James Loudon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
James Loudon als gouverneur-generaal

James Loudon (Den Haag, 8 juni 1824 – aldaar, 31 mei 1900) was een liberaal koloniaal bestuurder en minister in de negentiende eeuw. Hij was voorstander van hervormingen in Nederlands-Indië.

Zijn vroege periode als advocaat en procureur[bewerken]

Loudon werd geboren in 's-Gravenhage, als zoon van een Britse suiker- en indigofabrikant die zich op Java had gevestigd. Loudon studeerde rechten te Leiden, en was van 1846 tot 1848 advocaat en procureur te Batavia. Hij oefende in Nederlands-Indië diverse bestuursfuncties uit. Terug in patria werd hij secretaris-generaal van Koloniën.

Loudons carrière in de Nederlandse politiek[bewerken]

Per 14 maart 1861 was hij minister van Koloniën, maar het fusiekabinet Van Zuylen van Nijevelt-Van Heemstra waaraan hij mede leiding gaf, kwam binnen een jaar ten val. Daarna was hij 10 jaar Commissaris des Konings in Zuid-Holland

Tijdens zijn ministerschap drong hij aan op onthoudingspolitiek als het ging om gebieden als Borneo en Sumatra, waar Engeland aanspraak op maakte, en was hij tegen verdere expansie in Nederlands-Indië. In een bericht naar Batavia schreef hij dan ook: 'Elke uitbreiding van ons gezag in den archipel beschouw ik als een schrede nader tot onzen val'.

Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië[bewerken]

In 1872 werd hij gouverneur-generaal in Nederlands-Indië. Na zijn aankomst in Batavia bewees hij eer aan Multatuli, en verleende hij eerherstel aan ontslagen ambtenaren. Daarentegen verbood hij de pers negatieve uitlatingen te doen en zette hij zelfs de redacteur van de Semarangsche Courant, Mr. Winckel, op de boot naar Nederland nadat deze hem afgeschilderd had als "moedeloos, een man die al het initiatief nam der flauwheid." Men noemde het een pijnlijke overweging dat, onder een liberaal bewind, de regering haar toevlucht moest nemen tot het verwijderen van Nederlands ingezetenen (1874. G. Kepper. De Oorlog tussen Nederland en Atchin).

Door het zenden van tendentieuze berichten naar Nederland door Loudon (onder inblazing van zijn adjudant, de oud-officier J.I. de Rochemont) brak de Atjeh-oorlog uit. Nadat de eerste Atjehexpeditie onder generaal Johan Harmen Rudolf Köhler op een fiasco was uitgelopen, stelde Loudon een onderzoekscommissie in. Generaal-majoor Verspyck maakte deel uit van de onderzoekscommissie. Hij werd vervolgens aangewezen als commandant van de tweede expeditie naar Atjeh, maar Den Haag benoemde generaal Van Swieten tot opperbevelhebber. Hier kwam zeer veel protest tegen, onder andere omdat men hierdoor officieren uit het Indisch leger passeerde ten gunste van een gepensioneerde generaal uit Nederland.

Loudon werd bij Koninklijk Besluit van 17 december 1874 ontslag verleend. In maart 1875 droeg hij het gezag in de kolonie over aan zijn opvolger Johan Wilhelm van Lansberge.

In 1884 werd hij in de adelstand verheven en werd Jonkheer. Hij was Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon.

Terug in Nederland[bewerken]

Loudon keerde in 1875 terug naar Den Haag waar hij in 1900 op 75-jarige leeftijd overleed.

Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  • I.C. van Lier, Mr. J. Loudon en zijn Bestuur. Bruinig & Wijt, 1875
  • J.I. de Rochemont. Loudon en Atchin. 1875.
  • C.A. Tamse, Janny de Jong en Henk Boels: Eer en fortuin. Leven en werken in Nederland en Indië 1824-1900, autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon. (2003; ISBN 90-6707-577-9).
  • Cees Fasseur: Indischgasten. Indische levensgeschiedenissen, het hoofdstuk 'Een reuzenstrijder tegen het barbarisme'. (Amsterdam 1996).
  • Paul Van 'T Veer, De Atjeh-oorlog, blz 25, Amsterdam 1969
  • De informatie op deze pagina, of een eerdere versie daarvan, is geheel of gedeeltelijk afkomstig van www.parlement.com. Overname is toegestaan met bronvermelding.
Voorganger:
J.P.C. de Groot van Kraaijenburg
Minister van Koloniën
1861-1862
Opvolger:
G.H. Uhlenbeck
Voorganger:
J.A. ridder van der Heim van Duyvendijke
Commissaris van de Koning van Zuid-Holland
1862-1871
Opvolger:
C. Fock