Japanse helleschepen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Japanse helleschepen (地獄船 of jigoku-sen)
Oryoku Maru.jpg
Oprichting 1942
Hoofdkantoor Japan
Actief in gebieden de zeeën rond Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog
Doelstelling zo veel mogelijk geallieerde krijgsgevangenen ombrengen
Methoden uithongering, verdroging, verstikking, executies

Japanse helleschepen of schepen uit de hel waren de schepen die de Japanse marine en het Japanse leger gebruikte om krijgsgevangenen en Aziatische dwangarbeiders (Romusha's)te vervoeren; deze schepen stonden bekend om de zeer slechte omstandigheden aan boord en de wrede manier waarop de bemanning krijgsgevangenen behandelde. Deze krijgsgevangenen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog vanaf de Indonesische archipel, de Filipijnen, Hong Kong en Singapore naar Birma, Siam, Sumatra, De Molukken, Japan, Formosa, Mantsjoerije of Korea vervoerd om aldaar gedwongen te werk gesteld te worden. In de Japanse taal stonden de schepen bekend als 地獄船 of jigoku-sen, wat eveneens schip uit de hel of helleschip betekent.

Geschiedenis[bewerken]

De term "schip uit de hel", "helleschip" of "hell ship" werd al eerder gebruikt, onder meer voor Duitse krijgsgevangenentransporten. Toen de torpedobootjager van de Royal Navy Cossack de Duitse tanker Altmark enterde in een Noors fjord op 16 februari 1940 (later bekend als het Altmark-incident) werden ongeveer 300 Engelsen, die afkomstig waren van schepen die door het het Duitse oorlogsschip Admiral Graf Spee tot zinken waren gebracht, vrijgelaten. De Altmark werd later in de Engelse kranten omschreven als "het helleschip van Hitler".[1][2]

Japanse helleschepen[bewerken]

Al in mei 1942, kort na de verovering van Nederlands-Indië begonnen de Japanners krijgsgevangenen over zee te transporteren. De gevangenen werden opeengepakt in vrachtschepen met weinig lucht, eten of water gedurende reizen die weken duurden. Veel gevangenen overleden aan verstikking, verhongering, uitdroging of dysenterie. Sommige krijgsgevangenen werden, door de hitte, het stof en het gebrek aan zuurstof, voedsel en water, krankzinnig en reageerden niet meer op hun omgeving. Deze schepen werden niet gemarkeerd door de vlag van het Rode Kruis, waardoor ze doelwit werden van geallieerde aanvallen van duikboten en vliegtuigen. Meer dan 20.000 geallieerde krijgsgevangenen overleden op zee; de meesten van hen sneuvelden wanneer het transportschip aangevallen werd door geallieerde duikboten en vliegtuigen. Hoewel het hoofdkwartier van de geallieerden vaak bekend was met het feit dat er zich krijgsgevangenen aan boord van de aan te vallen schepen bevonden, had het tot zinken brengen van de schepen, op basis van de strategie, een hogere prioriteit dan het sparen van de levens van de krijgsgevangenen.[3]

Belangrijke helleschepen waren:

  • De Lisbon Maru, dat 2.000 Engelse krijgsgevangenen vanuit Hong Kong naar Japan vervoerde onder verschrikkelijke omstandigheden. De Lisbon Maru werd op 1 oktober 1942 getorpedeerd door de Amerikaanse Grouper en zonk de volgende dag. Achthonderd krijgsgevangenen verloren het leven; velen werden neergeschoten of vermoord door de Japanse bewakers op het schip.
  • De Oryoko Maru, een 7.363 ton passagiersschip, dat de Japanners gebruikten om 1.620 overlevenden van de dodenmars van Bataan, Corregidor en andere gevechtsplaatsen te transporteren. Het schip verliet Manilla op 13 december 1944 en werd de daarop volgende twee dagen per ongeluk gebombardeerd en aangevallen door Amerikaanse vlieguigen. Omstreeks 270 man overleed aan boord van het schip; dat was door verdorsting of verstikking; anderen werden gedood tijdens de aanval of verdronken toen zij probeerden uit het zinkende schip te ontsnappen. Een kolonel schreef in zijn officiële rapport: Veel mannen werden krankzinnig en kropen in het stikdonker rond gewapend met messen, waarmee zij probeerden anderen te vermoorden om hun bloed te kunnen drinken. Anderen droegen flessen gevuld met urine, waarmee zij in het duister rondzwaaiden. Het ruim was zo overbevolkt en iedereen zo boven op elkaar gepakt dat de enige beweging die mogelijk was die over de lichamen van anderen was.[4] Een deel van de overlevenden werd later met de Enoura Maru en de Brazil Maru naar Moji getransporteerd. Aldaar waren de artsen ontzet door de aanblik van de krijgsgevangenen en probeerden hen naar de ernst van het geval te catalogiseren; de 110 meest ernstige gevallen werden naar een primitief militair ziekenhuis in Kokura gebracht, waar 73 personen vervolgens binnen een maand stierven. Vier andere groepen werden naar de Fukuoka-krijgsgevangenenkampen 1, 3, 4 en 17 gestuurd; van de 549 mannen die nog levend aan wal werden gebracht overleefden maar 372 de oorlog. Uiteindelijk werden ook enkele krijgsgevangenen naar een krijgsgevangenenkamp te Jinsen, Korea, gestuurd, waar ze lichte diensten kregen.[5]
  • De Shinyo Maru werd op 7 september 1944 aangevallen door de Amerikaanse onderzeeboot Paddle. Twee torpedo's raakten de boeg van het schip, dat zonk, waarbij enige honderden Amerikanen, Nederlanders en Filipijnse werkmannen omkwamen. Op hetzelfde moment openden de Japanse bewakers het vuur op de krijgsgevangenen die het schip probeerden te verlaten of die naar het nabij gelegen eiland Mindanao probeerden te zwemmen. Uiteindelijk werden 687 geallieerde gevangenen vermoord, 47 Japanners sneuvelden en maar 82 Amerikanen overleefden deze ramp.[6][7]
  • De Junyo Maru (5.065 ton, oud roestig schip) vertrok op 16-9-1944 met 2300 krijgsgevangenen uit Batavia (Tand­joeng Priok) richting Padang op de westkust van Sumatra, met eindbestemming de Sumatra-spoorweg (Midden-Sumatra). Deze groep krijgsgevangenen (bijna allemaal Neder­landers) bestond uit 1600 uit het 10e Bataljon-kamp en 700 uit het Kam­pong Makassar-kamp. Dit transport werd aange­duid als Java Party 23, het 23ste transport van krijgsgevangenen vanuit Java. Er waren tevens (ongeveer) 4200 Javaanse romusha's aan boord. Het totaal aantal gevan­genen, bij vertrek aan boord, bedroeg dus ongeveer 6500. Op 18-9-1944 werd het schip getroffen door twee torpedo's van HMS Tradewind, één in het voorschip en één in het achterschip, voor de westkust van Sumatra (15 zeemijlen uit de kust van Benkoelen). Na ongeveer 20 minu­ten zonk het schip. Hierbij verdronken 1626 krijgsgevangenen en onge­veer 4000 romusha’s, totaal ongeveer 5626 gevan­genen.In de uren (dagen) na de torpedering werden 674 krijgs­gevangenen en (ongeveer) 200 roumusha’s opgepikt door Japanse schepen, totaal (ongeveer) 874 gevangenen. Zij werden ondergebracht in de Gevangenis van Padang. De daarop volgende weken overleden hier nog eens 8 krijgs­gevan­genen.

[8] [9]

  • De Suez Maru (4.645 ton, vrachtschip met passagiers­accom­modatie) vertrok op 25-11-1943 met 548 krijgs­gevan­genen (411 Engelsen en 137 Nederlanders) uit Ambon met bestemming Soera­baja. De krijgsgevangenen waren allen zieken, afkomstig uit de werkkampen op de Molukken en Ambon; 20 van hen waren brancard-patiënten. Op 29-11-1943 werd het schip bij het eiland Kangean, ten oosten van Madoera, getorpedeed door USS Bonefish. Hierbij kwamen ongeveer de helft van de krijgsgevangenen om door verdrinking in de ruimen van het schip; de ca. 200 mannen die het schip wisten te verlaten werden allen door de Japanners gemitrailleerd. Er was geen enkele overlevende.[10]
  • De Maros Maru (600 ton, ook aangeduid als Haruyoshi Maru) vertrok op 17-9-1944 met ongeveer 500 krijgs­gevangenen (Engelsen en Nederlanders) uit Ambon naar Soerabaja. In verband met de vele geallieerde onderzeeërs in dit gebied werd een route gekozen langs de zuidkust van Celebes. Op 21-9-1944 bereikte het schip het eiland Moena (ten zui­den van Celebes): hier werden nog eens 150 man meege­nomen, die in het kamp Raha verbleven. Op 9-10-1944 werd Makassar bereikt: hier moest een motor­storing worden gerepareerd, die uiteindelijk 40 dagen duurde. Inmiddels verbleven de krijgsgevangenen aan boord onder erbarmelijke omstandigheden, onder andere door de hitte in de ruimen. Hier overleden 159 mannen (zij kregen een zeemans­graf in de haven van Makassar). Op 26-11-1944 kwam het schip met nog 327 krijgs­gevangenen aan in Soerabaja; zij werden per trein over­gebracht naar het kamp Kampong Makassar in Batavia (Meester Cornelis), aankomst 28-11-1944.[11]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Northern Mariner XI, No. 1 (January 2001), Bladzijde 54
  2. "The Rule of Law in International Affairs" (Brian Simpson 2003), page 215
  3. Michno, Gregory F. "Death on the Hellships: Prisoners at Sea in the Pacific War." US Naval Institute Press (June 2001.)
  4. John Toland, The Rising Sun: The Decline and Fall of the Japanese Empire 1936-1945, Random House, 1970, p. 601
  5. POW Diary of Capt. P.R.Cornwall, National Archive Mil. Hist.Div. File 99-2-30 Boek 6, en zijn brieven
  6. 船舶輸送艦における遭難部隊資料(陸軍) - IJA report about military transport ship losses in WW2
  7. http://www.microworks.net/pacific/personal/paddle.htm
  8. [1]
  9. Helleschip Junyo Maru
  10. [2]
  11. [3]

Kees Maaswinkel: Hell Ships naar Flores en de Molukken. 2012 documentaireKees Maaswinkel : Hell Ships naar Sumatra. 2012 documentaire