Jean Rochefort

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jean Rochefort
Jeanrochefort.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Jean Rochefort
Geboren 29 april 1930
Land Frankrijk
(en) IMDb-profiel
Portaal  Portaalicoon   Film

Biografie[bewerken]

Jean Rochefort (Parijs[1], 29 april 1930) is een Frans acteur. Hij is erg herkenbaar dankzij zijn snor, zijn karakteristieke neus en zijn sonore stem.

Rochefort studeerde toneel aan het Centre d'Art Dramatique de la rue Blanche in Parijs. Daarna volgde hij een opleiding aan het Conservatoire National, waar rond die tijd ook Jean-Pierre Marielle en Jean-Paul Belmondo studeerden. Na zijn militaire dienstplicht te hebben vervuld trad hij toe tot het gezelschap Compagnie Grenier Hussenot, waar hij tussen 1953 en 1960 zeven jaar lang deel van uitmaakte. Daarna, tot aan het einde van de jaren zestig, bleef hij veel theater spelen, onder meer stukken van Harold Pinter (The Collection en The Lover), Arthur Miller en Friedrich Dürrenmatt. Hij bleef met soms grote tussenpozen op het podium optreden.

Eind jaren vijftig begon Rochefort zijn carrière als filmacteur, waarbij hij kleine rollen speelde. In het begin van de jaren zestig vertolkte hij al wat belangrijkere rollen in mantel- en degenfilms zoals Le Capitaine Fracasse en Le masque de fer. Terwijl hij bezig was met de opnames voor een andere historische avonturenfilm, de klassieker Cartouche (1962), ontdekte hij zijn passie voor paarden en de paardensport. Sindsdien houdt hij zich bezig met het fokken van paarden. Tegenwoordig is hij eigenaar van Le Haras de Villequoy, een beroemde stal. Net zoals zijn grote vrienden Philippe Noiret en Jean-Pierre Marielle brak hij in die periode door in de Franse filmwereld.

Na Cartouche bleef hij optreden in kostuumdrama’s. Zo was hij te zien in de eerste drie delen uit de Angélique-serie van Bernard Borderie : Angélique Marquise des Anges (1964), Merveilleuse Angélique (1965) en Angélique et le Roy (1966). Hij werkte in die tijd ook opnieuw enkele keren samen met Philippe de Broca, de regisseur van Cartouche. Aan het eind van de jaren zestig had Rochefort al heel wat naambekendheid bij het Franse publiek dankzij zijn rollen in de Angélique-films en de de Brocakomedies.

In het begin van de jaren zeventig koos hij ook voor het meer alternatieve circuit. Hij werkte onder meer samen met Claude Chabrol en Bertrand Tavernier. Zo was hij te zien in Les Innocents aux mains sales (1974) en in Les Magiciens (1975), twee film noirs van Chabrol. Hij deelde de affiche met zijn boezemvriend Philippe Noiret in L'Horloger de Saint-Paul (1974) en in Que la fête commence (1975), de eerste twee films van Tavernier. In 1974 speelde hij mee in de surrealistische tragikomische fabel Le fantôme de la liberté, de voorlaatste film van beeldenstormer Luis Buñuel. Hij was ontroerend als de door longkanker getroffen kapitein-ter-zee in het maritieme drama Le Crabe-tambour (1977). Maar Rochefort muntte al evenzeer uit in het komische genre. Uitschieter was hier zijn zesvoudige heel succesrijke samenwerking met regisseur Yves Robert waarvan de spionagefilmparodie Le Grand Blond avec une chaussure noire (1972) het commerciële hoogtepunt was. Vermeldenswaardig waren eveneens Calmos (1976), een van Bertrand Bliers zwarte komedies, Le Cavaleur (1978) van oude bekende Philippe de Broca en de culinaire komedie Who Is Killing the Great Chefs of Europe? (1977), een Europees-Amerikaanse coproductie waarin hij in het gezelschap van een internationaal getinte cast vertoefde.

Hij zette de jaren tachtig in met de tragikomedie Chère inconnue (1980) waarin hij de broer van Simone Signoret speelde, de vrouw met wie hij, zonder het te beseffen, correspondeerde. Voor de zesde keer op het scherm verenigd met Noiret zette hij een glansprestatie neer in het pakkende politieke politiedrama Il faut tuer Birgitt Haas (1981). Ruim tien jaar na de politiekomedie Les vécés étaient fermés de l'intérieur (1976) ontmoette hij opnieuw regisseur Patrice Leconte en vertolkte een mythomane presentator van radiospelletjes in diens tragikomedie Tandem (1987).

In de jaren negentig bleef hij vaak samenwerken met Leconte, onder meer in de tragikomedies Le mari de la coiffeuse (1990) en Ridicule (1996) alsook in het drama L'Homme du train (2002) waarin hij de hoofdrol deelde met Johnny Halliday, de man uit de titel. Hij werd verkozen voor de hoofdrol in de ambitieuze productie The Man Who Killed Don Quixote door ex-Monthy Pythonlid regisseur Terry Gilliam, maar hij werd getroffen door een hernia. Deze aandoening betekende niet alleen het einde van zijn geliefde ruitersport maar was ook een van de talrijke oorzaken waardoor de opnames werden afgelast. Het mislukken van deze productie werd tenslotte verfilmd in de documentaire Lost in La Mancha (2002).

In 2012 kondigde hij aan dat hij zijn filmcarrière als afgerond beschouwde. Hij vertolkte dat jaar nog zijn laatste rol, die van een beroemd beeldhouwer, in El artista y la modelo, een tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Franse vrije zone gesitueerd drama van de Spaanse regisseur Fernando Trueba.

In 1976 won Rochefort een César voor de Beste bijrol in Que la fête commence, en in 1978 kreeg hij de César voor Beste acteur voor Le Crabe-tambour. In 1999 werd hij bedacht met de ereCésar ter bekroning van zijn ganse filmcarrière. In 2002 werd hem de Prix Lumière voor de Beste acteur overhandigd.

Rochefort trouwde in 1960 met Alexandra Moscwa, met wie hij twee kinderen kreeg, Marie (1962) en Julien (1965). Daarna kreeg hij nog drie kinderen: Pierre (met Nicole Garcia), Clémence en Louise.

Filmografie (selectie)[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Source : Who's Who.