Jean-Louis Forain

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee dandies, ets uit 1876

Jean-Louis Forain (Reims, 23 oktober 1852 - Parijs, 11 juli 1931) was een Frans kunstschilder.

Jean-Louis Forain, wiens eigenlijke naam Louis-Henri Forain was, kwam uit een familie van spinners en wevers. Hij vestigde zich in Parijs rond 1860 en nam teken- en schilderlessen bij Jacquesson de la Chevreuse, Jean-Baptiste Carpeaux en André Gill. Hij volgde vervolgens zijn studie aan de École des beaux-arts, waar hij les kreeg van Jean-Léon Gérôme.

Hij maakte faam door het tekenen van talrijke karikaturen voor kranten en bladen zoals L’Opinion, Le Courier Français, Le Monde Parisien et Le rire satirique. Zijn beste spotprenten tekende hij tijdens de affaire Dreyfus, het proces van Renne en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een deel van zijn tekeningen zijn nu tentoongesteld in een zaal van het Musée des Beaux-Arts van Reims.

Samen met Caran d'Ache richtte hij het tegen Alfred Dreyfus gerichte tijdschrift op genaamd Psst...! Hij was een vaste bezoeker van de salons van Nina de Callias en de gravin van Loynes.

Hij nam deel aan de Frans-Duitse Oorlog van 1870, werd vrienden met Paul Verlaine en Arthur Rimbaud en bezocht Edgar Degas en Édouard Manet. Hij begon zijn carrière als schilder tegelijk met de opkomst van de impressionisten waarmee hij tussen 1884 en 1888 verschillende keren exposeerde. Hij maakte deel uit van een kunstenaarscollectief van de galerie Durand-Ruel in New York. Zijn eerste individuele expositie vond plaats in galerie Boussod et Valadon, waarvan kunsthandelaar Theo van Gogh toentertijd directeur was.

In zijn werk zijn invloeden van Honoré Daumier en Degas te zien. Hij schilderde vaak theater, ballet, interieurs van cafés en op latere leeftijd ook veel voorstellingen van rechtszaken.

In 1891 trouwde hij met de beeldhouwer Jeanne Bosc, met wie hij een zoon kreeg in 1895. Hij was een bewonderaar van Goya en bezocht Madrid in 1894 en in 1900.

In 1913 organiseerde hij een grote expositie in het Musée des Arts décoratifs in Parijs waar 390 van zijn werken te zien waren. Vier jaar later werd er nog een grote tentoonstelling van zijn werk georganiseerd tijdens de Exposición de Arte Francés in Barcelona. Daar werden 75 werken tentoongesteld. Gedurende de winter van 1920 richtte hij met andere artiesten, waaronder Joë Bridge, Adolphe-Léon Willette, Francisque Poulbot, Maurice Neumont, Louis Morin, Maurice Millière, Jules Depaquit de République de Montmartre op.

In 1921 maakte hij een gebaar naar zijn geboortestad en schonk een belangrijk deel van zijn tekeningen en schetsen aan het Musée des Beaux-Arts. In 1923 werd hij verkozen tot lid van de Académie des Beaux-Arts. Hetzelfde jaar werd hij tevens voorzitter van de République de Montmartre. In 1931 werd hij lid van de Royal Academy of Arts.

Zijn graf bevindt zich in Le Chesnay, dichtbij Versailles, waar hij onroerend goed bezat.