Jan Moninckx

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jan Moninckx (1656- Amsterdam, begraven 20 mei 1714) was een Nederlands botanisch schilder, bekend door zijn gekleurde platen en zijn dochter, Maria Moninckx, met wie hij het negen delen dikke boekwerk de Moninckx Atlas vervaardigde. Dit werk werd gepubliceerd in de periode 1686-1709 en bevatte platen van 420 planten uit de Hortus Medicus van Amsterdam.

Persoonlijk[bewerken]

De familie Moninckx kende een lange geschiedenis in de schilder- en tekenkunst en is in 1889 beschreven in het boek De Schildersfamilie Moninckx, geschreven door Abraham Bredius. Zeer bekend was Gijsbert Moninckx, in 1605 lid van het Sint-Lucasgilde in Den Haag. De ouders van Jan Moninckx waren Johannes Moninckx, een klerk uit Leende, Noord-Brabant en zijn vrouw Maria Jan van Duysel. Op 23 mei 1682 tekende Moninckx in het stadsregister van Amsterdam aan dat hij de intentie had om met Anna Geestevelt te trouwen. Zij was 23 jaar en beiden woonden aan de Singel in Amsterdam.

In 1686 was Moninckx werkzaam als luitenant bij de stadswacht. In 1698 tekende hij een notarieel document, waarin hij de verkoop van een huis in Voorburg, dat toebehoord had aan zijn overleden schoonvader, autoriseerde. In deze tijd woonde hij zelf aan de Leidsedwarsstraat in Amsterdam en was hij getrouwd met Adriaentje Uchtenbroeck, dochter van Pieter Jans Uchtenbroeck. Moninckx overleed in 1714 en werd op 20 mei 1714 begraven; hij stierf in zijn huis in de Noorderdwarsstraat, bij de Prinsengracht. Zijn echtgenote werd op 27 januari 1722 begraven.

Loopbaan[bewerken]

Hortus Medicus[bewerken]

In 1682 vatten Joan Huydecoper en Jan Commelin het plan op om een nieuwe Hortus Medicus in Amsterdam op te zetten. Deze Hortus Medicus zou in zoverre verschillen van die bij het Binnengasthuis dat er ook decoratieve planten getoond zouden worden en dat het daarnaast zou fungeren als een Hortus Botanicus. Huydecoper was burgemeester van Amsterdam en had grote invloed binnen de Vereenigde Oostindische Compagnie. Commelin was handelaar in kruiden en medicijnen. Beide mannen stonden bekend als enthousiaste en bekwame tuinierders.

Door hun contacten binnen de zakenwereld en hun praktische ervaring betreffende planten ontvingen zij een grote hoeveelheid zaden, planten, kruiden en stekken, die zij konden gaan cultiveren. Een en ander leidde tot het ontstaan van een van de grootste en rijkste plantencollecties in Europa. Planten die handelswaarde hadden, maar ook pootgroente en eetbare en medicinale planten, werden in de tuin gekweekt, ook voor herplant elders. Een voorbeeld was een koffieplant, die vreemd genoeg niet werd weergegeven in de Moninckx Atlas, maar die de basis vormde van de latere Braziliaanse koffie-industrie. Daarnaast werden veel sierplanten, met name vreemde en exotische exemplaren, gecultiveerd. Deze planten werden gekweekt voor hun curiositeitswaarde en veelal ook voor verder onderzoek.

Moninckx Atlas[bewerken]

Tussen 1686 en 1709 bestelden Huydecoper en Crommelin 420 grote aquarellen van planten, die groeiden in de Amsterdamse tuin. De tuin had geen herbarium en aldus zou de weergave van de planten in de vorm van tekeningen, de tuin een permanente waarde geven. Er werden vier kunstenaars ingeschakeld om dit grote project te voltooien. Het grootste gedeelte van het werk werd verricht door Moninckx; op 273 vellen stond zijn handtekening. Maria Moninckx, zijn dochter, maakte 101 tekeningen. De andere kunstenaars waren Alida Withoos (13 aquarellen) en Johanna Helena Herolt (dochter van Maria Sibylla Merian), die ieder 2 tekeningen maakten. Op 31 aquarellen stond geen handtekening. De tekeningen van de wapens van Huydecoper en Crommelin, getekend door Moninckx, werden gebruikt om deel 1 van het boekwerk te illustreren. In 1749 werd er een poging gedaan om de collectie uit te breiden. Dit negende deel bestond uit vijf aquarellen, een getekend door Dorothea Storm-Kreps en vier door Jan Matthias Cock.

Bij de tekeningen van planten in de eerste vijf delen en in een deel van het zesde deel stonden de namen in het Latijn en in het Nederlands. De Latijnse naam was dik en de Nederlandse in gotisch kalligrafisch schrift gedrukt. De Moninckx Atlas is nog steeds van grote taxonomische, historische en artistieke waarde. De aquarelllen hebben de basis gevormd voor de bijschriften in de Horti Medici Amstelodamensis rariorum plantarum historia, deel 1, geschreven door Jan Crommelin, verschenen in 1697 en deel 2, geschreven door zijn neef Caspar Crommelin, in 1701. De beroemde botanist Carolus Linnaeus baseerde zijn taxonomie van zijn Species plantarum van 1753 voor 259 soorten op de Moninckx Atlas. Niet lang geleden zijn de platen en de tekst digitaal gemaakt.[1]


Bronnen, noten en/of referenties