Jan Theodoor van Rijswijck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jan Theodoor van Rijswijck (Antwerpen, 8 juli 1811 - aldaar, 7 mei 1849) was een Vlaams schrijver, dichter, publicist, flamingant en grootneerlandist. Hij was medeoprichter van het Vlaamse dagblad Vlaemsch België, en de oom van de staatsman Jan Van Rijswijck.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en vroege loopbaan[bewerken]

Van Rijswijcks vader was een onderwijzer die zijn kinderen Vondel, Cats en andere dichters leerde. Zelf genoot Van Rijswijck enkel lager onderwijs en was hij achtereenvolgens beeldhouwer, sieraadschilder, hulponderwijzer en klerk.

Vrijwilliger[bewerken]

Bij de Omwenteling van 1830 werd hij vrijwilliger in het Belgische leger. Hij was bij de vluchtelingen naar Mechelen in de Tiendaagse Veldtocht. Daar werd hij teleurgesteld en keerde terug naar zijn geboortestad, waar hij opnieuw klerk werd bij een bank, terwijl hij zich met zijn pen verweerde tegen Walen en Franskiljons.

Dichter[bewerken]

Zodoende werd Van Rijswijck dichter, vooral politiek hekel- en volksdichter. Hij was begonnen met Ballade, 1843; daarbij uit de Geuzentijd: Weerwraak, Johan van Marnix, De Boschgeuzen, De Watergeuzen. Op 1 januari 1844 werd hij medeoprichter van het dagblad Vlaemsch België met J.A. de Laet en Hendrik Conscience[1]. Bekend werd hij door zijn Politieke Refereinen van 1844 tegen Walen en Franskiljons. Dat werd hem in de hogere kringen niet in dank afgenomen. Bemind werd hij door zijn Volksliedjes van 1846: de arme liereman van het arme Vlaamse volk:

"Luid de waerheid op te zingen
Met een vaderlandsch gevoel
Bleef op aerd mijn eenig doel."

Het Rijnlied (Rheinlied) van Nikolaus Becker, Sie sollen ihn nicht haben/den freien deutschen Rhein... (1840; een reactie op de nationalistische buitenlandse politiek van Frankrijk), dat in Vlaanderen bekend was, werd in 1841 door Van Rijswijck in het Nederlands vertaald. Later was deze eerste strofe een inspiratiebron voor de De Vlaamse Leeuw (sinds 1985 het officiële volkslied van de Vlaamse Gemeenschap), die Hippoliet Jan van Peene in 1847 schreef, beginnende met: Ze zullen hem niet temmen/de fiere Vlaamse Leeuw....[2]

Naast zijn flamingantisme toonde hij belangstelling voor het grootneerlandisme, waar hij over schreef:

"Hier en aan de overkant, daar en hier is Nederland."

Van Rijswijck gaf het Muzen-Album uit met Domien Sleeckx, 1843-'48, werkte mee aan het herstel van de Antwerpse rederijkerskamer 'De Olijftak', 1836 en dichtte een Afscheidsgroet bij de dood van Jan Frans Willems, 1846. Wegens zijn overtuigd flamingantisme geraakte hij in moeilijkheden. Hij bleef klerk en dichter tot hij door politieke vervolging, ellende en geestesoverspanning krankzinnig werd. Hij stierf in een Antwerps gesticht. Een standbeeld werd voor hem onthuld te Antwerpen in 1864. Zijn Volledige Werken werden in 1884 in drie delen met levensbericht uitgegeven door J. Staes.

Werken[bewerken]

  • Eigenaerdige verhalen (1837)
  • Gedicht aen mijne zuster (1838)
  • Het huwelijk (1839)
  • Eppenstein, een berymde legende (1840)
  • Antigonus, of de Volksklagten (1841)
  • Poëtische luimen (1842)
  • Dichterlyke bespiegeling op het Onze Vader (1842)
  • Rubens en Van Dijck, of de Reis naar Itaelje, eene Brabantsche volksvertelling (1842)
  • Bediedenis van den Antwerpschen Ommegang, aen hare Britsche Majesteit Koningin Victoria (1843)
  • Zaemenspraek tusschen Rubens en eenen burger deezer stad, ter gelegenheid der verplaetsing van het standbeeld op de Groenplaets, een gedicht voor het volk (1843)
  • Balladen (1843)
  • Hulde aen de nagedachtenis van Koning Willem den Eersten (1843)
  • Ode bij het openen van de yzeren spoorbaan tusschen Antwerpen en Keulen (1843)
  • Bij het beschouwen der beeldtenis van den weledel gestrengen heer D.H. baron Chassé, generael der infanterie (1844)
  • Tafereelen der zeven hoofdzonden (1844)
  • Een woord aen het volk over de voordragt door het ministerie gedaen ter uitvoering van het monopolium of alleen-handel in tabak (1844)
  • Politieke refreinen (1844)
  • Godgewyde gezangen (1844)
  • Drie volksliedjes (1844)
  • Karel de Stoute, Jacob van Artevelde, twee onbekroonde dichtstukken uit de prijskampen van Antwerpen en Gent (1845)
  • Volksliedjes (1846)
  • Volledige werken van Theodoor van Rijswijck (1849, eveneens uitgegeven in 1865, 1877 en 1884)

Nalatenschap[bewerken]

Sinds 28 augustus 1864 staat er in Antwerpen een standbeeld van Van Rijswijck, gemaakt door de beeldhouwer Léonard De Cuyper. Oorspronkelijk stond het beeld in het Antwerpse stadspark, maar twintig jaar later werd het naar het pleintje van de IJzerenwaag verplaatsd. Bij deze gelegenheid werd dit plein ook omgedoopt in de Theodoor Van Rijswijckplaats.

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

Verwijzingen

  1. Encarta - Encyclopedie (1993-2002) Vlaemsch België. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  2. Encarta - Encyclopedie (1993-2002) Vlaamse Leeuw, De. Microsoft Corporation/Het Spectrum.