Jan Jakob Maria de Groot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jan Jakob Maria de Groot (Schiedam, 18 februari 1854 - Grosslichterfelde (Berlijn), 24 september 1921) was een Nederlands sinoloog en godsdienstgeschiedkundige.

De Groot was van oorsprong een godsdienstgeschiedkundige en dacht net als veel anderen in die tijd dat spiritualiteit de basis was voor veel religieuze, filosofische en politieke uitingen in het Chinees Keizerrijk. Tegen het eind van de 19e eeuw vormde hij samen met Gustaaf Schlegel de leiding van de sinologie van de Universiteit Leiden. In 1902 ging de Groot naar de Humboldt-Universiteit Berlijn. Een verzoek aan Otto Franke om hem in Leiden op te volgen draaide op niets uit. Uiteindelijk zou hij door een inmiddels ouder geworden Otto Franke opgevolgd worden in Berlijn.

De Groot hoorde tot de stijve autoritaire school die geen plaats in de sinologie toebedeelden aan kritiek van sinologen. Een poging van Erich Haenisch om de ontegenzeggelijk ruwe Erwin von Zach tot Berlijn toe te laten draaide op niets uit. Het gevolg was dat Haenisch' eigen rol in Berlijn nagenoeg uitgespeeld was.

Externe link[bewerken]