Jason (Oniaden)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jason
Hogepriester uit de familie van Oniaden
Menorah
174 - 172 v.Chr.
Voorganger Onias III
Opvolger Menelaüs
Lijst van hogepriesters van Israël

Jason was hogepriester in de Joodse tempel in Jeruzalem van 174 v.Chr. tot 172 v.Chr.. Hij behoort tot de familie van de Oniaden.

Onias III terzijde geschoven[bewerken]

Voorafgaand aan zijn ambtsperiode was zijn broer Onias III hogepriester. Tijdens zijn hogepriesterschap was er een conflict over Seleucidische claims op de tempelschatten, die Onias weigerde af te geven aan Seleucus IV Philopator. Onias had daartoe hulp gezocht bij Joodse anti-Syrische bewegingen. Toen Onias zich hiervoor moest verantwoorden voor Seleucus' opvolger Antiochus IV Epiphanes verscheen Jason plotseling op het toneel. Jason had eerder al blijk gegeven van een pro-Syrische instelling. Hij bood Antiochus een grote som geld in ruil voor het hogepriesterschap. Antiochus accepteerde het geld en liet Onias gevangennemen. Jason werd hogepriester in zijn plaats. Voor Onias' zoon en beoogd opvolger Onias IV vormden de gebeurtenissen aanleiding om naar Egypte te vluchten.

Jason als hogepriester[bewerken]

Tijdens zijn hogepriesterschap voerde Jason een pro-Seleucidische politiek. Verder was hij veel meer dan zijn broer een groot voorstander van verdere hellenisering van Jeruzalem. Hij wilde Jeruzalem omvormen tot een Griekse polis met de naam Antiochië. Daartoe bouwde hij aan de voet van de tempelberg een gymnasion, waar naar Grieks voorbeeld naakt gesport werd, ook door priesters.[1] Voor wetsgetrouwe Joden was dit een doorn in het oog, aangezien zij van mening waren dat de Thora publiekelijke naaktheid verbiedt. Zo mogelijk nog schokkender vonden zij de ingrepen die werden uitgevoerd om de door de Thora nadrukkelijk geboden besnijdenis ongedaan te maken (naar Griekse opvatting was besnijdenis een verminking van het lichaam).[2]

Einde van Jasons hogepriesterschap[bewerken]

In 172 v.Chr. kwam een plotseling einde aan Jasons hogepriesterschap, omdat Menelaüs, de broer van Simon (met wie Onias problemen had gehad), met steun van de rivaliserende familie van de Tobiaden Antiochus een hoger bedrag bood voor het hogepriesterschap dan Jason destijds had gedaan. Jason werd daarop uit zijn ambt gezet en Menelaüs werd in zijn plaats benoemd. Jason vluchtte naar het gebied ten oosten van de Jordaan, buiten het gebied van Juda.

Invasie van Jeruzalem[bewerken]

In 168 v.Chr. trok Antiochus ten strijde tegen de Ptolemaeën. Door ingrijpen van de Romeinen, die met hun vloot naar Alexandrië waren overgestoken, leed hij er echter een nederlaag. In het tempelstaatje Juda en de omliggende gebieden ging het gerucht dat Antiochus in de strijd zou zijn omgekomen. Voor Jason vormde dit aanleiding een leger bijeen te roepen en op te trekken naar Jeruzalem, met de bedoeling Menelaüs uit de stad te verdrijven en zichzelf opnieuw als hogepriester te laten installeren.

Toen Jason met zijn leger een deel van Jeruzalem had ingenomen, maar nog niet de definitieve overwinning had behaald, bereikte hem het bericht dat Antiochus nog in leven was en met zijn troepen op de terugweg naar Syrië was. Jason bedacht zich geen moment en sloeg op de vlucht. Nadat hij zich korte tijd had schuilgehouden bij de Nabateese koning Aretas I, leidde hij verder een zwervend bestaan.

Over Jasons levenseinde en dood is niets met zekerheid bekend.

Stamboom[bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jaddua
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onias I
 
Manasse
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Simon I
 
Eleazar
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onias II
 
dochter
 
Tobia
 
onbekend
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Simon II
 
 
 
 
 
 
 
 
Solimius
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onias III
 
Jason
 
Jozef
 
dochter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onias IV
 
 
 
 
 
 
 
HYR
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Chelkias
 
Ananias

Noten[bewerken]

  1. 2 Makkabeeën 4:9-13
  2. 1 Makkabeeën 1:13-15