Jan Eekhout

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Eekhout
Eekhout (1930)
Eekhout (1930)
Algemene informatie
Volledige naam Jan Henrik Eekhout
Geboren 10 januari 1900, Sluis
Overleden 6 maart 1978, Amsterdam
Beroep schrijver, vertaler
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Jan Henrik Eekhout (Sluis, 10 januari 1900Amsterdam, 6 maart 1978) was een Nederlandse dichter, romanschrijver en vertaler.

Eekhout behoort als protestants-christelijk schrijver met zijn vroege poëzie tot de kring van Opwaartsche Wegen, maar hij werkt ook mee aan De Vrije Bladen. Eekhout debuteert met de bundel Louteringen (1927). Hij publiceert poëzie en enkele romans, waaronder Warden, een koning (1937). In die tijd drijft hij steeds meer in de richting van het nationaalsocialisme.

Zijn dichtbundels Magie der Aarde (1938) en Solaas (1940) worden door dr. J. van Ham, het latere hoofd van de Afdeling Boekwezen van het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, de hemel in geprezen in het tijdschrift De Schouw.

In 1939 wordt hij lid van de NSB, maar geeft pas na mei 1940 blijk van zijn nationaal-socialistische overtuiging. Hij schrijft in die jaren vooral 'volks' proza, waarin een zwakke afschaduwing van Blut und Boden-theorieën een rol speelt. Daarbij richt hij zich als Zeeuwsvlaming vooral op de Vlaamse gebieden, getuige de roman Leven en daden van Pastoor Poncke van Damme in Vlaanderen (1941) en zijn bewerking van De waarachtige historie van Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen (1940).

Roel Houwink stelt in 1941 een bloemlezing uit Eekhouts poëzie samen onder de titel De betooverde pelgrim. In 1942 accepteert Eekhout de Meesterschapsprijs 1941 voor zijn proza van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Hij publiceert in 1942 bij de nationaalsocialistische uitgeverij De Schouw de verzenbundels De zanger van de nacht (opgedragen aan Tobie Goedewaagen) en Noordlicht. In datzelfde jaar verschijnt zijn Groot-Duitsche dichtkunst, een bloemlezing van door Eekhout vertaalde Duitse nationaalsocialistische poëzie. Uit eigen kring krijgt hij op deze bloemlezing kritiek van Gerard Wijdeveld.

In 1942 wordt hij in het dagblad Het Vaderland door G.H. 's-Gravesande beschuldigd van het ontlenen van motieven uit de verhalen over Nasreddin Hodja voor de roman Leven en daden van Pastoor Poncke van Damme in Vlaanderen. 's-Gravesande noemt het plagiaat en raakt met Eekhout in een felle polemiek verwikkeld.

In 1944 verschijnt bij Nenasu zijn roman De historie van Kathelijne Claes van Sluys in Vlaanderen. Eekhout draagt het boek op aan 'dr. H. Lohse', de man die aan het hoofd stond van het Referat Schrifttum dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in laatste instantie bepaalde wat mocht verschijnen en wat niet. Zijn laatste publicatie in oorlogstijd (het gedicht 'Laat ons heidenen zijn') verschijnt in maart 1945 in Storm, het weekblad van de Nederlandse SS.

Na de oorlog veroordeelt het tribunaal in Leeuwarden hem tot een gevangenisstraf van twee jaar. Daarnaast mocht hij tien jaar niets publiceren. Hij tracht zich te rehabiliteren in het autobiografische en apologetisch-getinte Vlucht naar de vijand (1954), waarvoor Anton van Duinkerken een inleiding schrijft en waarmee hij de jarenlange stilte rond zijn persoon verbreekt. Eekhout schrijft daarna een groot aantal romans, ook voor de jeugd, zoals De duivelstoren (1962) en Het dorp bij de hemel (1967).

Externe link[bewerken]