James Fenimore Cooper

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
James Fenimore Cooper door Jarvis

James Fenimore Cooper (Burlington (New Jersey), 15 september 1789 - Cooperstown (New York), 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver. Hij werd vooral bekend als romanschrijver van talloze zeeverhalen en historische verhalen, de Leatherstocking Tales, met Natty Bumppo in de hoofdrol. Een van zijn beroemdste boeken uit deze reeks is The Last of the Mohicans, door velen beschouwd als zijn meesterwerk.

Leven[bewerken]

Cooper werd geboren in Burlington, New Jersey, als zoon van een Congreslid van de Verenigde Staten. Nog voor zijn eerste verjaardag verhuisde het gezin naar Westchester County, New York. Reeds op veertienjarige leeftijd vatte hij zijn studies aan op Yale, maar behaalde daar uiteindelijk geen universitaire graad. Hij werd matroos op de koopvaardij en ging op negentienjarige leeftijd bij de marine. Daar behaalde hij de graad van adelborst nog voor zijn vertrek in 1811. Toen hij 22 was huwde hij met Susan DeLancey. Samen hadden ze 7 kinderen.

Werk[bewerken]

Zijn eerste boek Precaution (1820) publiceerde hij anoniem, daarop verschenen er verschillende andere van zijn hand. In 1823 publiceerde hij The Pioneers, de eerste uit de Leatherstocking-reeks met de woudloper Natty Bumppo (deze figuur is gebaseerd op het leven en de avonturen van Daniel Boone) in de hoofdrol, waarin hij deze volgt in zijn vriendschap met de Delaware indianen en opperhoofd Chingachgook. Coopers beroemdste roman zou echter The Last of the Mohicans (1826) worden, een van de meest gelezen boeken uit de 19e eeuw. In 1826 verhuisde Cooper met zijn gezin naar Europa, om daar als vertegenwoordiger van de regering van de Verenigde Staten te gaan werken. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij het in Parijs gepubliceerde The Red Rover, The Waterwitch—one en andere zeeverhalen. Hij geraakte ook erg betrokken in politieke discussies over de Verenigde Staten en publiceerde daarover onder meer in Le National. In zijn drie volgende romans The Bravo (1831), The Heidenmauer (1832) en The Headsman: or the Abbaye of Vigneron (1833) verwerkte hij ook zijn republikeinse overtuigingen.

In 1833 keerde hij terug naar Amerika, waar hij onmiddellijk A Letter to My Countrymen publiceerde, waarin hij scherp uithaalde naar de betrokkenheid van de Verenigde Staten in een aantal controversiële zaken waar hij in Europa mee te maken had gekregen.