Jean-Baptiste Dumonceau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Graaf Dumonceau draagt op dit portret de keten van de Orde van de Unie en het grootlint van de Huisorde van de Trouw van Baden. In zijn hand houdt hij zijn maarschalksstaf.

Jean-Baptiste graaf Dumonceau (Brussel, 7 november 1760 – Brussel, 29 december 1821) was een generaal in dienst van de Bataafse Republiek, het Bataafs Gemenebest, het Koninkrijk Holland en het Franse Keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Dumonceau was Maarschalk van Holland en werd in 1810 verheven tot graaf. Hij was de stamvader van het adellijke geslacht Dumonceau.

Dumonceaus bijnaam was le général sans tache (de smetteloze generaal). Zijn naam is gegraveerd in de Arc de Triomphe in Parijs. In Brussel is de Dumonceaustraat naar hem vernoemd.

Loopbaan[bewerken]

Dumonceau studeerde in Rome als architect en meester-steenhouwer. Toen de Brabantse Revolutie uitbrak werd hij kapitein van de Canaries, een vrijwilligerseenheid uit de omgeving van Namen. Nadat de opstand faalde vluchtte Dumonceau naar Frankrijk, waar hij bevelhebber werd van een bataljon van Belgische revolutionairen, het Legion des Belges et Liègois réunis. Dumonceau nam deel aan de Slag bij Jemappes en kreeg eind 1793 promotie tot brigadegeneraal. Hij ontwierp de plannen voor de Franse bezetting van Nederland in 1795 door Pichegru, waarbij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ten val gebracht werd en vervangen werd door een Franse vazalstaat, de Bataafse Republiek.

Dumonceau ging in mei 1795 in dienst van de nieuwe Bataafse Republiek en werd gepromoveerd tot luitenant-generaal. Hij kreeg het bevel over de Bataafse troepen in Groningen, Friesland en Drenthe en vestigde zich in de stad Groningen, waar hij in 1802 een huis, het zogenaamde Schimmelpenninckhuis, kocht in de Oosterstraat. Hij kocht in 1796 ook het landgoed Lemferdinge, nabij Paterswolde, als buitenplaats. Met behulp van Bataafse soldaten liet hij het huis en de omringende tuinen verbouwen en verfraaien. In 1811 werd het landgoed wegens geldgebrek in percelen verkocht.

Tijdens de Brits-Russische inval in Noord-Holland in 1799 raakte hij gewond in de Slag bij Bergen. In 1805 had Dumonceau het bevel over het Bataafse korps in Duitsland tijdens de Derde Coalitieoorlog.

Nadat Napoleon in 1806 het Bataafs Gemenebest (dat de Bataafse Republiek in 1801 was opgevolgd) verving door het Koninkrijk Holland en zijn broer Lodewijk op de Nederlandse troon plaatste, werd Dumonceau benoemd tot Conseil d’Etat (adviseur) van koning Lodewijk. Hij diende als ambassadeur van het koninkrijk in Parijs en had korte tijd het bevel over de Nederlandse verdediging tijdens de Britse inval in Zeeland in 1809.

Dumonceau werd in 1809 genaturaliseerd tot Hollands staatsburger en op 15 april 1810 door Koning Lodewijk verheven tot Graaf van Bergenduin. De koning benoemde hem ook tot maarschalk; deze benoeming werd echter niet goedgekeurd door Napoleon. In 1810 maakte Napoleon een einde aan het Koninkrijk Holland, en Nederland werd geannexeerd door Frankrijk. Dumonceau werd divisiegeneraal van het Franse keizerrijk en kreeg ook een nieuwe adellijke titel: hij werd op 2 mei 1811 door Napoleon verheven tot Comte de l’Empire als graaf van Bergendal (ook wel geschreven als Bergendael).

Hij nam deel aan de Franse veldtocht in Duitsland in 1813 en speelde een belangrijke rol in het redden van de Fransen na de nederlaag in de Slag bij Kulm. Hij raakte gewond in de Slag bij Dresden. Op 11 november 1813 capituleerde bij Dresden het corps van maarschalk de Gouvion-Saint Cyr, waarin Dumonceau diende. Hij werd krijgsgevangengenomen en verbleef in Bohemen tot Napoleons nederlaag en aftreden in 1814.

Dumonceau speelde geen rol van belang tijdens de Honderd Dagen. Na de Slag bij Waterloo werd hij adjudant van koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1820 werd hij verheven in de Nederlandse adel met de titel van graaf bij eerstgeboorte. Van 15 maart 1820 tot 29 december 1821 was hij lid van de Tweede Kamer voor de provincie Zuid-Brabant.

Hij werd in 1806 Grootkruis van de Orde van de Unie van koning Lodewijk Napoleon van Holland. In 1812 kreeg hij het Grootkruis van de Franse Orde van de Reünie. Ook werd hij in 1814 benoemd tot Grootofficier van het Légion d'honneur.

Huwelijken en nageslacht[bewerken]

Dumonceau was twee keer getrouwd. Hij huwde op 5 mei 1782 in Brussel met Anne Marie Apolline Collinet. Na haar overlijden huwde hij op 15 maart 1796 in Groningen met Agnes Wilhelmina Cremers. Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen geboren, en uit het tweede huwelijk kwamen elf kinderen.

Mannelijke telgen uit zijn nageslacht zouden nog anderhalve eeuw als adjudant van de Nederlandse vorsten dienen. Zijn zoon Jean François Dumonceau (1790-1884) uit het eerste huwelijk erfde zijn adellijke titel en diende eveneens als generaal en adjudant van koning Willem III. Jean François' zoon Charles Henri Felix Dumonceau (1827-1918) was adjudant van Willem III en Wilhelmina. Diens zoon Charles Joseph Henri Felix Dumonceau (1859-1952) was adjudant van Wilhelmina.

Een ander deel van zijn nageslacht behoort tot de Belgische adel.

Bronnen, noten en/of referenties