en hedendaagse creationisten zijn deze Jafetieten de voorouders van de Indo-Europese stammen. Moderne archeologen en taalkundigen zien hiervoor geen of onvoldoende bewijs. Maar men geve zich er rekenschap van dat deze beschrijving van de afstammingen binnen Europa en daarbuiten (vgl. de artikelen over Sem en Cham) door bepaalde academische kringen tot in de jaren dertig van de 20e eeuw als aanvaardbaar werden beschouwd ondanks bewijzen van het tegendeel. Het gezag van de Bijbel was voldoende en deze afstammingsleer is een van de uitgangspunten geworden voor Hitlers rassenleer.[2]
[bewerken] Voetnoot
- ↑ Oude spelling tot 2005, uitgavejaar van de laatste Van Dale14
- ↑ Te vinden in het werk van Léon Poliakov, joods historicus. L. Poliakov wordt vernoemd in het artikel Voltaire.
[bewerken] Externe link
- NOAH'S THREE SONS online, door Arthur C. Custance (1910 - 1985) over de nakomelingen van Noach gezien vanuit evangelisch-orthodox standpunt
- Genesis 5, Nieuwe Bijbelvertaling
| Zonen en kleinzonen van Noach in Genesis 10 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
|