Jan Verkade

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Verkade schilderend onder een boom, door Richard Roland Holst (1891).

Jan Verkade (Zaandam, 18 september 1868 - Beuron, 19 juli 1946) was een Nederlandse kunstschilder die rond de eeuwwisseling (19e naar 20e eeuw) schilderde in Parijs. Hij maakte deel uit van Les Nabis. Hij treedt in tot de kloosterorde in Beuron en verandert zijn naam in Willibrord Verkade.

Biografie[bewerken]

Jan Verkade en zijn tweelingbroer Eric brengen hun jeugd door in Zaandam. Hun vader was Ericus Gerhardus Verkade, oprichter van de bekende koek- en beschuitfabriek Verkade. In 1883 gaan zij naar de middelbare school in Zaandam, maar Jan interesseert zich eigenlijk alleen voor tekenen. Na toestemming van zijn vader verkregen te hebben vertrekt Jan in 1887 naar Amsterdam, naar de kunstacademie. Hier sluit hij een blijvende vriendschap met Roland Holst. Na twee jaar vertrekt hij van school, hij leert er tekenen, maar hij leert er niet hoe kunst tot stand komt. Hij gaat naar Hattem, in de leer bij zijn zwager Jan Voerman. In die periode besluit hij voor een studiereis naar Parijs te gaan.

In Parijs heeft hij contact met Meijer de Haan. Deze brengt hem op zijn beurt in contact met de Parijse avant-garde, met name Paul Gauguin en Paul Sérusier. Hij sluit vriendschap met Sérusier, die hem bij Les Nabis introduceert. Hij wordt de "Nabi obéliscal" genoemd, vanwege het feit dat hij nogal groot is.

In april 1891, nadat Gauguin naar Tahiti vertrokken is, gaat Jan samen met de Deen Mogens Ballin naar Pont-Aven in Bretagne. Het Bretonse landschap, zo anders dan het Nederlandse, imponeert hem en levert het onderwerp voor veel werk uit die tijd. Daarnaast probeert hij de boeren en hun eenvoud te vangen in zijn schilderijen, in een geïdealiseerd beeld van die levenswijze. Paul Sérusier komt ook naar Bretagne, zijn invloed is zichtbaar in het werk van Verkade in het ontbreken van complementaire kleuren, in het veel toepassen van kleurnuances.

Voor Jan Verkade waren religie en theosofie continu onderwerpen van gesprek. Hij komt in een eerste geestelijke crisis terecht, en na een korte poos in Pouldu (Bretagne), waar hij met name met Maxime Maufra en Charles Filiger omgaat, vertrekt hij voor een tijdje terug naar huis, naar Holland. In maart 1892 keert hij terug naar Parijs en neemt weer volop deel aan het leven en de wereld van Les Nabis. Maar het blijft knagen, zijn geestelijke onrust brengt hem steeds weer naar de kerk, naar het lezen over het leven van St. Augustinus en de navolging van Christus. Hij gaat weer naar Bretagne, naar Saint-Nolff, vlak bij Vannes. Ballin komt weer bij hem wonen en werken. Beiden zijn ze bezig met het zoeken naar de ziel van hun werk, ze testen elkaar in hun geestelijke zoektochten. Jan heeft veel gesprekken met de jezuïet Mathurin Le Texier die hem over de laatste drempels heen help. In het geheim, zonder dat Ballin het weet, laat hij zich op 26 augustus dopen. Ballin wil ook een dergelijke keuze maken en overtuigt Verkade dat deze met hem mee moet naar Florence, naar het franciscaner klooster van Fiesole. Jan Verkade raakt geheel en al in de ban van Franciscus van Assisi, van zijn vrome en eenvoudige leven. Er van overtuigd dat een diepe geloofsovertuiging nodig is om echte kunst te kunnen maken, zoekt Verkade naar een religieuze groep waar hij zich bij aan kan sluiten.

In 1893 gaat hij naar het benedictijner klooster in Beuron, Baden-Württemberg, Duitsland. Pater Desiderius Lenz heeft daar een groep van schilders verzameld (Carl Gresnicht, Paul Krebs e.a.). Geïnspireerd door de Gregoriaanse kerkmuziek en door meetkundige vergelijkingen probeert hij een nieuwe religieuze kunst te ontwerpen. Verkade is sterk onder de indruk. Verkade maakt een reis, eerst naar zijn familie en vervolgens naar Kopenhagen, naar Ballin. In 1894 is in Kopenhagen de eerste solo-tentoonstelling van Verkade. Maar Verkade keert terug naar Beuron. In het voorjaar van 1894 wordt hij toegelaten tot de kloosterorde en in 1897 wordt hij novice. Zijn naam verandert in Willibrord Verkade, in 1902 wordt hij gewijd in de orde.
Helaas blijkt zijn creatieve geest niet echt in overeenstemming te brengen met de strikte wetten van de school van Beuron. In 1903 wordt hij naar Monte Cassino gestuurd om schilderingen, zoals door Lenz opgezet, te realiseren voor de 1400e verjaardag van de geboorte van Sint Benedictus. De kilte van de ontwerpen bevalt hem niet, en hij brengt er meer natuur, grijpt meer terug naar zijn Nabis-wortels. De tekeningen die in die tijd ontstonden stelde hij in 1905/1906 in Amsterdam tentoon, tegelijkertijd organiseerde hij overigens de bijdrage van Beuron aan de tentoonstelling voor religieuze kunst in Wenen. Ondanks meerdere reizen in die tijd, maakt een steeds grotere onrust zich van hem meester.

Verkade zag in dat de kunst van Beuron niet bij hem paste en verzocht of hij zelfstandig aan het werk kon. De abt stuurde hem naar München, maar daar ontdekte Jan dat hij zijn oude talenten niet meer terug kon vinden.

In 1909 werd Verkade naar Jeruzalem gestuurd, waar hij de Kapittelzaal van het Klooster van de Maria Hemelvaart moest schilderen. Zijn werk werd niet geapprecieerd, het werd zelfs overgekalkt. Toch moest hij tot 1913 in Palestina blijven. Teruggekeerd in Europa was de kunst door de opkomst van het expressionisme veranderd, zijn werk stond daar nu los van.

Hij probeerde nog jarenlang zijn inspiratie en bevlogenheid terug te vinden. Maar in de Eerste Wereldoorlog eisten zijn taken als monnik steeds meer van zijn aandacht, en steeds minder tijd besteedde hij aan de kunst. In 1917 schreef hij het eerste deel van zijn autobiografie: Van ongebondenheid en heilige banden.

Werk van Verkade is met name in musea in Frankrijk en Zweden te vinden, wandschilderingen zijn nog te vinden in Aichhalden, Heiligenbronn en in Wenen.

Verkade stierf in 1946 in het klooster in Beuron.

Verdere informatie[bewerken]

  • CAROLINE BOYLE-TURNER; Jan Verkade, Hollandse volgeling van Gauguin; Zwolle, Waanders. 1989.
  • ADOLF SMITMANS et.al: P. Willibrord Jan Verkade - Künstler und Mönch. Beuron: Beuroner Kunstverlag 2007