Japanse aanval op de Behar en moord op de bemanning

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Japanse aanval op de Behar en moord op de bemanning
Onderdeel van de verovering van Nederlands-Indië door Japan
De Tone, waarop de moordpartij plaatsvond
De Tone, waarop de moordpartij plaatsvond
Datum 1944
Locatie Indische Oceaan
Resultaat Japanse overwinning
Strijdende partijen
Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Commandanten
Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Viceadmiraal Naomasa Sakonju
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Troepensterkte
Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Drie zware kruisers
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Verliezen
Geen Tijdens de aanval op een koopvaardijschip werden drie personen gedood, nadien werden 72 opvarenden vermoord
Portaal  Portaalicoon   Marine

De Japanse aanval op de Behar en moord op de bemanning was de aanval op het Britse koopvaardijschip Behar door Japanners en de daaropvolgende moord op 72 passagiers en bemanningsleden in maart 1944.

In maart 1944 viel een Japanse strijdmacht van zware kruisers diverse geallieerde schepen in de Indische Oceaan aan. De Japanse kruisers verlieten het door Japan bezette gebied op 1 maart, onder dekking van andere Japanse schepen en vliegtuigen. Op 9 maart vielen zij het Britse stoomschip Behar aan en brachten dit tot zinken, waarna meer dan 100 drenkelingen werden opgepikt. Omdat de Japanners vreesden gezien te worden keerden zij naar Nederlands-Indië terug, waar zij op 16 maart aankwamen. Twee dagen later werd het grootste gedeelte van de bemanning en passagiers van de Behar aan boord van de Tone vermoord. Na de oorlog werd viceadmiraal Naomasa Sakonju, die opdracht tot deze oorlogsmisdaad had gegeven, terechtgesteld. De kapitein van de Tone werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenschap.

Geschiedenis[bewerken]

Begin van de strijd[bewerken]

De Japanse vloot veranderde in februari 1944 van basis en verhuisde van Truk, centraal gelegen in de Grote Oceaan, naar Palau en Singapore. De aankomst van een grote Japanse marinemacht voor Singapore verontrustte de geallieerden, omdat men bang was dat deze schepen aanvallen zouden gaan doen op schepen in de Indische Oceaan en tegen West-Australië.[1] In antwoord op de komst van de Japanse schepen versterkten de geallieerden hun lucht- en zeemachtkrachten door twee Britse lichte kruisers vanuit de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee hierheen te roepen, alsmede verschillende oorlogsschepen van de United States Navy, afkomstig uit het gebied van de Grote Oceaan. Het aantal eenheden te Ceylon en de Golf van Bengalen werd opgeschroefd.[2] Admiraal James Somerville, commandant van de Britse Eastern Fleet, vreesde dat de Japanners de verschrikkelijke strijd van 1942 zouden herhalen en vroeg op 25 februari toestemming om zijn vloot terug te trekken op de basis te Trincomalee, zodat men niet door de Japanners zou worden aangevallen. De admiraliteit wees dit verzoek af en gaf het bevel dat de vloot, tenzij men direct bedreigd werd door een overmachtige Japanse vloot, te Trincomalee moest blijven. Dit omdat terugtrekken het moreel en het prestige van de Britten in de regio zou aantasten. Er werd wel aangegeven dat de Eastern Fleet zich niet in gevechten behoefde te mengen met sterkere Japanse krachten, zulks ter beoordeling door Somerville.[3]

Eind februari gaf viceadmiraal Shiro Takasu, opperbevelhebber van het zuidwestelijke gebied, de zware kruisers Aoba, Chikuma en de Tone bevel de geallieerde schepen op de route tussen Aden en Fremantle aan te vallen. Deze macht stond onder commando van viceadmiraal Naomasa Sakonju, die zich aan boord van de Aoba bevond. In de instructies aan Sakonju had Takasu aagegeven dat indien de macht geallieerden krijgsgevangen zou maken, alle gevangenen (met uitzondering van radio- en andere personeel, waarvan men dacht enig nut te hebben) geëxecuteerd moesten worden.[3] Sakonju stelde verder geen vragen. De Japanse kruisers hadden speciale faciliteiten aan boord voor deze operatie, omdat men hoopte ook handelsschepen te kunnen enteren aangezien de Japanners daaraan een tekort hadden.[4]

De aanval[bewerken]

Viceadmiraal Naomasa Sakonju

De drie zware Japanse kruisers vertrokken op 27 februari van de ankerplaats op de Lingga-archipel.[5] De lichte kruisers Kinu en Oi en vijf torpedobootjagers begeleidden de vloot op 1 maart door Straat Soenda; er vlogen 10 bommenwerpers mee en drie of vier watervliegtuigen, die hun basis op Sumatra en West-Java hadden, en patrouilles uitvoerden in de richting van Ceylon. Drie of vier onderzeeboten van de achtste vloot observeerden de geallieerde zeebewegingen bij Ceylon, de Maladiven en de Chagosarchipel.[3] De geallieerden bemerkten het vertrek van de Japanse strijdmacht niet, maar de geallieerde leiding besloot op 6 maart, nadat men hoorde dat een Amerikaanse onderzeeboot de Kinu en de Oi had opgemerkt, die in Straat Lombok voeren, troepen naar West-Australië te sturen. De aanwezigheid van deze schepen was een aanwijzing dat er een vijandelijke aanval naderde in de Indische Oceaan.[6] Op 8 maart beval Somerville alle geallieerde schepen die tussen 80 en 100 graden oost voeren, naar het zuiden of westen te gaan. Nadat Straat Soenda was verlaten koersten de Japanse zware kruisers naat het zuidwesten, om de belangrijkste route tussen Aden en Fremantle te volgen. De schepen voeren met een snelheid van 50 kilometer per uur overdag en 20 kilometer per uur 's nachts en hielden radiostilte.[7] In de ochtend van 9 maart kwamen ze het Britse koopvaardijschip Behar tegen, ongeveer tussen Fremantle en Colombo. Dit schip voer van Fremantle naar Bombay, als deel van een reis tussen Newcastle en Engeland en had een lading zink aan boord.[8]

Op het moment dat de Behar de Japanse schepen zag naderen gaf de kapitein, Maurice Symonds, het bevel dat de radio de code "RRR" zou uitzenden, als een waarschuwing voor andere schepen en de geallieerde basis dat het schip werd aangevallen. De Tone ving deze signalen op en de kruiser opende het vuur op de Behar.[9] De Japanse kruiser deed geen moeite om de Behar te behouden omdat het te gevaarlijk was om haar naar Japans territorium te varen.[7] De artillerie van de Tone beschoot de Behar, waarbij drie bemanningsleden gedood werden. Vijf minuten na de beschieting verlieten de bemanningsleden en passagiers het schip en kort daarop zonk de Behar. 104 à 108 overlevenden werden aan boord genomen van de Tone.[10][11] De overlevenden van de Behar werden zeer slecht behandeld door de bemanningsleden van de Tone. Zij moesten al hun persoonlijke bezittingen die waarde hadden afgeven en ze werden met touw in pijnlijke houdingen vastgebonden, waardoor zij moeite met ademhalen kregen. De kapitein werd zeer ernstig geslagen nadat hij klaagde over de manier waarop burgers werden behandeld. Alleen bij de vrouwelijke passagiers werden later de touwen verwijderd. Toen de drenkelingen uiteindelijk naar het benedendek waren gebracht werden zij nogmaals op pijnlijke wijze door de Japanse zeelieden onder handen genomen.[12] Na de aanval oordeelde Sakonju dat het te gevaarlijk was om de aanval verder door te voeren omdat de seinen van de Behar intussen de geallieerden gewaarschuwd zouden kunnen hebben. Daarop keerde men terug.[13] De zware kruisers werden opnieuw door Straat Soenda geëscorteerd door de Kinu, de Oi en vijf torpedobootjagers en arriveerden op 15 maart in Nederlands-Indië.[3][5] Tijdens deze reis waren de overlevenden van de Behar opgesloten in een kleine en heel erg warme kamer aan boord van de Tone. Zij kregen weinig tot geen water of voedsel, en er waren geen sanitaire voorzieningen of mogelijkheden tot beweging.[14]

De geallieerden waren niet direct op de hoogte van de aanval op de de Behar. Haar noodsignalen waren slechts door één geallieerd handelsschip opgepikt, dat deze signalen niet rapporteerde voordat het op 17 maart in Fremantle was aangekomen. In de tussentijd besloot Somerville op 16 maart dat de vijand niet langer een gevaar was voor de scheepsvaart in de Indische Oceaan en stond toe dat geallieerde schepen weer hun gewone vaarroutes zouden volgen.[7]

Moordpartij[bewerken]

De Tone werd in 1945 door de geallieerden tot zinken gebracht

Kort nadat de overlevenden van de Behar uit zee waren gered zond Sakonju een boodschap aan de commandant van de Tone, kapitein Haruo Mayuzumi, waarin hij hem het verwijt maakte dat deze de Behar niet behouden had en dat hij onbelangrijke personen tot krijgsgevangenen had gemaakt. In deze boodschap gaf Sakonju het bevel dat de overlevenden moesten worden gedood. Mayuzumi voelde daar niet veel voor omdat hij dacht dat dit tegen het christelijke geloof was. Zijn superieur, commandant Junsuke Mii, was ook geen voorstander van een moordpartij. Mayuzumi zond een verzoek aan Sakonju om de gevangenen aan land te zetten, maar dit verzoek werd afgewezen. De kapitein bezocht toen de Aoba om zijn verzoek kracht bij te zetten maar Sakonju bleef weigeren en beval Mayuzumi zijn orders te gehoorzamen. Ondanks zijn bedenkingen besloot deze toen de gevangenen om te brengen.[14] Op 15 maart ankerden de drie zware kruisers te Tandjong Priok waar ongeveer 15 van de overlevenden werden overgebracht naar de Aoba.[13][14] Onder hen waren Symonds, kapitein van de Behar en verschillende officieren alsmede de twee vrouwelijke passagiers.[14] Zij werden te Tandjong Priok aan land gezet.[15] De drie kruisers voeren vervolgens, op 18 maart, van Tandjong Priok naar Singapore.[5] Die nacht werden alle gevangenen aan boord van de Tone onthoofd door de officieren van de Tone.[13][16] Mayuzumi keek bij deze slachting vanaf de brug toe en Mii weigerde om er deel aan te nemen.[16]

De Aoba, Chikuma en de Tone kwamen de 25e te Singapore aan.[5] Deze actie was de laatste van dit soort tijdens de Tweede Wereldoorlog.[6] Hierdoor was de Behar het laatste geallieerde handelsschip dat zonk door dit soort acties.[17] Het gedeelte van de bemanning dat bij Tandjong Priok aan land was gezet, werd eerst geïnterneerd in krijgsgevangenenkampen op Java; de mannelijke gevangenen werden naar een kamp bij Batavia gestuurd en de vrouwen naar een daar vlakbij gelegen vrouwenkamp. Nadat alle leden van de groep waren ondervraagd werden zij gescheiden en naar andere kampen op Java of als dwangarbeiders naar Japan gestuurd. Allen werden aan het einde van de oorlog, in augustus 1945, bevrijd.[15] Na de oorlog vervolgden de geallieerden de officieren die verantwoordelijk waren geweest voor de moordpartij aan boord van de Tone. Viceadmiraal Takasu was in september 1944 overleden aan een ziekte maar Sakonju werd te Hongkong in 1947 berecht en tot de doodstraf veroordeeld. Mayazumo werd eveneens veroordeeld voor de moorden en voor zeven jaar naar de gevangenis gestuurd.[6]

Externe link[bewerken]

Bronnen
Referenties
  1. Odgers (1968), pp. 134–135
  2. Gill (1968), p. 387
  3. a b c d Gill (1968), p. 388
  4. Royal Navy Historical Section (1957), pp. 183–184
  5. a b c d Hackett, Bob; Kingsepp, Sander. HIJMS Aoba: Tabular Record of Movement. Combinedfleet.com (2007) Geraadpleegd op 28 June 2009
  6. a b c Gill (1968), p. 390
  7. a b c Royal Navy Historical Section (1957), p. 184
  8. Weaver (2000), p. 12
  9. Lamont-Brown (2002), pp. 110–111
  10. Gill (1968), pp. 388–389
  11. Lamont-Brown (2002), p. 111
  12. Lamont-Brown (2002), pp. 111–112
  13. a b c Gill (1968), p. 389
  14. a b c d Lamont-Brown (2002), p. 112
  15. a b Lamont-Brown (2002), p. 114
  16. a b Lamont-Brown (2002), pp. 112–114
  17. Roskill (1960), p. 351