Jan Campert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Campert
Monument voor Campert in Spijkenisse
Monument voor Campert in Spijkenisse
Algemene informatie
Volledige naam Jan Remco Theodoor Campert
Geboren 15 augustus 1902, Spijkenisse
Overleden 12 januari 1943, Neuengamme
Land Nederland
Beroep journalist, dichter, auteur
Werk
Bekende werken De achttien dooden
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Jan Remco Theodoor Campert (Spijkenisse, 15 augustus 1902Neuengamme (Duitsland), 12 januari 1943) was een Nederlandse journalist, dichter, schrijver en verzetsman.

Hij is vooral bekend van het gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de executie van vijftien verzetslieden (waaronder Bernardus IJzerdraat) van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers op 13 maart 1941.

Levensloop[bewerken]

Jan Campert werd geboren in Spijkenisse als zoon van een huisarts. Hij volgde van 1915 t/m 1918 de 3-jarige opleiding aan de HBS in Vlissingen en studeerde daarna een jaar aan de Handelsschool. In 1919 ging hij werken bij de Twentsche Bank. In 1926 stapte hij over naar de journalistiek. Hij schreef aanvankelijk voor enkele regionale kranten in Den Haag, waaronder De Nieuwsbron: Algemeen Nederlandsch Dagblad, dat aanvankelijk alleen in Den Haag verscheen. In de jaren '20 was Campert al begonnen met het schrijven van gedichten. In de jaren '30 schreef hij ook enkele romans. In 1928 huwde hij met de actrice Joeki Broedelet, met wie hij in 1929 een zoon (de dichter Remco Campert) kreeg. Hij scheidde in 1932 en hertrouwde in 1936 met de schrijfster Clara Eggink, van wie hij in 1939 scheidde. Uit dit huwelijk geen kinderen. Campert leefde ook enige tijd samen met Willy Corsari.

De journalist[bewerken]

Campert begon zijn journalistieke werk in lokale en streekbladen. Hij was toen voornamelijk toneelcriticus. Eind 1927 kwam hij in dienst bij: De Nieuwsgier: Dagblad voor Westelijk 's-Gravenhage. Vanaf begin 1929 veranderde de naam van het blad in: De Nieuwsbron: Algemeen Nederlandsen Dagblad. Het blad vergrootte haar verspreidingsgebied gelijktijdig naar Den Haag en omstreken. Later werkte Campert voor diverse andere kranten en verhuisde hij naar Amsterdam.[1]

De dichter[bewerken]

In 1922 verscheen Camperts debuutfilm Refereinen, die hij samen met Henne Schölte schreef. Het bekendst werd Jan Campert van twee gedichten die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef: het hierboven genoemde De achttien dooden en Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht. Zijn verzamelde gedichten 1922-1943 Wie weet slaag ik in de dood is het belangrijkste poëziewerk dat van hem is verschenen. Postuum. Remco Campert heeft deze keuze uit Camperts werk gemaakt, in samenwerking met Clara Eggink. Voorwoord van G.H. 's-Gravesande (1947). In Sonnetten voor Cynara (1942), postuum verschenen in 1945, komt de geheel eigen stijl van Campert goed tot zijn recht.

De schrijver[bewerken]

Campert schreef als coauteur twee detectives: met Ben van Eysselsteijn Het Chineesche mysterie (1932) en met Willy Corsari Klokslag twaalf (1933). De titel van zijn eerste roman Die in het donker... 1934 is ontleend aan een 'Dreigroschenoper' van Bertolt Brecht. Zijn roman Wier (1935) die in Zeeland speelt is in 1961 bewerkt door zijn zoon Remco. Voor het boekenweekgeschenk van 1940 Drie novellen schreef hij de novelle Deez kleine hand. De roman Huis en herberg 1941 kent in de afsluitende verzen een verwijzing naar Marsman:Te erkennen te hebben gefaald, niet eens meeslepend en groot, is alle winst die ik heb behaald Wie weet slaag ik in de dood.[1] Een thema dat Campert met zich droeg. Zijn in 1941 verschenen verhaal Slordig beheer is een aanvullend levensthema voor Campert geweest. Het verhaal schetst onder meer zijn zelfkennis.

Oorlogsverzet en dood[bewerken]

De aanloop[bewerken]

In 1933 stelde Campert in zijn Ballade der verbrande boeken het nationaalsocialisme in Duitsland aan de kaak. In Slordig beheer 1941 onderstreepte hij de betrokkenheid van de dichter bij de samenleving. Zijn maatschappelijk-politieke betrokkenheid bleek ook uit de voordracht over Dichterschap en verantwoordelijkheid die hij hield op 15 maart 1942 voor het Haagse genootschap Oefening kweekt kennis die een dag later in het dagblad Het Vaderland werd gepubliceerd. Met zijn gedicht: De Achttien Dooden is hij geworden wat hij als verzetsstrijder wilde: Stem te zijn, en anders niet. Campert deed in de aanloop naar de oorlog, de crisistijd, als schrijver, niet als sympathisant, wat neutraal schrijfwerk voor de toen nog enkel pro Nederlandse politieke partij NSB.

Verzetsactiviteiten[bewerken]

Campert heeft rond de 20 joden naar België helpen ontsnappen. Op 21 juli 1942 werd hij met zijn helper de Bredase journalist Martien Nijkamp vlak over de grens bij Baarle-Nassau gearresteerd toen hij de 21-jarige jood Frans van Raalte naar België probeerde te smokkelen. Van Raalte pleegde nog dezelfde dag in gevangenschap zelfmoord. Campert zat enige tijd gevangen in Breda, in kamp Haaren en in kamp Amersfoort. Uiteindelijk kwam hij via Buchenwald[2] in november 1942 in het Duitse concentratiekamp Neuengamme terecht.[2] In december van dat jaar werd hij tot twee maal toe met longklachten in het ziekenhuis aldaar opgenomen. Op 6 januari in de strenge winter van 1943 verzocht hij in een schrijven aan zijn moeder om warme kleding en stevige schoenen. Hij meldde dat hij pijn in zijn borst voelde en het koud had. Volgens de officiële verklaring in zijn medische dossier is hij op 12 januari van dat jaar op veertigjarige leeftijd aldaar om 13.30 uur aan borstvliesontsteking overleden.[2]

De Bezige Bij[bewerken]

De achttien dooden werd voor het eerst gepubliceerd in de illegale krant Het Parool van 10 februari 1943 en in het ondergrondse blad Vrij Nederland van 21 februari 1943. Daarna werd het nog in hetzelfde jaar gedrukt als rijmprent, met een tekening van Fedde Weidema, pseudoniem Coen van Hart, door Geert Lubberhuizen (die niet lang daarna daarmee deels de ondergrondse Utrechtse uitgeverij De Bezige Bij zou financieren) uitgebracht en in ruime kring verspreid en verkocht. De met de prent gegenereerde gelden dienden in eerste instantie om de kosten van het onderduiken van Joodse kinderen, waar Lubberhuizen en collega-studenten bij betrokken waren geraakt, te financieren. Gedurende de oorlog verschenen bij De Bezige Bij meerdere drukken met een totale oplage van 15.000. De werkelijke verspreiding lag echter veel hoger, omdat het gedicht ook door anderen werd gedrukt en in bloemlezingen verscheen. Renders gebruikt ten onrechte de term 'geroofdrukt', alsof de Bezige Bij-uitgave zelf de officiële druk zou zijn.[3]

Monumenten[bewerken]

Campert werd na de oorlog als een verzetsheld beschouwd. In 1947 werd de Jan Campertprijs in het leven geroepen als 'blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945'. In 2003 kreeg Campert twee monumenten als ode aan zijn oorlogshouding en die van zijn oorlogskameraden. Eén in Spijkenisse en één op voormalig kamp Westerbork. Saillant detail bij het laatste monument is dat het werd gemaakt door Stef Stockhof de Jong, jeugdvriend van de zoon van Fedde Weidema die de tekening bij het gedicht van Campert maakte.

Oeuvre chronologisch[bewerken]

  • 1922 Refereinen. Verzen, met Henne Scholte
  • 1925 Verzen. Verzen.
  • 1927 De bron. Verzen.
  • 1928 Het verliefde lied en andere verzen. Verzen.
  • 1929 Willem Kloos 1859-6 mei-1929. Willem Kloos en wij. Een teruggang? Verhaal, met: Coenraad Alfred Augustus Haighton en Khouw Bian Tie.
  • 1932 Het Chineesche mysterie. Detective-roman, met Ben van Eysselsteijn.
  • 1933 Klokslag twaalf. Detective-roman, met Willy Corsari.
  • 1934 Die in het donker ... Roman.
  • 1934 Tien jaar vaste bespeler van den Koninklijken Schouwburg, Den Haag. Verhaal.
  • 1935 Wier. Roman. In 1974 als Kerend getij uitgegeven door Amsterdam boek.
  • 1936 Verwilderd landschap. Verzen.
  • 1940 Drie novellen. De getuige. Deez' kleine hand. Onweer, met Egbert Eewijck en M. Vasalis. Boekenweekgeschenk.
  • 1940 Vijf jaren zomerzegels 1935-1939. Verhaal.
  • 1941 Huis en herberg. Verzen.
  • 1941 Slordig beheer. Roman.
  • 1942 Sonnetten voor Cynara. Verzen. Sonnet Rebel, mijn hart aan derde druk toegevoegd.
  • 1943 De achttien Dooden. Vers. Utrecht, De Bezige Bij.
  • 1944 Vier jaar ... Verzen. Met anderen. Postuum.
  • 1947 Verzamelde gedichten, 1922-1943. Verzen. Postuum.
  • 1948 – 2004 Veel werk postuum uitgegeven.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Renders, Hans. (2004a). Wie weet slaag ik in de dood. Biografie van Jan Campert. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414497
  • Renders, Hans. (2004b). Gevaarlijk drukwerk: Een vrije uitgeverij in oorlogstijd. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414306

Externe links[bewerken]

Referenties
  1. a b Instituut voor Nederlandse Geschiedenis: Campert, Jan Remco Theodoor (1902-1943)
  2. a b c Archief concentratiekamp Neuengamme
  3. Renders (2004b), 316