Jan van Gilse (componist)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Jan Pieter Hendrik van Gilse (Rotterdam, 11 mei 1881Oegstgeest, 8 september 1944) was een Nederlands componist en dirigent. Hij componeerde onder andere vier symfonieën en twee opera's, waaronder Thijl. Tot 1922 was hij dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest. Hij nam het initiatief tot het oprichten van de Vereniging Buma, de Nederlandse auteursrechtenorganisatie voor muziek.[1]

Inhoud

[bewerken] Eerste jaren

Jan van Gilse was de zoon van journalist en politicus Jan Albert van Gilse. Hij studeerde in Keulen en Berlijn en was leerling van onder andere Engelbert Humperdinck en Franz Wüllner.

In 1901 verwierf Van Gilse een prijs van het Beethovenhaus in Bonn voor zijn eerste symfonie; Sinfonie in F Dur. In 1909 werd hem de Michael-Beer-Preis voor zijn derde symfonie 'Erhebung' (voor orkest met sopraansolo) toegekend. Dit stelde hem in staat om enkele jaren in Rome te studeren.

In februari 1911 was hij één van de oprichters van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo). Hierdoor werd het mogelijk de rechten van componisten te kunnen verdedigen en ook vergoedingen uit te keren die aan de componisten ten deel kwamen. In 1913 richtte hij mede het Bureau voor Muzikale Auteursrechten (BUMA) op.

[bewerken] Utrecht

Hij dirigeerde eerst in Duitsland en was van 1917 tot 1922 dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO).

Hij had succes bij het Utrechtse publiek, maar trad af wegens een conflict met het bestuur. Het conflict ging over de vraag van Van Gilse om de componist en muziekcriticus Willem Pijper – die in het Utrechts Dagblad Van Gilses inspanningen voor het Utrechtse concertleven 'fnuikend voor het muziekleven' noemde – de toegang tot de concerten te ontzeggen. De toon van Pijpers recensies was altijd zeer onaangenaam jegens Van Gilse, die dit conflict niet kon winnen. Hij gooide, moegestreden en overspannen, in 1922 het bijltje erbij neer.

De diepere achtergrond was een langdurig meningsverschil over de bespeling van de Utrechtse concertzaal Tivoli. Van Gilse verweet het USO-bestuur een belangentegenstelling, omdat het tegelijk de zeggenschap had over de zaal (in de rol van verhuurder) en het orkest (als huurder). Willem Pijper had hierin ondubbelzinnig de kant van het bestuur gekozen. Daarnaast ontstond er in 1918 een heftige persoonlijke vete tussen Van Gilse en Pijper, die elkaar eerst wel hadden kunnen waarderen. De Frans-georiënteerde Pijper verweet Van Gilse een te Duitse gezindheid op muziekgebied. Pijpers Eerste symfonie zou door het USO worden uitgevoerd, maar in plaats daarvan gunde hij de première aan het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg.

Acht jaar later, toen hij het gevoel had enige afstand van de hele kwestie genomen te hebben, zette Van Gilse de geschiedenis van zijn Utrechtse periode op papier. Hij ging in dit autobiografisch geschrift niet over één nacht ijs: het voltooide relaas telt circa 350.000 woorden. Hij nam evenmin een blad voor de mond. Van Gilse wilde het boek uitgeven, maar dat werd hem sterk afgeraden. Het boek verscheen uiteindelijk in geredigeerde vorm in 2003. Veertig jaar eerder al had zijn weduwe Ada van Gilse-Hooijer in een boek Pijper contra Van Gilse haar visie op de zaak gegeven.

[bewerken] Laatste jaren

Na zijn Utrechtse periode verbleef Van Gilse weer in Duitsland, maar met het aan de macht komen van Hitler verliet hij dat land in 1933. Hij speelde in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog. Nadat hij zich anti-nazistisch had uitgelaten dreigde de bezetter hem met gevangenschap. Kort voor een Duitse inval op zijn woning in februari 1942 in Amsterdam, moest hij onderduiken. Met zijn vrouw Ada vluchtte hij van het ene naar het andere onderduikadres. Op 1 oktober 1943 executeerde de bezetter zijn jongste zoon Maarten van Gilse en op 28 maart 1944 zijn oudste zoon Janrik van Gilse , eveneens fanatieke verzetsstrijders. Op zijn laatste onderduikadres, bij collega-componist Rudolf Escher in Oegstgeest, werd Jan van Gilse ernstig ziek. Na een ziekbed van enkele maanden stierf hij op 8 september 1944. Hij was dus uit handen van de bezetter gebleven; ter bescherming van zijn nabestaanden werd hij onder een valse naam begraven.

[bewerken] Jan van Gilse als componist

Zijn stijl is verwant aan die van de Duitse late romantiek, behoudens enkele modernismen in de latere werken. Met name aan de voorbeelden van zijn leermeester Humperdinck, Richard Strauss en Gustav Mahler heeft zijn stijl veel te danken. In zijn kamermuziek toont hij ook enige invloed van Johannes Brahms.

[bewerken] Composities

[bewerken] Symfonieën

  • Symfonie nr. 1 in F (1900-01)
  • Symfonie nr. 2 in Es (1902-03, gereviseerd in 1928)
  • Symfonie nr. 3 in D 'Erhebung', voor sopraan en orkest (1906-07)
  • Symfonie nr. 4 in A (1915)

[bewerken] Overige werken

[bewerken] Opnamen

Van Van Gilses werk zijn weinig opnamen bekend. Opnamen van de Treurmuziek uit zijn opera Thijl en van zijn Gitanjali-liederen door het Residentie Orkest kregen lovende kritieken. Van de complete Thijl is ooit een radio-opname gemaakt die nooit in de handel is gebracht.

[bewerken] Literatuur

  • Ada van Gilse-Hooijer: Pijper contra Van Gilse. Een rumoerige periode uit het Utrechtse muziekleven. Utrecht, A.W. Bruna en Zn., 1963. 398 pp. (zonder ISBN)
  • Wouter Paap: Muziekleven in Utrecht tussen de beide wereldoorlogen. Utrecht-Antwerpen, Het Spectrum, 1972. 112 pp. ISBN 90-274-81857
  • Leo Samama: Zeventig jaar Nederlandse muziek 1915 - 1985. Voorspel tot een nieuwe dag. Querido, Amsterdam, 1986. 323 pp. ISBN 90 214 8050 6
  • Hans van Dijk: Jan van Gilse, strijder en idealist. Een bijdrage tot de kennis van de Nederlandse muziekgeschiedenis in de periode 1900-1944. Buren, Frits Knuf, 1988. ISBN 90-6027-537-3
  • Hans van Dijk (red.): Memoires Jan van Gilse, 1917-1922. Zutphen, Walburg Pers, 2003. 635 pp. ISBN 90-5730-225-X
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken
in andere talen