Jappenkampen in Nederlands-Indië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Jappenkamp)
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel gaat specifiek over jappenkampen in Nederlands-Indië. Zie ook Lijst van jappenkampen voor een overzicht van jappenkampen aldaar en elders in Azië.
Jappenkampen in Nederlands-Indië
JapanesePowCamps-WWII-front.jpg
Oprichting 1941
Actief in gebieden Onder meer in Azië en in Japan
Leider Japan
Doelstelling De geallieerde tegenstander onschadelijk maken
Methoden Opsluiten in kampen, dwangarbeid, disciplinaire strafmaatregelen

De benaming jappenkamp is de gebruikelijke Nederlandse benaming voor Japanse interneringskampen, dat wil zeggen plaatsen waar burgers of krijgsgevangen militairen gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) gedwongen waren te blijven op last en onder toezicht van het Japanse gezag. Nederlanders werden namelijk door de Japanse bezetter, als staatsburgers van landen waarmee Japan direct in oorlog was, beschouwd als 'vijandelijke buitenlanders'. De Japanse interneringskampen vallen niet te vergelijken met de Duitse vernietigingskampen in Europa. Zo waren de Japanse burgerkampen niet primair gericht op systematische vernietiging van hun gevangenen. Wel was er sprake van een harde en wrede behandeling van zowel burger- als krijgsgevangenen en een groot tekort aan voedsel.

Inleiding[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Japanse bezetting van Nederlands-Indië voor het hoofdartikel over dit onderwerp

Gedurende het verloop van de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië in 1942 door Japan bezet. De interneringskampen werden door het Japanse bezettingsleger gebruikt om Nederlanders en mensen van andere nationaliteiten, die nog in het land verbleven, te interneren. Er waren krijgsgevangenkampen voor militairen,[1][2] en kampen voor burgers.[3][4] Een volledig register van kampen wordt gegeven in Atlas van Nederlandse kampen.[5][6] De burgerkampen waren weer onderverdeeld in kampen voor mannen, vrouwen en kinderen en (oudere) jongens. Sommige vrouwen werden door Japanse soldaten tot prostitutie gedwongen; zij werden troostmeisjes genoemd.

De gevangenen werden over het algemeen slecht behandeld. Er was vaak weinig eten beschikbaar en men moest hard werken. Overtreders van de regels konden vaak rekenen op strenge straffen of martelingen. Naast deze kampen waren er ook werkkampen voor Indonesiërs (romoesja's) en kampen voor Indo-Europese jongeren.[7] Veel mannen (militairen, dienstplichtigen en romusha's, aangevuld met fysiek 'sterke' burgers) werden ingezet als dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg, de zogenaamde Dodenspoorlijn tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyauzayat in Myanmar (Birma), of aan de Pakanbaroe-spoorweg tussen Pekanbaru en Moeara op Midden-Sumatra. Ook werden de mannen als dwangarbeider ingezet voor het aanleggen van vliegvelden op Flores, op de Molukken[8] en het werk in mijnen of andere industrieën in Japan.

Jappenkampen versus Duitse concentratiekampen[bewerken]

Jappenkampen enerzijds en naziconcentratiekampen anderzijds onderscheidden zich onder meer op de volgende punten:

Vernedering en ontmenselijking
De nazi's streefden stelselmatig naar het vernederen en ontmenselijken van de bewoners van hun kampen door hen zoveel mogelijk persoonlijke kenmerken af te nemen: kleding, haar, naam, bezittingen. Het ontvangen of versturen van post of pakketten was vrijwel onmogelijk en ook was het ondenkbaar dat gezinsleden samen zouden leven. Vooral in het begin van de Jappenkampen was de naziaanpak niet aan de orde. De bewoners behielden in Jappenkampen hun haar, eigen kleding en persoonlijke spullen; gezinsleden (grootmoeders/moeders met jonge kinderen) leefden samen (mannen en vrouwen werden wel gescheiden). De gevangenen in Jappenkampen moesten hun eigen 'huishouding' voeren en kenden in de eerste periode van hun internering relatief grote bewegingsvrijheid binnen de kampen, wat in de naziopvatting ondenkbaar was.
Uitbuiting en onderdrukking
De nazikampen waren volledig gericht op economische uitbuiting en lichamelijke en geestelijke onderdrukking.
Vernietiging
De Japanners zorgden slecht voor hun gevangenen, maar er bestond voor zover bekend geen uitgangspunt zoals het door de nazi's aangehangen Vernichtung durch Arbeit, waarbij de gevangenen volledig uitgebuit moesten worden tot de dood erop volgde (vandaar dat de meest nazikampen, zowel de 'normale' kampen (zoals kamp Westerbork) als de vernietigingskampen, ook crematoria bezaten).
Straf
Plaatsing in een naziconcentratiekamp was vrijwel altijd een strafmaatregel (behalve bij de vernietigingskampen die tegen bepaalde bevolkingsgroepen gericht waren), terwijl internering tijdens de Japanse bezetting van Indonesië een maatregel van praktische aard was: de Nederlanders en hun aanhang moesten uit de maatschappij verdreven worden, zodat de Japanners die konden overnemen. Vanwege het strafelement hadden de nazikampen aanvankelijk een strenger regime. In de Jappenkampen volgden daarentegen zeer strenge straffen op volgens de Japanners onacceptabel gedrag, zoals niet diep genoeg buigen.

Een opvallend verschil was dat de Japanners van meet af aan geen enkel respect voor een mensenleven hadden, en al meteen in het begin van de bezetting en de inrichting van kampen overgingen tot ernstige en extreme oorlogsmisdaden, zoals het onthoofden van gevangenen vanwege triviale of juridisch onhoudbare redenen. Vanwege dit optreden zijn in Indonesië relatief veel meer bezetters na de oorlog berecht en geëxecuteerd dan in Nederland.

Krijgsgevangenen[bewerken]

Aantallen en categorieën[bewerken]

Krijgsgevangene in een fase van verhongering in het Kamp Batu Lintang

In de periode 1941-1942 sneuvelden 1.653 officieren en minderen van de Koninklijke Marine en 896 KNIL-militairen: in totaal: 2.549.[9] Met de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 verkeerden ongeveer 42.240 Nederlandse militairen (waaronder ook Indo-Europese en 'gelijkgestelde' Nederlandse militairen) in Japanse krijgsgevangenschap.[10][11] Het aantal inheemse beroepsmilitairen werd geschat op 24.000. Zij waren afkomstig uit Java (15.000), Menado (3000), Ambon (5000) en Timor (1000). Hiervan zijn naar schatting later in 1942 15.000 militairen weer vrijgelaten.[12] Een deel van hen nam daarna dienst in het Japanse leger als hulpsoldaat (heiho's).

Een aanzienlijk aantal, speciaal onder de Ambonezen, bleef echter in gevangenschap. De Indo-Europeanen bleven in de meeste gevallen samen met de Europeanen zonder een gemengde afkomst geïnterneerd. Een uitzondering hierop was een verzamelkamp in Tjimahi.[13] De meeste krijgsgevangenen bevonden zich tijdens de capitulatie in de provincies West-Java (zie bijvoorbeeld Tjimahi) en Oost-Java. Ook op Borneo, Sumatra, Celebes en de Oostelijke eilanden bevonden zich kampen. Een aanzienlijk deel van de krijgsgevangenen werd daarna in werkkampen elders in de Archipel of daarbuiten te werk gesteld. De leefomstandigheden in de meeste kampen waren zeer zwaar. Berucht was daarbij het optreden van de Japanse militaire politie (Kempeitai). De moeilijkste omstandigheden deden zich voor waar krijgsgevangenen steeds weer op transport werden gesteld naar nieuwe werkkampen (de zogenaamde "dodenmarsen") en op locaties waar de Japanse kampleiding zich liet gelden door wreedheid en onverschilligheid in de behandeling van gevangenen. Berucht zijn de dodenmarsen van het kamp Sandakan in Noord-Borneo. In de werkkampen werden gevangenen onder vaak onmenselijke omstandigheden tewerkgesteld. Japan heeft de Conventie van Genève van 1929 nooit geratificeerd en ook niet nageleefd. Aan het einde van de oorlog verkeerden veel krijgsgevangenen in een 'toestand van lichamelijke en geestelijke uitputting waaronder ook de sterkste nauwelijks nog enige weerstand konden opbrengen'[14] In totaal stierven 8.200 krijgsgevangenen (1 op de 5, of 20%) tijdens gevangenschap. Meer dan de helft (ongeveer 5600) kwam om bij dwangarbeid verricht aan de Birma spoorweg (3100 slachtoffers) en de Pakanbaroe-spoorweg op Sumatra (bijna 2500 slachtoffers onder de krijgsgevangenen, naast waarschijnlijk meer dan 9.000 slachtoffers onder de geïnterneerde romusha's). [15]

Krijgsgevangenkampen[bewerken]

Inleiding[bewerken]

Het totaal aantal krijgsgevangenen was omstreeks 42.000; daarbij waren er 37.000 van het Indische leger, 3.900 van de Koninklijke Marine en 1.500 zogenaamde stads- en landwachten. Deze werden ook wel landstorm genoemd. Deze militairen vormden ongeveer een derde deel van de Nederlandse mannen in Indië. In tegenstelling tot de situatie in Nederland (na de capitulatie voor Duitsland op 14 mei 1940) was er in Indië geen afwikkeling of afvloeiing geweest. Alle militairen werden zonder meer naar de kampen gezonden. Ook de commandanten mochten geen verslagen meer maken of officiële mededelingen doen. Het gevolg hiervan was dat er na de capitulatie van het Indische leger allerlei (veelal negatieve en verwarrende) geruchten de ronde gingen doen. Onderscheidende rangtekens moesten worden ingeleverd en diverse legeronderdelen raakten zozeer uit hun verband gerukt dat alle organieke structuur verloren ging. Voorraden waren in beslag genomen en kleding en schoeisel werd niet meer aangeleverd. Dit alles betekende dat de militairen ineens volslagen rechteloos waren geworden.[16]

Per kamp was in de meeste gevallen de hoogste in rang zijnde Nederlandse officier verantwoording schuldig aan de Japanse kampcommandant, veelal een kapitein of luitenant. De dagelijkse routinecontrole in de kampen gebeurde bijna altijd door onderofficieren en manschappen, waaronder zich vrijwel altijd Koreanen bevonden. Om indruk op de leiding te maken trad men vaak bij de geringste overtreding sadistisch op. De krijgsgevangenen werden over de gehele Nederlandse archipel verspreid en ver daarbuiten. Krijgsgevangenen met de rang van kolonel en hoger werden naar Formosa getransporteerd en vandaar naar Mantsoerije. Vanuit de basiskampen vertrokken groepen met diverse bestemmingen, maar "waarheen" wist niemand. Zodoende wist men uiteindelijk alleen nog maar waar zich de eigen groep bevond; van andere eenheden was niets bekend, slechts geruchten deden hieromtrent de ronde. Behalve Nederlanders zijn ook veel Engelse en Amerikaanse krijgsgevangenen, de laatsten vooral op de Filipijnen, in de kampen overleden.

Werkzaamheden en sancties[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Kempeitai voor het hoofdartikel over de verrichtingen van de Japanse kampbewakers, waarvan een groot deel lid was van de Kempeitai

De krijgsgevangenen werden gedwongen allerlei werkzaamheden te verrichten, zoals het aanleggen van vliegvelden, het construeren van wegen, spoorlijnen en bruggen, havenwerkzaamheden en diverse andere zaken. Deze slavenarbeid, vaak onder zeer slechte omstandigheden, in ruige en mensvijandige gebiedsdelen, was voor velen fataal. Dat was onder meer het geval bij de aanleg van spoorwegen op Sumatra, Birma en Siam, bij de vliegveldaanleg in het oosten van Nederlands-Indië en Singapore, bij het werk in de mijnen in Japan en bij vele andere werkzaamheden in Zuidoost-Azië. Sancties bestonden onder meer uit het opsluiten in een kooi, zonder dak, zodat men dagenlang blootgesteld was aan alle weersinvloeden, het urenlang op de appelplaats laten staan en soms zelfs dagenlang en ranselpartijen met de vuist, gelaarsde voet, de schede van het samoeraizwaard, de knuppel of de zweep. Ontsnappingspogingen werden meedogenloos bestraft en wel door middel van de doodstraf; de uitvoering hiervan geschiedde met de bajonet, door onthoofding of een enkele maal door een vuurpeloton.

1rightarrow blue.svg Zie ook Enno Erkelens voor een relaas van een krijgsgevangene over de behandeling door de Japanners

De Japanse premier Tojo had duidelijk gemaakt dat de Geneefse Bepalingen niet zouden worden nagekomen en dat de westerse krijgsgevangenen vooral vernederende arbeid dienden te verrichten en wel bij voorkeur in het zicht van de door de Japanners "bevrijde" volkeren. Vertegenwoordigers van het Rode Kruis en de neutrale mogendheid Zweden kregen geen kans daadwerkelijk controle uit te oefenen op de behandeling van krijgsgevangenen.

Verhongerende Amerikaanse krijgsgevangenen in een kamp op de Filipijnen

Transporten[bewerken]

De meeste verliezen aan levens van krijgsgevangenen kostten de transporten over zee. Ongeveer 90 procent van hen werd één of meerdere malen met dat soort vervoer geconfronteerd. De transporten vonden niet plaats op gemarkeerde schepen, dus zonder duidelijk Rode Kruis teken, die meevoeren in Japanse militaire konvooien. Aldus werden er schepen met vele krijgsgevangenen door de geallieerden getorpedeerd en gebombardeerd. De gevangenen zaten opgesloten in de ruimen en als ratten in de val tijdens zo'n aanval. Het grootste verlies aan levens van krijgsgevangenen kostte de torpedering van het Japanse vrachtschip de Junyo Maru in september 1944 in de Indische Oceaan, nabij Zuidoost-Sumatra, waarbij 5.600 mensen om het leven kwamen. In het algemeen kon worden gesteld dat er bij de krijgsgevangenen in de Japanse kampen drie keer meer slachtoffers vielen dan bij die in Duits gevangenschap in Europa.[17]

POW-nummers[bewerken]

Tussen 1 maart 1944 en 15 augustus 1945 (Japanse capitulatie) werden er ook POW (Prisoner-of-War-) nummers ingevoerd. De POW-nummers werden uitgegeven door het kamp waar men was geplaatst. Binnen elk van de drie Bunsho's liepen zij opeenvolgend door, beginnend bij 1 en eindigend met het maximale aantal geïnterneerden bij uitgifte van de laatste nummers. Als binnen een kamp (bijvoorbeeld kamp 4) alle nummers waren vergeven, nummerde men door in het volgende kamp (kamp 5) van de Bunsho. Deze nummers moesten ook op de correspondentie tussen kampbewoners onderling worden vermeld. Ook het kampnummer moest daarbij worden vermeld. Als een gevangene binnen een Bunsho naar een ander kamp verhuisde, behield hij of zij het kampnummer. Bij verhuizing naar een andere Bunsho (bijvoorbeeld van Bandung naar Muntilan) kreeg men echter een nieuw nummer toegewezen, waarbij de mensen binnen een transport opeenvolgend werden genummerd.

Burgers[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De Japanners streefden naar een gemeenschappelijke "Groot-Aziatische Welvaartssfeer" onder leiding van hun keizerrijk. Daartoe moesten de Aziatische volkeren ook geestelijk worden losgemaakt van de Westerse cultuur en dientengevolge dienden die "Westerse volkeren" uit de samenleving te worden verwijderd. Voor de Amerikanen gold dat tevens als represaillemaatregel; in de Verenigde Staten waren namelijk - na de aanval op Pearl Harbor - vele Japanners geïnterneerd (omstreeks 120.000). Allereerst werd begonnen met het gevangen zetten van alle vooraanstaande personen, daarna volgden de mannen, de vrouwen en kinderen. Dat gebeurde op Java het laatst, wellicht omdat het aantal daar zo groot was. Ook de burgerkampen mochten door het Rode Kruis en de "beschermende neutrale mogendheid" Zweden niet betreden worden. Tweemaal mocht het Rode Kruis pakketten sturen maar deze kwamen gehavend en deels geplunderd aan.

Naast de krijgsgevangenenkampen bestonden er burgerinterneringskampen, waar ca 70.000 Europeanen zonder een gemengde afkomst (zuivere blanken) en ca 30.000 Europeanen mét een gemengde afkomst (Indo-Europeanen, indo's) gevangen werden opgesloten. De eerste categorie werd ook wel aangeduid als "totok" en de tweede categorie als ""Belanda Indo" (zie Indische Nederlanders). De Europeanen zonder gemengde afkomst werden voor het grootste deel geïnterneerd. De meerderheid van de Indo-Europeanen (schattingen zijn er van 170.000 tot 280.000) kon buiten het kamp blijven. Naar schatting zijn op Java, waar ongeveer drie vierde van de totale Europese bevolking was gehuisvest, en ook het aantal Indo-Europeanen naar verhouding vele malen hoger was dan in de Buitengewesten, uiteindelijk 76.000 Europese burgers geïnterneerd geweest, waaronder ten minste 10.000 van Indo-Europese afkomst.[18] Schattingen voor de andere eilanden zijn: Sumatra: 12.000, Borneo: 500, Grote Oost: 3.900. De totale sterfte in de burger-interneringskampen wordt geschat op 16.000. Rekening houdend met de gemiddelde sterftecijfers onder normale omstandigheden, zouden met enig voorbehoud 13.500 burgers zijn omgekomen als direct of indirect gevolg van internering. Bij een geschat aantal van in totaal 110.000 burger-geïnterneerden komt dit neer op 13%; een gemiddelde van 1 op 8.[19]

Burgerkampen[bewerken]

In de burgerkampen was vaak een groot tekort aan voedsel, water en medicijnen.[3][20] Soms trachtte men in het geheim via handeldrijven aan de kedeks (bamboe omheiningen) met de bevolking van omringende dorpen aan extra voedsel te komen. Dit bilikken of kedekken, indien ontdekt, werd echter streng bestraft door de kampbewaking. Belangrijk onderdeel van het dagelijks menu was een pap van Asiameel, die in het kampjargon bubur atji (stijfselpap) werd genoemd. Latrines waren vaak verstopt waardoor besmettelijke ziektes zoals dysenterie vrij spel kregen en in de overvolle slaapvertrekken wemelde het van wandluizen, vliegen en ratten. Hongeroedeem, malaria en beriberi kwamen vaak voor. Zendingen van het Rode Kruis werden vaak eerst door de Japanners afgeroomd. Vooral aan het eind van de oorlog ging de gezondheidstoestand snel achteruit.

Geïnterneerden werden vaak op transport gezet, meestal in overvolle treinen, waar de temperatuur in de geblindeerde wagons tot grote hitte kon stijgen. In de kampen heerste een streng regiem. Overtredingen werden met stokslagen of uren in de zon staan zonder drinken bestraft. Er werd dagelijks appel gehouden om de gevangen te tellen. In de vrouwenkampen werd in 1944 het bevel uitgevaardigd dat alle jongens van 10 jaar en ouder moesten verhuizen naar een speciaal jongenskamp, vaak in een bestaand mannenkamp. Sporadisch mocht er een briefkaart in het Maleis in de vorm van standaardzinnen, aangevuld met eigen woordjes, worden geschreven.

Burgerkampen op Java[bewerken]

Vrouwen en kinderen wassen zich in het vrouwenkamp Kampong Makassar in Meester Cornelis (Batavia) na de capitulatie van Japan

Burger-geïnterneerden in kampen op Java werden vanaf 1 maart 1944 onder centraal militair bestuur geplaatst. Vóór die datum vielen zij onder direct legerbeheer. De kampen op Java werden onder drie gewestelijke hoofdkantoren geplaatst, ook wel Bunsho's genoemd, waaronder onderdistricten of Bushenko's. Binnen elke Bunsho werden de kampen doorlopend genummerd.[21] Dit waren:

  • Bunsho I: Batavia en omstreken (Bushenko's: Batavia-1, Batavia-2, Tangerang en Buitenzorg, totaal 9 kampen).
  • Bunsho II: overig West-Java (Bushenko's: Bandung en Tjimahi, totaal 6 kampen)
  • Bunsho III: Midden- en Oost-Java (Bushenko's: Semarang, Ambarawa/Banjoebiroe, Solo en Muntilan, totaal 13 kampen)

Burgerkampen op Sumatra[bewerken]

Op Sumatra waren in het noorden enkele kampen.

Correspondentie[bewerken]

Op de correspondentie (briefkaarten van de kamppost) tussen geïnterneerden werd de Japanse tijdrekening gebruikt waarbij het ontstaan van de Japanse natie 660 v. Chr. als beginjaar werd gebruikt. 1945 werd hierdoor 2605. Op de burger-POW-post moesten verder het POW-nummer van afzender en het POW-nummer en de militaire kampcode van het gewest van geadresseerde worden vermeld (CR: Bunsho I, CQ: Bunsho II en CP Bunsho III). Tenslotte werden op de briefkaarten ook geheime en steeds veranderde militaire adrescodes ingevuld, die bestonden uit een combinatie van een Romeins en Latijns cijfer. De tekst van de briefkaarten moest in het Maleis worden opgesteld, volgens een standaardtekst en was altijd positief van strekking.

Briefkaart uit kamp Muntilan (gewestcode C.P., POW nummer 23746) naar kamp Tjimahi (gewestcode C.Q., POW nummer 36851). Ook is de code VII 6 toegevoegd.

Wreedheid van de Japanners[bewerken]

De Japanse soldaten was op harde wijze ingeprent dat een krijgsgevangene een laf en minderwaardig schepsel was. Een echte soldaat moest zich in de strijd nooit overgeven; hij diende zich dood te vechten of zelfmoord te plegen, vlak voor een mogelijke gevangenname. Enige maanden na het begin van de oorlog in het Pacifisch Gebied hadden de Japanners al een zeer groot aantal westerse krijgsgevangenen in hun macht, namelijk ongeveer 140.000. De Japanners beschouwden al deze westerse gevangenen zonder meer als minderwaardige schepsels die geen enkel recht konden doen gelden op een behoorlijke behandeling. Er waren nog andere omstandigheden in het geding. Zo had Japan vanaf 1937 oorlog in China gevoerd, waarbij Japanse militairen zeer wreed te keer waren gegaan, zowel tegen de civiele bevolking als tegenover krijgsgevangenen. Op grote schaal maakten zij zich schuldig aan plundering, massamoord, verkrachting en andere gruwelijkheden. Hoewel Japan, na geallieerde aandrang, kort na het uitbreken van de oorlog in de Pacific, verklaarde, dat het land zich aan de bepalingen van de Conventie zou houden, werden er in de zuidelijke regionen (waaronder de Indische archipel) zeker geen gelijkluidende orders gegeven aan de Japanse militaire gezaghebbers. Eind april 1942 gaf Hideki Tojo, de Japanse minister-president en tevens minister van Oorlog, opdracht de westerse krijgsgevangenen hard en op vernederende wijze aan te pakken. Ontvluchte gevangenen dienden ter dood te worden gebracht.

Er kwamen daarna op dit gebied weer verzachtende bepalingen en een reglement voor krijgsgevangenkampen, maar deze bevelen kwamen niet of niet voldoende terecht in de regionen waarin Nederlands-Indië was gelegen. In feite kwam het er op neer dat in de zuidelijke gebieden de Japanse commandanten zelf wel bepaalden hoe zij de krijgsgevangenen zouden behandelen. Niet in alle gevangenkampen vonden dezelfde verschrikkelijke gebeurtenissen plaats. Er kwamen diverse varianten voor, maar in grote lijnen waren de misdadige handelingen van de Japanners tegen de westerse krijgsgevangenen de volgende:

  • Van bescherming of menslievende behandeling was nergens sprake; vrijwel overal kwamen op grote schaal excessen voor;
  • De huisvesting was vrijwel overal zwaar onder de maat;
  • De voeding was slecht tot zeer slecht;
  • Vrijwel nergens vond verstrekking van kleding of schoeisel plaats;
  • De geneeskundige verzorging was overal onvoldoende tot slecht; dat er desalniettemin nog enige zorg was was te danken aan de inzet van eigen organieke militair artsen en hun verplegend personeel; de verstrekking van medicamenten was slecht tot afwezig;
  • De krijgsgevangenen werden massaal tot vaak zeer zwaar lichamelijk werk gedwongen, meestal in ongezonde omstandigheden, vaak in oorlogsgebied; ook moesten zij werk van zuiver militair nut voor de Japanse militairen verrichten;
  • De mogelijkheid tot het verzenden en het ontvangen van post naar en van gezinsleden was nihil. [22]

Overzicht grootste burgerkampen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie lijst van jappenkampen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zuid-Celebes

Sumatra

West-Java

  • Tjideng (Batavia)
  • Tjihapit (Bandoeng)
  • Tjimahi
  • ADEK (Batavia)
  • 15e Bataljon (Bandoeng) (Hier bevonden zich méér kampen, zoals ettelijke in Tjimahi: 4e en 9e Bat., Baroskamp, Kamp 6 en meer)

Midden-Java

Ambon

Borneo

In jappenkampen overleden Nederlanders (selectie)[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. E. van Witsen. Krijgsgevangenen in de Pacific-Oorlog (1941-1945). Franeker, 1971
  2. http://www.japansekrijgsgevangenkampen.nl/
  3. a b D.van Velden. De Japanse Interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog. Franeker, 4de druk, 1985
  4. http://www.japanseburgerkampen.nl/
  5. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indie 1942-1945. Blz. 21-23
  6. http://www.indischekamparchieven.nl/
  7. Jongenskampen.nl
  8. 1000 van Amahei
  9. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11b, pag. 1123
  10. Zwitzer, H.L. (1978) Mededelingen van de Sectie Krijgsgeschiedenis 5-23.
  11. http://www.niod.nl/nl/CijfermateriaalJapanseBezetting.htm
  12. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. Blz. 5
  13. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. blz. 6/7
  14. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. Blz. 12
  15. Hovinga, H.,(1976) Dodenspoorweg door het oerwoud. Blz. 147
  16. S.A. Lapré. Nederlands-Indië in kort bestek. Bladzijde 52-53
  17. S.A. Lapré. Nederlands-Indië in kort bestek. Bladzijde 54-55.
  18. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. Blz. 14
  19. Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. blz. 17.
  20. Ooggetuigen. Stichting Japanse Ereschulden (SJE).
  21. Deel II. Geïllustreerde atlas van de Japanse Kampen
  22. Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. Uitgave van Comité Ancol. Bladzijde 79-80