Jan van Elseracq

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Desjima

Johan van Elseracq of Elzerach was Opperhoofd in Desjima tussen 1 november 1641 en 28 oktober 1642. Vervolgens was hij Raad van Justitie in Batavia en van 8 september 1643 tot 14 november 1644 opnieuw opperhoofd. Hij heeft in totaal acht jaar op het eiland gewoond, waarschijnlijk eerst als onder- en opperkoopman.

Vanaf 1641 waren ongeveer twintig Nederlanders op het eiland woonachtig: vier opperkooplieden, een koopman, drie onderkooplieden, een chirurg, Jan van Riebeeck, een aantal assistenten en jongens in opleiding.[1] Hij had de plicht de keizer in Edo te bezoeken en Spaanse of Portugese schepen aan te vallen. Een diplomatieke oplossing van de Nambu-affaire was een van de zaken waar hij zich moest bekommeren. Hij kreeg te maken met de nieuwe beperkende voorwaarden. De datum van zijn vertrek en bezoek aan de keizer was bepaald volgens de Japanse kalender.

Elseracq en Pieter Anthoniesz. Overtwater, het vorige opperhoofd dat nog niet vertrokken was, reisden naar de shogun Tokugawa Iemitsu, waar nog steeds tien Nederlanders gevangen zaten. In Edo mochten ze niemand spreken of bezoeken. Het logement leek wel een gevangenis.

Edo, 1865 or 1866. Photochrom print. Five albumen prints joined to form a panorama. Photographer: Felice Beato

Elseracq werd ondervraagt op het kasteel en had een persoonlijk onderhoud met de keizer. Als hij een ander verhaal vertelde dan de tien Nederlanders zouden ze vermoord worden en was het met de handel op Japan afgelopen. Hij verzweeg dat ze op zoek waren naar de Goud- en Zilvereilanden en verklaarde dat de expeditie van de Breskens was bedoeld om de handel op Tartarije uit te breiden.

Kaart van Tartaria door Nicolaes Witsen uit 1705

De Japanners zagen hun vergissing in en draaiden bij. Er werden nieuwe regels opgesteld, de Nederlanders mochten opnieuw blijven, maar kanonnen afschieten voor de kust zonder zich te identificeren was er niet bij. Als de Nederlanders ooit ergens zouden vernemen dat er katholieken naar Japan werden gestuurd, moesten ze dat melden.[2] De Japanners waren tevreden dat de Republiek weer tot de tegenstanders van Portugal behoorde.[3]

Op 24 december 1643 mochten alle Nederlanders vertrekken, zodat ze konden bewijzen dat ze die dag anders doorbrachten dan de katholieken. Tot hun verbazing was er een nieuwe eis door de shogun toegevoegd. Als er ergens op de Japanse kust een Nederlands schip aankwam, moest het opperhoofd naar Edo reizen om te melden wie dat waren en wat hun doel was. Elseracq zegde toe dat hij zijn best zou doen om een gezant te sturen, die officiële excuses zou aanbieden. Toen gingen de stoet op reis en Oud en Nieuw werd doorgebracht bij geisha's. Negen maanden later vertrokken Schaep en zijn mannen naar Batavia, die een brief bij zich hadden waarin dat de Japanners de Nederlanders nu goed hadden kunnen bestuderen en dat het in hun voordeel zou zijn.

Op 18 januari 1645 werd hij admiraal van de retourvloot.

Externe link[bewerken]

  • Hesselink, R.H. (2000) Gevangenen uit Nambu. Een waar geschied verhaal over de VOC in Japan. Google books
Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.hi.u-tokyo.ac.jp/tokushu/kaigai/Diaries/Home.html
  2. In die jaren maakten Europese heersers onderscheid tussen christelijke en heidense volken. Heidenen waren voorwerp van bekering, zo nodig met het zwaard.
  3. Tot 1640 was Portugal in personele unie verenigd met Spanje. Tijdens de Portugese Restauratieoorlog ondersteunde de Republiek Portugals onafhankelijkheidsstrijd en men poogde met de nieuwe bondgenoten in Nederlands Brazilië tot een modus vivendi te komen. In 1641 sloot Johan Maurits van Nassau-Siegen een verdrag met de Portugezen. Maar dat zou niet lang stand houden.
Voorganger:
Maximiliaan le Maire
Opperhoofd in Dejima
1641-1642
Opvolger:
Pieter Anthoniesz. Overtwater
Voorganger:
Pieter Anthoniesz. Overtwater
Opperhoofd in Dejima
1643-1644
Opvolger:
Pieter Anthoniesz. Overtwater