Jeanne d'Arc

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Jeanne d'Arc (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Jeanne d'Arc.
Jeanne d'Arc
Joan of arc miniature graded.jpg
Geboren rond 1412[1] te Domrémy
Gestorven 30 mei 1431 te Rouen
Verering Rooms-katholieke Kerk
Zaligverklaring 18 april 1909 te Parijs, Notre-Dame door Paus Pius X
Heiligverklaring 16 mei 1920 te Rome, Sint-Pietersbasiliek door Paus Benedictus XV
Naamdag 30 mei
Lijst van christelijke heiligen
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Jeanne d'Arc[2] (Domrémy, Lotharingen, ca. 1412[1]Rouen, Normandië, 30 mei 1431), bijgenaamd de Maagd van Orléans, is een nationale heldin van Frankrijk. Als jong meisje van eenvoudige afkomst speelde ze een beslissende rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, wat in het tijdskader een opmerkelijke prestatie was. Op negentienjarige leeftijd werd ze door een partijdige kerkelijke rechtbank veroordeeld en stierf ze op de brandstapel in Rouen. Vijfentwintig jaar na haar dood liet paus Calixtus III het proces herzien, ze werd onschuldig bevonden en kreeg bij de plechtige uitspraak van het proces op 7 juli 1456 de titel van martelares. In 1909 werd ze uiteindelijk zalig verklaard door de Rooms-katholieke Kerk en in 1920 volgde de heiligverklaring. Ondertussen wordt ze gerekend tot de patroonheiligen van Frankrijk samen met Dionysius van Parijs, Martinus van Tours, de heilige Lodewijk en Theresia van Lisieux.

Politieke situatie[bewerken]

Jeanne werd geboren tijdens de Franse Burgeroorlog, een bijzonder woelige periode in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, die samenviel met het Westers Schisma. Aan de basis van de Franse Burgeroorlog lag de moord op Lodewijk I van Orléans, de vierde[3] zoon van Karel V en Johanna van Bourbon en broer van Karel VI de koning van Frankrijk van 1380-1422. De hertog van Orléans werd vermoord op 2 november 1407 in opdracht van Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië.[4] De aanleiding voor deze moord was de concurrentie tussen de Bourguignons en de Armagnacs in verband met het regentschap over het koninkrijk. De ooms van Karel VI regeerden Frankrijk tussen 1380 en 1388 omdat de koning zelf nog te jong was om te regeren. Vanaf 3 november 1388 zou de koning zelf gaan regeren, maar in augustus 1392 kreeg hij een zware aanval van waanzin en doodde daarbij vier van zijn begeleiders. Na die gebeurtenis had de koning heldere periodes waarin hij zelf trachtte te regeren, afgewisseld met periodes van waanzin waarin de regering werd overgenomen door zijn ooms. Na het Bal des Ardents op 28 januari 1393, waar de koning slechts op het nippertje aan de dood ontsnapte dankzij de tegenwoordigheid van geest van zijn tante Jeanne de Boulogne, sloeg de waanzin compleet toe.

Chronique de Froissaer, British Library, Harley 480, f1r.

Vanaf 1393 werd het land dus wederom bestuurd door een regentenraad voorgezeten door Isabella van Beieren de koningin (echtgenote van Karel VI) en met als leden Filips de Stoute, zijn zoon Jan zonder Vrees en Jean de Berry. Lodewijk van Orléans won echter meer en meer aan invloed, men beweerde zelfs dat hij de minnaar was van de koningin. Na de dood van Filips de Stoute nam Lodewijk van Orléans de touwtjes in handen, hij profiteerde van de affectie van zijn broer tijdens diens heldere momenten en van zijn invloed op de koningin tijdens de ziekteperiodes van de koning. Op die manier wist hij Jan zonder Vrees opzij te zetten. Met een dreigende inval van de Engelsen als voorwendsel verhoogde hij de belastingen om de opbrengst daarvan voor eigen profijt aan te wenden.[5] Negentig procent van zijn inkomen kwam uit de koninklijke schatkist. Jan zonder Vrees kreeg het volk op zijn hand door belastingsverminderingen en hervormingen van het beleid te beloven.

De moord op Lodewijk was het begin van de burgeroorlog. Karel van Orléans wilde zijn vader wreken en bij zijn huwelijk met Bonne, de dochter van Bernard VII van Armagnac vormde hij een bondgenootschap tegen de hertog van Bourgondië samen met zijn schoonvader, de hertogen van Berry, Bourbon en Bretagne en met de graven van Alençon en Clermont. Bernard VII ondernam met huurlingen, die hij rekruteerde in het zuiden, strooptochten tot in de directe omgeving van Parijs maar werd op 9 november 1411 verslagen door Jan zonder Vrees in Saint-Cloud. In 1413 slaagde Jan zonder Vrees erin om de Parijzenaars in opstand te laten komen en de macht te grijpen. Maar door het schrikbewind dat gevoerd werd door zijn medestanders de Cabochiens kwam de bevolking massaal in opstand en konden de Armagnacs weer de macht grijpen.

De Slag bij Azincourt op een vijftiende-eeuws miniatuur

De Engelsen maakten van de gelegenheid gebruik om beide partijen tegen elkaar op te zetten door het afsluiten van verdragen of het afkopen van hun neutraliteit. Zo sloten de Armagnacs in 1412 een verdrag met Hendrik IV waarbij ze hem de Guyenne afstonden en hem erkenden als soeverein van Poitou, de Angoulême en de Périgord. Jan zonder Vrees van zijn kant ontzag de Engelsen, omdat hij de wolleveringen in het rijke Vlaanderen niet in gevaar wilde brengen. In 1415 hervatten de Engelsen de vijandelijkheden. Jan zonder Vrees bleef rustig toekijken toen het Franse leger, dat voornamelijk bestond uit aanhangers van de Armagnacs, bij Azincourt verpletterend verslagen werd.

Door verraad werd op 29 mei 1418 Parijs opnieuw ingenomen door medestanders van Jan zonder Vrees. Vele Armagnacs, waaronder Bernard VII, werden door het gepeupel vermoord. Jan zonder Vrees begon onderhandelingen met de Engelsen en leek bereid de aanspraken van de Engelse koning op de Franse troon te gaan steunen. De dauphin Karel VII zocht toenadering tot Jan zonder Vrees die op dat moment een groot deel van Frankrijk in zijn macht had en er werden onderhandelingen tussen beide partijen opgestart. Bij een van die ontmoetingen, op 10 september 1419, werd Jan zonder Vrees vermoord op de brug van Montereau-Fault-Yonne. Elk vergelijk werd daardoor onmogelijk en Frankrijk dreigde ten onder te gaan. Philips de Goede, de zoon van Jan zonder Vrees allieerde zich met de Engelsen. Het gevolg van dit alles was, dat Isabella van Beieren met Hendrik V in 1420 het Verdrag van Troyes sloot dat bepaalde dat Karel VI na zijn dood opgevolgd zou worden door de zoon geboren uit het huwelijk van Hendrik V van Engeland en Catherina van Frankrijk. De dauphin, Karel VII, werd van de opvolging uitgesloten, maar de meerderheid van de Franse adel verzette zich hiertegen.

Bij de dood van Karel VI in 1422 had Frankrijk geen koning meer die gezalfd en gekroond was in Reims. Engeland eiste de kroon op voor Hendrik VI, die op dat moment nog geen jaar oud was. De dauphin van zijn kant twijfelde zelf aan zijn afkomst en aan zijn rechten op de troon. Met het verdrag van Troyes had zijn moeder zich trouwens akkoord verklaard met het verlies van zijn rechten. Ook wat betreft het grondgebied was de situatie ongunstig voor hem, het zuidoosten en het grootste deel van het noorden van het land waren onder Engelse controle met uitzondering van het onafhankelijke Bretagne. Bretagne zou niettemin een belangrijke rol spelen op het einde van de Honderdjarige oorlog door de blokkade van Bordeaux. Het was in deze voor de dauphin uitzichtloze situatie dat Jeanne een doorbraak zou forceren.

Leven[bewerken]

Het geboortehuis van Jeanne d’Arc

Haar jeugd[bewerken]

Jeanne werd waarschijnlijk geboren in 1412[1] op de boerderij die eigendom was van haar vader, dicht bij de kerk van Domrémy. Domrémy was toen een dorpje in het grensgebied tussen de Champagne, de Barrois en Lotharingen.[6] Tegenwoordig heet het dorp Domrémy-la-Pucelle ter ere van Jeanne. Ze was de dochter van Jacques d’Arc en Isabelle Devouton (of de Vouthon).[7] Haar vader was een 'laboureur'[8] en dus in de toenmalige situatie geen arme man. De familienaam, in documenten uit die periode, werd geschreven als Darc, Tarc, Dare, Day. Ze werd Jehanne genoemd, waarschijnlijk naar haar moeders zus Jehanne Lassois of naar een van haar meters Jehanne Royer of Jehanne de Viteau. De andere kinderen in het gezin waren Jacquemin, Jean, Pierre en Cathérine.

Notre Dame de Bermont, nu in de crypte van de Basilique du Bois Chênu.

Tijdens haar proces verklaarde ze zelf: dat ze Jehanne heette en in Frankrijk, waar ze later naar toe ging, Jeanne genoemd werd; dat ze dacht dat ze negentien was en geboren was in “Donremy qui est tout un avec Grus”.[9] ; dat ze van haar moeder het Pater Noster, het Ave Maria en het Credo had geleerd en niemand anders haar had onderwezen sinds haar geboorte.[10] Op de 9e zitting van haar proces verklaarde Jeanne, dat ze kon naaien en weven en dat ze het hierin tegen elke vrouw van Rouen wou opnemen.[11]

Volgens de getuigen uit haar dorp die werden opgeroepen tijdens het rehabilitatieproces was ze een goed, eenvoudig, levenslustig en aangenaam kind dat plichtsbewust haar moeder hielp en graag werkte. Ze ging ook graag naar de mis en ging dikwijls bidden en kaarsen offeren in de kapel van Notre Dame de Bermont bij de kluizenarij van Bermont. Jehanne moest een godvruchtig meisje geweest zijn, want er waren verschillende getuigen die verklaarden dat ze ook tijdens het werk op het veld neerknielde om te bidden als de kerkklokken opriepen tot gebed. Niettemin was Jeanne volgens diezelfde getuigen geen pilarenbijtster, maar speelde en vierde ze mee met de jeugd van het dorp. De verhalen rond Jeanne d’Arc hebben van haar een herderinnetje willen maken dat in de weiden met de schapen ronddwaalde, maar dit strookt niet met de getuigenverklaringen. Ze was een boerenmeisje dat zich, zoals alle boerenmeisjes in die tijd, vooral bezighield met de werkzaamheden in en om het huis en haar broers en vader hielp op het veld waar nodig was.[12]

Van Domrémy naar Chinon : 1428 - februari 1429[bewerken]

Jules Bastien-Lepage 1879, Jeanne heeft een visioen in de tuin van haar vader

Gedurende de ondervraging van de negende zitting, de tweede keer dat Jeanne zelf ondervraagd werd, verklaarde ze dat ze dertien was toen ze voor de eerste keer de stem van God hoorde. Ze was heel bang de eerste keer en ze verklaarde dat het gebeurde op de middag in de tuin van haar vader. De stem kwam van rechts van de kant van de kerk en ging niet gepaard met een grote ‘klaarte’ zoals het daarna wel dikwijls het geval was. De stem droeg haar op, om zich goed te gedragen en veel naar de kerk te gaan en ze zei ook dat Jeanne naar Frankrijk[13] moest gaan. De stem drong aan op dit punt en zei dat Jeanne het beleg van Orléans moest breken. Eerst moest ze Robert de Baudricourt opzoeken om steun te vragen, want zij was maar een eenvoudig meisje dat niet kon paardrijden noch oorlog voeren. Ze ging dan acht dagen bij haar oom[14] logeren en vroeg, om haar naar Vaucouleurs te brengen waar ze de kapitein Robert de Baudricourt onmiddellijk herkende dankzij de stem. Na twee vergeefse pogingen kreeg ze de derde keer een onderhoud en gaf Robert de Baudricourt haar de escorte waarom ze vroeg. Na nog een bezoek bij de hertog van Lotharingen te Nancy vertrok ze van Vaucouleurs gekleed als man met een degen die ze gekregen had van de kapitein onder begeleiding van een ridder en diens schildknaap en vier mannen.[15] Ze kwam zonder probleem bij het kasteel van Chinon waar de dauphin verbleef.[11]

Bij de ondervraging tijdens de 11e zitting van haar proces op 27 februari 1431 identificeerde Jeanne de stemmen als die van de heilige Catharina en van de heilige Margaretha en ze zouden zichzelf bekend gemaakt hebben aan Jeanne. Ook de aartsengel Michaël sprak regelmatig tot haar volgens haar getuigenissen.[16] Die drie heiligen waren in de middeleeuwen zeer populair en maakten voor Jeanne deel uit van haar dagelijks leven, ze zag ze ongetwijfeld regelmatig in de kerken die ze bezocht, van Margaretha stond er een beeld in de kerk van Domrémy en van Catharina in de kerk van Maxey-sur-Meuse.

Het kasteel van Chinon vanaf de rechteroever van de Vienne. Links het Fort du Coudray en rechts het Château du Milieu.

Op 2 februari 1429 kwam ze aan in Chinon en werd twee dagen later door de dauphin ontvangen in zijn privévertrekken en niet in de grote zaal. Het moet daar geweest zijn, dat ze met Karel haar missie besprak. Het verhaal dat ze tijdens een grote receptie Karel herkende die gekleed was als een gewoon edelman, werd slechts door één auteur vermeld.[17] Jeanne kondigt vier evenementen aan: de bevrijding van Orléans, de kroning van Karel in Reims, de bevrijding van Parijs en de vrijlating van de hertog van Orléans die bij Azincourt was gevangengenomen door de Engelsen. Hierop werd Jeanne door de koning naar Poitiers gestuurd om ondervraagd te worden door de geleerden van de universiteit van Parijs die daar hun onderkomen hadden gezocht na de inname van Parijs door de Engelsen. De notulen van deze ondervragingen zijn verloren gegaan, alleen de conclusies die aan de dauphin werden gestuurd zijn bewaard gebleven en zijn zeer lovend over Jeanne.[18] Naast de ondervraging door de doctors in de theologie werd Jeanne ook nog onderzocht op haar maagdelijkheid omdat een gezondene van God ongetwijfeld maagd moest zijn en om de laster van de tegenpartij te ontkrachten, die noemden haar de hoer van de Armagnacs, bovendien kon een maagd geen heks zijn.

Karel gaf uiteindelijk zijn akkoord dat ze naar het belegerde Orléans trekt, maar niet aan het hoofd van een leger maar met een bevoorradingskonvooi. Jeanne werd eerst naar Tours gebracht om haar de nodige wapenrusting te maken. Twee van haar broers sloten zich bij haar leger aan.

Orléans (april 1429 – mei 1429)[bewerken]

Jules Eugène Lenepveu 1886-1890, Het beleg van Orléans.

De Engelsen die het noorden van Frankrijk bezetten werden tegengehouden door de natuurlijke grens gevormd door de Loire om op te trekken tegen het zuiden dat trouw gebleven was aan de dauphin. Om een doorgang te forceren moesten ze ofwel Angers ofwel Orléans innemen. Angers werd beschermd door zijn kasteel en ze besloten dus om Orléans te belegeren. Ze bouwden versterkingen rond de stad maar ze waren niet met voldoende manschappen om de stad volledig te omsingelen. Na de mislukte aanval op een Engels bevoorradingskonvooi door de Frans-Schotse troepen op 12 februari 1429 (La journée des Harengs) waren de verdedigers volledig gedemoraliseerd. Op 29 april kwam Jeanne met haar leger van 4000 man en de bevoorrading aan in Orléans en werd ze enthousiast ontvangen door de bevolking. Door het vertrouwen dat ze uitstraalde en haar enthousiasme wist ze de Fransen opnieuw te motiveren.

Op 1 mei 1429 veroverden de Fransen onder de leiding van Jeanne de versterking van Saint-Loup en op 5 mei nam Jeanne de versterking Saint-Jean-le-Blanc. ‘s Anderendaags forceerde Jeanne een nieuwe uitval tegen de beslissingen van de legerleiding onder Jean d’Orléans in en veroverde ze de vesting Saint-Augustin. De legerleiding kwam daarna bijeen zonder Jeanne erbij te betrekken en besloot op versterkingen te wachten, maar zij wilde de hoofdmacht van de Engelsen bij Les Tourelles[19] aanvallen op 7 mei en in de nacht van 7 op 8 mei hieven de Engelsen het beleg op en trokken weg.

In hoeverre Jeanne zelf betrokken was bij de militaire operaties, vormt nog altijd het onderwerp van discussie. Traditionele historici zien haar als de vaandeldraagster die erin slaagde het moreel van de troepen op te krikken.[20] Anderen zijn van oordeel dat ze wel degelijk betrokken was bij de leiding van de operaties.[21] Iedereen schijnt het er wel over eens te zijn, dat dankzij haar optreden het Franse leger een serie van successen kende.[22]

De campagne van de Loire[bewerken]

Na de overwinning op de Engelsen bij Orléans gingen de Fransen door op hun elan en wilden ze de bruggen in de Loirevallei heroveren om zo de weg naar Reims vrij te maken. Een deel van de Engelse troepen die van Orléans waren weggevlucht had zijn kamp opgeslagen bij Jargeau onder leiding van William de la Pole, de hertog van Suffolk en wachtte op versterking van John van Lancaster, beter gekend als de hertog van Bedford de Engelse regent. Het Franse leger onder leiding van Jean d’Alençon en Jeanne d’Arc kreeg versterking van Jean d’Orléans en Florent d’Illiers. Onderweg werd het tegemoet getreden door de Engelsen. In het gevecht dat volgde konden de Fransen optrekken tot bij Jargeau. De volgende dag, de 12e juni, werden de gevechten hervat. Suffolk probeerde nog een wapenstilstand te bewerken, maar de Fransen gingen door op hun elan en Jargeau werd diezelfde dag ingenomen. Suffolk werd gevangen genomen en zijn troepen vluchtten naar Meung-sur-Loire en Beaugency.

De brug bij Beaugency.

De Fransen trokken verder naar Meung-sur-Loire en op 15 juni 1429 werd hier de belangrijke brug over de Loire door de Fransen heroverd. Het stadje zelf en het versterkte kasteel werden door de Franse troepen ongemoeid gelaten. Ze trokken onmiddellijk verder naar Beaugency, een klein stadje op de noordelijke oever van de Loire, waar eveneens een strategische brug lag. In Beaugency trokken de Engelsen zich terug in de citadel in het midden van de stad. Toen Jean d’Alençon de informatie kreeg dat er Engelse versterkingen uit Parijs onderweg waren, ging hij onderhandelen met de Engelsen, die de stad opgaven en ongemoeid mochten vertrekken.

De campagne van de Loire zou afgesloten worden met de slag bij Patay op 18 juni, de enige echte open veldslag in de campagne. Het Engelse leger stond onder leiding van John Fastolf die met versterkingen uit Parijs was aangekomen. De troepen uit Beaugency hadden zich bij hem gevoegd. De Engelsen vertrouwden op hun gebruikelijke tactiek, die hen sinds de slag bij Crécy de ene overwinning na de andere had bezorgd, namelijk hun uitzonderlijk goed getrainde beroepskorps van longbowschutters. Dit elitekorps stak ter verdediging gepunte palen in de grond, die de vijandelijke cavalerie tegenhielden en de infanterie zodanig hinderden dat ze ten onder gingen aan de moordende pijlenregen. Bij Patay verrieden ze hun stelling door in het veld waarin ze zich bevonden een hert neer te schieten. Met het rumoer dat daarbij ontstond, trokken ze de aandacht van Franse verkenners.[23] De voorhoede van het Franse leger viel daarop het longbowkorps aan op de flanken, waar de verdedigingsstellingen vanwege tijdsgebrek nog niet waren uitgevoerd. Het korps werd afgeslacht en de Franse cavalerie dreef de Engelsen op de vlucht. John Talbot werd gevangen genomen. Het Engelse longbowkorps is deze nederlaag nooit te boven gekomen en werd nooit meer heropgericht.[23] Wat Azincourt geweest was voor de Fransen werd Patay voor de Engelsen: de complete nederlaag. Er zouden (afhankelijk van de bron) 2000 à 2500 Engelsen gesneuveld zijn op een leger van 5000 man, tegen 5 à 100 Fransen.

Ingres 1854, Jeanne d’Arc bij de kroning van Karel VII in Reims

Reims[bewerken]

Na de slag bij Patay trok Jeanne naar Loches en overtuigde de dauphin om naar Reims te gaan om zich als koning te laten zalven. De tocht naar Reims ging door Bourgondisch gebied en verliep zonder eigenlijke problemen. Het gezelschap vertrok uit Gien-sur-Loire op 29 juni. Auxerre stelde zich neutraal op, Troyes capituleerde na een belegering van vier dagen waarbij geen slachtoffers vielen en Châlons-en-Champagne opende zijn poorten voor het leger van de dauphin. Op 16 juli kwamen ze aan in Reims, dat ook de poorten opende voor de dauphin. Karel VII werd op 17 juli 1429 in de kathedraal van Reims in de aanwezigheid van Jeanne d’Arc, tot koning gekroond en gezalfd door aartsbisschop Regnault de Chartres.

Na de kroning drong de koning er bij Jeanne op aan, om rust te nemen, want de koning had onder invloed van zijn raadgevers het besluit genomen, om niet aan te vallen. Men had wapenstilstanden gesloten met de Bourgondiërs voor 14 dagen. Onder invloed van zijn raadgevers en in het bijzonder van Georges de la Trémoille en Regnault de Chartres wilde Karel VII in de eerste plaats de alliantie tussen Filips de Goede en Jan van Bedford breken. Jeanne moest dus geneutraliseerd worden, want zij wilde naar Parijs optrekken.

Filips de goede brak dit verdrag door van de pauze gebruik te maken om de versterking van Parijs uit te bouwen.[24] Op 4 augustus trok de hertog van Bedford op tegen het Franse leger vanuit Parijs met een leger van 10.000 man. Karel VII trok de vijand tegemoet en sloeg zijn kamp op tussen Montépilloy en Mont-l'Évêque. Op 15 augustus stonden de twee legers tegenover elkaar opgesteld, maar Azincourt indachtig riskeerde het Franse leger geen frontale aanval tegen het ingegraven Engelse leger; eigenlijk vond er geen veldslag plaats. Het koninklijke leger trok daarna op richting Parijs. Onderweg waren er nog een aantal steden die Karel VII als hun vorst binnenhaalden, waaronder Beauvais. De tegenstanders van Karel VII mochten ongemoeid de stad verlaten. Onder hen was bisschop Cauchon, een fervent aanhanger van de Engelsen. Met zijn bisdom verloor Cauchon een belangrijk deel van zijn inkomsten en hij zou het Jeanne nooit vergeven, want hij hield haar verantwoordelijk voor zijn verlies.[25] Jeanne d’Arc met Jan II van Alençon, de maarschalken Gilles de Rais en Jean de Brosse de Boussac voerden op 8 september 1429 een aanval uit op de stadspoort van Saint-Honoré. Jeanne raakte bij deze aanval gewond aan een been.[26] ’s Avonds trokken ze zich zonder resultaat terug en Jeanne kreeg bevel van de koning om de vijandelijkheden te staken. De koning trok zich terug naar de Loire en het leger werd ontbonden. In oktober nam Jeanne met haar eigen troep Saint-Pierre-le-Moûtier en sloeg het beleg op voor La Charité-sur-Loire, maar tegen kerstmis hief ze het beleg op en keerde ze terug naar Jargeau. Op 29 december 1429 werden Jeanne en haar familie in de adelstand verheven. De originele akte hiervan is verloren gegaan, maar er zijn diverse kopieën bewaard gebleven. In 1614 zou Lodewijk XIII deze beslissing voor de familie hebben herroepen omdat ze in de praktijk gewoon volk waren gebleven.

Gevangenschap[bewerken]

Kasteel van Sully-sur-Loire

Na de expeditie bij La-Charité-sur-Loire kreeg Jeanne bevel om in het kasteel van la Trémouille in Sully-sur-Loire te blijven, maar zonder toelating van de koning trok ze naar Compiègne dat door de Bourgondiërs belegerd werd. Tijdens een uitval uit de belegerde stad en de schermutseling die daar op volgde werd Jeanne d’Arc gevangen genomen door de Bourgondiërs op 23 mei 1430.[27] In een dergelijk geval was het normaal dat Jeanne zou vrijgekocht geweest zijn voor een losgeld, maar Karel VII deed geen enkele poging daartoe. Drie dagen na haar gevangenneming schreef de grootinquisiteur van Frankrijk, waarschijnlijk geïnspireerd door de professoren van de Sorbonne, al een brief aan Philips de Goede met het verzoek, om haar zo snel mogelijk over te brengen naar Parijs, om haar te berechten voor misdaden die aan ketterij deden denken.[28]

Jeanne was de gevangene van Jean II de Luxembourg-Ligny. Om te voorkomen dat ze door de Fransen zou bevrijd worden werd ze overgebracht naar het kasteel van Beaulieu in de Vermandois. Ze genoot er van een mild regime en mocht zelfs haar eigen hofmeester Jean d’Aulon bij zich houden. Niettemin waagde ze hier een eerste ontsnappingspoging. Daarop werd het besluit genomen, om haar weg te brengen uit de gevechtszone en haar onder te brengen in het kasteel van Beaurevoir waar ze goed werd opgevangen door een tante van Jean de Luxembourg, Jeanne de Luxembourg-Saint-Pol en door Jeanne de Béthune, zijn echtgenote. Ze kon bezoek ontvangen en werd op de hoogte gehouden van de situatie bij Compiègne. Niettemin waagde ze een tweede ontsnappingspoging door uit een venster in de toren te springen van op 21 meter hoog. Ze raakte daarbij ernstig gewond. Daarop werd ze door de Bourgondiërs overgebracht naar Arras. Cauchon had al zeer snel contact opgenomen met Jean de Luxembourg met het aanbod om Jeanne te “kopen” voor een aanzienlijk bedrag om haar uit te leveren aan de Engelsen, hij handelde daarbij in opdracht van Jan van Bedford. Deze koehandel met een krijgsgevangene was in strijd met de toen geldende gedragscode: een krijgsgevangene werd normaal vrijgelaten in ruil voor een losgeld.[29] De tante van Jean de Luxembourg, die genegenheid had opgevat voor Jeanne, verzette zich tegen de verkoop en dreigde ermee om haar neef te onterven. Uiteindelijk, na het overlijden van zijn tante op 13 november 1430, werd ze door Jean de Luxembourg voor 10.000 pond verkocht aan de Engelsen[30] op 21 november 1430.[31] Ze werd overgeleverd aan Pierre Cauchon die het proces tegen Jeanne zou voeren.

Het proces[bewerken]

Inleiding[bewerken]

Het werd uiteraard een politiek proces, de hertog van Bedford eiste de troon op voor zijn neef Hendrik VI van Engeland en de Engelsen waren er dus erg op gebrand Jeanne als heks en ketter neer te zetten, om zodoende het koningschap van Karel VII te ontkrachten.

Tour Jeanne d'Arc in Rouen, in feite de donjon van het kasteel van Philippe Auguste en dus niet de toren waarin Jeanne was opgesloten.

Het proces werd gevoerd in Rouen, de zetel van de Engelse bezetting. De procedure was van bij de aanvang op verschillende punten betwistbaar. Zo had bisschop Cauchon geen jurisdictie om deze zaak te voeren[32] en de inquisiteur van Rouen, Jean le Maître, tekende hier trouwens bezwaar tegen aan voor wat zijn eigen deelname betrof[33] tot hij tot de orde geroepen werd door de inquisiteur van Frankrijk op vraag van Cauchon.[22] Cauchon dankte zijn aanstelling alleen aan zijn evidente partijdigheid ten gunste van het Engelse regime, zijn broodheren die trouwens het proces financierden. De griffier Nicolas Bailly die aangesteld werd om getuigenissen ten laste van Jeanne te vinden kon niets aanbrengen, zodat er geen grond was om een proces te beginnen. Hij zou hierover getuigen tijdens het rehabilitatieproces. Ook weigerde het hof aan Jeanne rechtskundige bijstand van geestelijken uit de delen van Frankrijk waarvan zij afkomstig was,[33] wat eveneens een inbreuk was op het kerkelijke recht.

De partijdigheid van Cauchon was flagrant vanaf het begin. Hij zorgde er bijvoorbeeld voor dat Jean de Saint-Avit, bisschop van Avranches en deken van de bisschoppen van Normandië die geen verplichtingen had tegenover de Engelsen en zich gunstig had uitgelaten over Jeanne, niet zou zetelen. Jeanne werd door de Engelsen aan de kerkelijke rechtbank overgedragen met de reserve dat ze weer aan het wereldlijke gerecht moest worden overgedragen als ze zou vrijgesproken worden.[34] Deze hypocriete voorwaarde liet een eventuele vrijspraak open, hoewel de veroordeling van in het begin vaststond. De zorg waarmee alle wereldlijke autoriteiten van het proces wegbleven is tekenend en het schouwspel dat georganiseerd werd met een ongezien aantal doctoren in de theologie, licentiaten in kerkelijk en wereldlijk recht en andere geleerden die van de engelsgezinde universiteit van Parijs werden gehaald, naast het bijna volledige kapittel van Rouen, abten en prelaten, was ongezien voor een proces over geloofszaken. In gelijkaardige processen die echt over geloofszaken gingen zetelden hooguit drie of vier kanunniken naast de bisschop en de inquisiteur.

Het proces[bewerken]

Jeanne d'Arc in de gevangenis ondervraagd door Henri de Beaufort, de kardinaal van Winchester, Paul Delarroche, 1824, Musée des Beaux-Arts de Rouen.

Het proces begon op 21 februari 1431[35] en zou duren tot 23 mei 1431, in totaal waren er 56 zittingen. Jeanne werd opgesloten in een toren van het kasteel van Philippe Auguste waarvan nu alleen de donjon overblijft, die verkeerdelijk de toren van Jeanne d’Arc genoemd wordt. Hoewel het over een kerkelijk proces ging bleef Jeanne opgesloten in een wereldlijke gevangenis, wat nogmaals een aanfluiting van de rechtsregels was. Cauchon had weliswaar de gevangenis gekwalificeerd als een kerkelijke gevangenis, maar zelfs dan was het in strijd met het canoniek recht dat Jeanne bewaakt werd door mannelijke wachten. Het regime waaronder ze werd opgesloten was weliswaar niet zachtaardig maar ze werd niet gemarteld om bekentenissen af te dwingen. Ze beklaagde zich wel verscheidene keren bij Cauchon, Jean le Maître en Nicolas Loyseleur dat een van de wachten had geprobeerd haar te verkrachten.[36] Het werd haar ook verboden om te biechten, de communie te ontvangen en de mis bij te wonen. Dit moet voor de vrome Jeanne een zware beproeving zijn geweest.

Het rechtscollege telde ongeveer 120 personen, waarvan er verscheidene achteraf op het rehabilitatieproces zouden getuigen dat ze onder dwang hadden gehandeld, onder meer Jean Lemaître, de vice-inquisiteur. Ondanks de talloze ondervragingen slaagden de rechters er niet in, om een geloofwaardige beschuldiging te formuleren. Jeanne bleek een goed christelijk meisje te zijn overtuigd van haar goddelijke missie. Men hield het dan maar bij de magere beschuldigingen van het weglopen uit het ouderlijk huis zonder toestemming van de ouders, het dragen van mannenkleren[37] en vooral het ontkennen van de kerkelijke autoriteit, omdat ze de stemmen volgde die ze hoorde, zonder daarvan rekenschap af te leggen aan de kerkelijke autoriteiten. De rechters namen gemakkelijkheidhalve aan dat die stemmen geïnspireerd waren door de duivel.

De notities van het proces die zijn overgeleverd tonen een Jeanne d’Arc die helemaal niet geïntimideerd is door het college van geleerden die haar moeten ondervragen en met allerlei spitsvondigheden probeerden om haar foute dingen te laten zeggen en op die manier zichzelf te beschuldigen. Een beroemd voorbeeld daarvan was de vraag of zij in staat van genade was. Dit was een theologische valstrik van de geleerden, want de leer van de kerk zei dat niemand dat van zichzelf kon weten. Als ze ja antwoordde was dat een ketterij en als ze nee zei gaf ze zelf haar schuld toe. Tot grote verbazing van de geleerden antwoordde Jeanne:

"Si je n’y suis pas, Dieu m’y mette et si j’y suis, Dieu m’y tienne. Je serais la plus dolente de tout le monde si je savais ne pas être en la grâce de Dieu."
[38]

De ondervragers stonden versteld van dat antwoord.[39]

Cauchon lukte het niet om Jeanne iets fout te laten zeggen en zelfs de slinkse bezoeken in de gevangenis door Loyseleur, een van de bijzitters van het hof, die zich valselijk voorstelde als een medestander van Karel VII en als een streekgenoot leverden geen resultaat. Cauchon had zelfs geprobeerd om valse notulen te laten opnemen door twee geestelijken achter een gordijn geposteerd, maar Manchon, de griffier van het proces, weigerde hier aan mee te werken en wilde met deze notities geen rekening houden. Manchon is waarschijnlijk een van de weinigen die bij het proces betrokken was die altijd geprobeerd heeft de zaak eerlijk te behandelen. Vanaf 10 maart worden er geen algemene zittingen meer gehouden. Omdat Cauchon vaststelde dat Jeanne meer en meer op sympathie kon rekenen binnen het rechtscollege, besloot hij nog een aantal ondervragingen met een klein aantal ondervragers waarvan hij zeker was, te laten doorgaan in Jeannes gevangenis.

Jeannes beroep op het Concilie van Basel en op de paus werd door Cauchon verworpen omdat dit zijn positie onmogelijk zou gemaakt hebben onder meer door zijn negeren van richtlijnen van de inquisitie zoals het gevangen houden van Jeanne in een seculiere gevangenis met mannelijke bewakers.[40] Op 5 april 1431 werd een lijst van twaalf artikels opgesteld die de “misdaden” van Jeanne samenvatten. Op 12 en 13 april werden de deelnemers aan het proces gehoord die in hun conclusie unaniem Jeanne veroordeelden. Op 18 april bezocht de rechtbank Jeanne in haar kerker, omdat ze ziek was, en stelde haar voor om zich te bezinnen en haar fouten toe te geven en zich onder de leiding te plaatsen van een of meerdere van de geleerde doctoren om weer op de goede weg te komen. Jeanne vroeg enkel om te mogen biechten en om begraven te worden in gewijde grond,[41] maar dat werd haar geweigerd: ze moest zich eerst onderwerpen aan de kerk.

Admonitie[bewerken]

Op 2 mei 1431 werd een publieke admonitie[42] tegen haar uitgesproken vooraleer over te gaan tot de definitieve veroordeling om haar nog een “kans” te geven zich te bekeren na de mislukte poging op 18 april, maar Jeanne bleef zich toevertrouwen aan God en voor alle zogenaamde misdaden die haar werden toegeschreven verwees ze naar haar goddelijke opdracht. Ook hier bleef Jeanne nog zeer alert en verstandig de opwerpingen en vragen beantwoorden, bijvoorbeeld wanneer men haar vroeg, of ze de paus wilde gehoorzamen, waarop zij antwoordde: “breng me voor hem”. Op 9 mei werd ze in de kerker gebracht waar de marteltuigen stonden en bedreigd met marteling. Ze zei hierop, dat ze geen andere verklaringen zou afleggen onder marteling en als ze dat toch zou doen, ze die zou herroepen voor de rechtbank en zeggen dat ze door marteling waren afgedwongen. Op 12 mei werd besloten om van marteling af te zien.

Veroordeling[bewerken]

Uiteindelijk werd Jeanne veroordeeld door de geleerde doctoren van de Parijse Sorbonne en door het kapittel van Rouen die geen van beiden hun broodheren willen teleurstellen. Zij werd schuldig bevonden als schismatieke, afvallige, leugenares, zienster, verdachte van ketterij en godslasteraar. Haar visioenen worden afgedaan als falsificaties, omdat Jeanne niet was aangekondigd in de heilige schrift en omdat ze geen mirakels had verricht.

Abjuratie[bewerken]

Herman Anton Stilke, Jeanne op de brandstapel, 1843

Op 24 mei werd Jeanne naar het kerkhof van Saint-Ouen in Rouen gebracht, waar een brandstapel was opgericht. Na een donderpreek en nieuwe ondervragingen bezweek Jeanne in een zwak moment onder de druk en tekende een abjuratiedocument[43] waarin ze haar fouten toegaf en het gezag van de kerk erkende.[44] Hierop werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf “avec le pain de douleur et l’eau de l’angoisse”[45] Als eerste stap in haar “bekering” zou Jeanne weer vrouwenkleren aantrekken. De abjuratie vormde een belangrijk element voor Cauchon en zijn Engelse opdrachtgevers omdat op een "hervallen in de dwaling" na een abjuratie automatisch de veroordeling tot de brandstapel zou volgen.

Definitieve veroordeling[bewerken]

Op 28 mei deed Jeanne in de gevangenis weer mannenkleding aan.[46] Ondervraagd hierover zei ze dat ze werd vastgehouden door mannen en dat men de beloften die haar gedaan werden niet gehouden had; men had haar onder meer beloofd dat ze de mis mocht bijwonen en de communie mocht ontvangen. Bovendien was ze nog steeds in de ijzers geslagen in tegenstelling tot de beloften die men haar gedaan had. Ze zei dat ze zich bij alle wensen van haar rechters zou neerleggen als men eerst uitvoerde wat haar beloofd was en dat ze vrouwenkleding zou aantrekken als ze niet meer door mannen werd bewaakt en geen risico meer liep om verkracht te worden.[47]

Standbeeld van Jeanne d'Arc in Rouen vlakbij de plaats van haar executie, Maxime Real del Sarte, 1928

Vervolgens herriep Jeanne haar abjuratie, door te verklaren, dat ze nog steeds haar stemmen hoorde, dat ze door God gezonden was en alleen aan hem verantwoording verschuldigd was en dat ze een grove fout gemaakt had door, onder bedreiging met de brandstapel en uit angst voor het vuur, op het kerkhof van Saint-Ouen de waarheid te verloochenen. Ze zei ook dat ze liever wilde sterven dan levenslang opgesloten te worden.

Executie[bewerken]

Hier hadden de rechters op gewacht, met Jeannes' ontkenning hoopten ze aan te tonen, dat Karel VII onder valse voorwendsels tot koning was gezalfd en anderzijds konden ze Jeanne liquideren. Er werd niet getalmd; op 29 mei werd Jeanne tot ketter verklaard, waarna ze op 30 mei werd overgedragen aan het wereldlijke gerecht en nog dezelfde dag levend verbrand op de Oude Markt van Rouen. In wezen was het enige “gerechtelijke” argument voor haar veroordeling een Bijbels kledingvoorschrift,[48] men had het ver moeten zoeken.

Henri Beaufort, de kardinaal van Winchester had erop aangedrongen dat er niets van het lichaam van Jeanne zou overblijven dat zou kunnen gebruikt worden als reliek, omdat hij vreesde voor een postume verering van Jeanne. Jeanne stierf waarschijnlijk eerst door koolmonoxidevergiftiging, maar daarna werd de brandstapel opgestookt om haar organische resten te verbranden en na een derde verbranding bleven alleen nog wat beenresten en as over. Die werden door de beul Geoffroy Thérage vanaf de Pont Mathilde in de Seine geworpen.

Relieken[bewerken]

De zogenoemde Jeanne d’Arc relieken-worden bewaard in het museum van kunst en geschiedenis van Chinon en zouden volgens een opschrift het perkament dat de bokaal afdekte, afkomstig zijn van onder de brandstapel waarop Jeanne werd verbrand. Deze relieken werden in 1867 ontdekt op de zolder van een apotheek in Parijs. Aanvankelijk werden ze bewaard in een glazen flesje uit het begin van de 19e eeuw met als opschrift: Restes trouvés sous le bûcher de Jeanne d’Arc, Pucelle d’Orléans. Multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek[49] wees echter uit dat het om een vervalsing gaat, waarschijnlijk uit de late 18e of de vroege 19e eeuw. Het monster bevat een stuk kattenbeen, menselijke resten (deel van een rib) die waarschijnlijk afkomstig zijn van een Egyptische mummie van tussen de 7e en de 3e eeuw v.Chr., stukjes houtskool en een stuk linnen. De beenderen waren gekleurd met een bitumenmengsel, analoog aan de producten die gebruikt werden bij het balsemen in het oude Egypte, om een verkoold aspect te creëren. De houtskool is van dezelfde materie.

Rehabilitatie[bewerken]

Karel VII, die zijn koningschap aan Jeanne d'Arc te danken had, deed toen het nog kon geen enkele moeite om haar te bevrijden en het zou bijna twintig jaar duren voor hij een actie ondernam om Jeanne van elke schuld te zuiveren en sommigen zien daar dan ook slechts een poging in om zichzelf van de blaam te zuiveren dat hij door een ketterse naar Reims was gebracht om zich tot koning te laten kronen.

Er waren natuurlijk ook enkele praktische bezwaren. Karel moest in bezit zijn van Parijs voor hij iets kon ondernemen. Het was immers de universiteit van Parijs die een zeer belangrijke rol had gespeeld in de aanklacht tegen en de veroordeling van Jeanne d’Arc. Hij kon de medeplichtigen van de Engelsen pas ter verantwoording roepen, nadat Parijs in zijn handen zou zijn gevallen. Maar ook Rouen moest in zijn bezit zijn, voor hij echt iets kon ondernemen, omdat het proces daar was gevoerd en de originele documenten in Rouen werden bewaard. Rouen kwam pas in de handen van Karel VII in november 1449.

De herziening van Bouillé - 1450[bewerken]

Op 15 februari 1450 gaf Karel opdracht aan Guillaume Bouillé, deken van het koninklijk kapittel van Roye en rector aan de universiteit van Parijs, om de zaak te onderzoeken. Bouillé ging onmiddellijk aan het werk en liet een aantal belangrijke getuigen ondervragen namelijk:

Ook al liet Bouillé een aantal belangrijke getuigen ongemoeid, toch bleek overduidelijk uit de getuigenissen, dat Jeanne ten onrechte was veroordeeld en illustreerden ze de haat en de wraakgevoelens die de oorspronkelijke rechters hadden geleid. De gebetenheid van Cauchon, de bedreigingen tegen meer gematigde rechters, de onregelmatigheden en ongeldige procedures, de machinaties van Loyseleur, alles kwam aan het licht, maar het pauselijk hof in Rome wilde onder Engelse diplomatieke druk niet weten van een herziening van het proces. Karel VII had zich trouwens niet echt populair gemaakt aan het pauselijk hof door het uitvaardigen van de "Pragmatische sanctie van Bourges" in 1438, die de pauselijke macht in Frankrijk sterk inperkte.

De acties van d'Estouteville - 1452[bewerken]

Guillaume d'Estouteville

Met de opkomst van Mehmet II nam de dreiging voor een Ottomaanse inval in Italië toe; de paus begon te vrezen voor zijn eigen domeinen en stuurde een legaat naar Parijs om de Franse en Engelse koningshuizen met elkaar te verzoenen en beiden om steun te verzoeken tegen Mehmet. Die legaat was de kardinaal Guillaume d’Estouteville, verwant aan Karel VII. Tijdens zijn bezoek aan Rouen op 1 mei 1452 ondervroeg ook hij een aantal getuigen en delegeerde de zaak aan Philippe de la Rose, die het onderzoek voortzette en een substantiële bijdrage leverde aan de informatie die uiteindelijk zou leiden tot het herzieningsproces. Maar ook d’Estouteville liet twee belangrijke getuigen ongemoeid, namelijk Raoul Roussel, de aartsbisschop van Rouen en Jean le Maître de vice-inquisiteur. Beiden hadden een belangrijke rol gespeeld tijdens het proces. d'Estouteville maakte de zaak aanhangig bij de Inquisiteur van Frankrijk, Jean Bréhal. Daardoor werd een herziening onafhankelijk van de inbreng van Karel VII. Maar ook in 1452 bleef de paus de Engelsen ontzien en kwam het niet tot een herzieningsproces.

Ondertussen was Roussel overleden en werd d’Estouteville benoemd tot aartsbisschop van Rouen. Met Roussel was een belangrijke hinderpaal voor de herziening uit de weg geruimd. d’Estouteville liet de zaak opnieuw onderzoeken door twee gereputeerde theologen en kenners van het canoniek recht, Théodore de Lellis en Paul Pontanus. In zijn rapport somde de Lellis alle procedurefouten van Cauchon één voor één op.

Het rehabilitatieproces - 1455/1456[bewerken]

Karel VII van zijn kant liet de vraag om een herziening opnieuw te berde brengen, maar ditmaal door de moeder van Jeanne en haar broers, om op die manier de zaak uit de politieke sfeer tussen Frankrijk en Engeland te halen, maar paus Nicolaas V bleef een herziening weigeren. Het is pas na het overlijden van Nicolaas V en het aantreden van Calixtus III op 8 april 1455 dat d’Estouteville de nieuwe paus van de noodzaak van een herziening kon overtuigen. De paus gaf met een apostolisch schrijven van 11 juni 1455 opdracht aan Jean Jouvenel des Ursins, aartsbisschop van Reims, Guillaume Chartier, bisschop van Parijs en aan Richard Olivier de Longeuil, bisschop van Coutances, om de herziening van het proces van Jeanne te starten.[50]

Het proces begon in Reims op 7 november 1455. De ondervraging van een honderdvijftigtal getuigen leverde een totaal ander beeld van Jeanne op, ze schilderden bijna unaniem een portret van een eerlijk, zuiver, integer en dapper meisje. De belangrijke spelers bij het originele proces bleven vaag en konden zich weinig of niets herinneren. Een aantal van de hoofdrolspelers, zoals de bisschop van Beauvais, werd zelfs niet ondervraagd. Inquisiteur-generaal Jean Bréhal maakte een samenvatting van 55 pagina’s, waarin hij Jeanne beschreef als een martelares en de ondertussen overleden Pierre Cauchon beschuldigde van ketterij, omdat hij een onschuldig meisje deed veroordelen omwille van een seculiere twist tussen koningshuizen. Op basis van dit document werd Jeanne volledig in eer hersteld. Het nieuwe vonnis, uitgesproken op 7 juli 1456, verwierp het oorspronkelijke oordeel en omschreef de eerdere zitting als "corruptie, bedrog, laster, fraude en kwaadwilligheid". De medewerkers van Cauchon, de rechters en aanklagers van het originele proces, waarvan velen nog in leven waren en hoge functies bekleedden in de kerkelijke hiërarchie, werden met rust gelaten.

Heiligverklaring[bewerken]

In april 1909 werd Jeanne zalig verklaard door paus Pius X en op 16 mei 1920 verklaarde paus Benedictus XV haar heilig. Haar feestdag wordt gevierd op 30 mei.

Geestesgesteldheid[bewerken]

Men heeft steeds opnieuw geprobeerd de verschijningen van Jeanne op een of andere manier rationeel te verklaren. Als de geleerden het over één ding eens zijn, dan is het, dat zij eerlijk en oprecht was in haar verklaringen. Documenten uit haar eigen tijd en historici van voor de 20e eeuw noemen haar lichamelijk en geestelijk gezond. Recentelijk probeert men haar visioenen uit te leggen als het gevolg van epilepsie, migraine, tuberculose en schizofrenie. Veel van die diagnoses werden opgesteld door historici en niet door medische specialisten. Geen van die hypotheses wordt algemeen aanvaard en het zal waarschijnlijk giswerk blijven, omdat voldoende gedetailleerde informatie om een stevige casus op te bouwen ontbreekt. De getuigenissen van Jeanne zelf tijdens haar proces vormen het enige materiaal. Ze weigerde aanvankelijk om over haar visioenen te spreken, onder meer omdat ze aan haar koning gezworen had hierover niet met anderen te spreken. Dat er machinaties en valse verklaringen gebruikt zijn, om haar te kunnen veroordelen, zal geen enkele historicus ontkennen, het blijft dan ook moeilijk in te schatten, wat de precieze vorm en draagwijdte van de visioenen was. Medische experten wezen er trouwens zelf op, dat dergelijke ziektebeelden niet te verenigen zijn met de levensstijl en de activiteiten die Jeanne ontplooide en Régine Pernoud antwoordde op een theorie die opperde dat Jeanne tuberculeus was door het drinken van niet-gepasteuriseerde melk, dat gezien wat Jeanne voor Frankrijk presteerde, het aanbevelingswaardig zou zijn, om het pasteuriseren van melk voortaan te verbieden.

Historici voeren dan weer aan, dat het weinig waarschijnlijk zou geweest zijn, dat Jeanne aan het hof van Karel VII enige vorm van medewerking zou gekregen hebben, als zij geestesziek zou geweest zijn, gezien de ervaring die Karel VII had met zijn geesteszieke vader Karel VI.[51]

Sommigen schijnen ook uit het oog te verliezen dat het middeleeuwse denken toch enigszins verschilde van het hedendaagse als men het idee van een opdracht te hebben, sterk moreel gevoel, aseksualiteit, ingetogenheid en religiositeit met ziektebeelden gaat associëren. Het feit dat ze zowel door voor- als tegenstanders op haar maagdelijkheid getest werd, om na te gaan of ze geloofwaardig was als gezonden door God in het ene geval en om aan te tonen dat ze een heks kon zijn in het andere, laat een ander licht schijnen op deze aseksualiteit.

In de politiek[bewerken]

Van bij het begin van haar tocht door Frankrijk was Jeanne een speelbal tussen politieke facties. In haar tijd waren het de Armagnacs en de Bourguignons. De Armagnacs verspreidden het beeld van hat arme herderinnetje uit de Lorraine dat het koninkrijk gaat redden.[52] Jeanne was geen herderin, maar de dochter van een vrije boer met zijn eigen bedrijf en ze kwam niet uit Lotharingen maar uit de Barrois. De Bourguignons dachten, dat ze gemanipuleerd werd door personages aan het koninklijk hof en de Engelsen aanzagen haar voor een heks.[53]

Voltaire zou haar in zijn werk dat hij publiceerde in 1762 belachelijk maken, want hij wou door haar de bijgelovigheid aan de kaak stellen en kritiek leveren op het idee van de goddelijke interventie in de geschiedenis.

De historicus Jules Michelet publiceerde zijn boek Jeanne d’Arc in 1841 en hij maakte van Jeanne een “lekenheilige”, een incarnatie van het Franse volk omwille van haar eenvoudige afkomst, provinciale origine, ongeletterdheid en gezond verstand. Ze stelde een voorbeeld aan diegenen die haar omringden en lag aan de basis van een van de kritieke en belangrijke fases van de opbouw van de natie. Michelet was een republikein en vrijdenker en zijn visie van een volksheldin, vergeten door de koning die ze op de troon hielp en vernietigd door de kerk, werd sterk ondersteund door de publicatie van de notulen van beide processen door Jules Quicherat. Dit beeld werd overgenomen door Henri Martin, een andere republikeinse historicus en hij maakte van haar de incarnatie van de Gallische geest en deugden. Pierre Larousse bevestigde in 1870 deze visie in zijn Grand Dictionnaire du XIXe siècle terwijl de kerkelijke autoriteiten als reactie hierop de heiligheid van Jeanne begonnen te promoten.

Dan was het de beurt aan de socialisten om Jeanne als een van hen op te eisen. Lucien Herr, bibliothecaris bij de École normale supérieure publiceerde onder het pseudoniem Pierre Breton op 14 mei 1890 een artikel in Le Parti Ouvrier met als titel Notre Jeanne d'Arc. Hij ontzegde aan de Rooms-katholieke Kerk de cultus van diegene die ze enkele eeuwen voordien verbrand hadden. Zijn vriend Charles Péguy publiceerde zijn Jeanne d’Arc en droeg het werk op aan al diegenen die gestorven waren om de universele socialistische republiek te vestigen, maar Péguy bekeerde zich omstreeks 1910 weer tot het katholieke geloof en herzag dan zijn werk.

In 1908 zocht Anatole France op zijn beurt een rationele uitleg voor de gebeurtenissen rond Jeanne. De visioenen werden hallucinaties en hoewel hij de dapperheid en de eerlijkheid van Jeanne niet in vraag stelde, schreef hij de overwinning in Orléans in de eerste plaats toe aan het gebrek aan manschappen bij de Engelsen. Volgens hem deed Jeanne niet veel meer dan het moreel van de Franse troepen opkrikken en hij zag in de ganse zaak een enscenering van de geestelijkheid ten voordele van de kerk.

In antwoord op Michelet werd de procedure die moest leiden tot de canonisatie in 1869 op gang gebracht door Félix Antoine Philibert Dupanloup, bisschop van Rouen. Op 8 mei 1869 looft hij in een panegyriek de heiligheid van la Pucelle, naar de brandstapel gebracht door een priester die zijn roeping verloochend had en door universitairen verkocht aan de Engelsen, maar niet door de kerk. Uiteindelijk zou het nog tot 1920 duren, voor Jeanne heilig verklaard werd, maar ook de kerk had Jeanne dus gerecupereerd. De linkerzijde in Frankrijk nam dit niet en distantieerde zich van Jeanne d’Arc in het begin van de 20e eeuw hoewel dit niet algemeen was. Jean Jaurès bijvoorbeeld had duidelijk nog sympathie voor Jeanne d’Arc zoals mag blijken uit zijn boek L’armée nouvelle van 1910.

Die afwijzing door links leidde ertoe dat de rechtse nationalisten in het begin van de 20e eeuw Jeanne monopoliseren voor hun zaak, vooral na de veroordeling van de Action Française door de paus in 1928. Alle stromingen binnen de beweging eisten Jeanne op als hun patrones. In 1936 trokken zelfs 3000 vrijwilligers naar Spanje om te gaan vechten aan de zijde van de Franquisten onder de banier van Jeanne d’Arc. Er werd in 1920 ook een nationale feestdag ter ere van Jeanne d’Arc ingesteld op 8 mei, de datum van de bevrijding van Orléans[54]. Ook de Franse presidenten deden mee. Bijna alle naoorlogse presidenten van de republiek[55] hebben op de eerste 8e mei na hun verkiezing een bezoek gebracht aan Orléans tijdens de feestelijkheden ter ere van Jeanne d’Arc om er een toespraak te houden waarin het verhaal van Jeanne gebracht werd.

Onder het regime van Maarschalk Pétain tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Jeanne misbruikt om te ageren tegen de zogenoemde Judeo-maçonnerie en tegen de Engelsen. De bombardementen op Rouen werden vergeleken met de marteldood van Jeanne en in beide gevallen waren de Engelsen de schuldigen. Hoewel ook in de weerstand het beeld van Jeanne werd gebruikt, zou na de oorlog de cultus van Jeanne achteruit gaan omdat hij geassocieerd werd met de collaboratie en ze werd dan weer populair in linkse kringen.[56]

As Jean-Marie Le Pen in 1972 het Front National oprichtte, koos hij als kenner van de nationalistische mythologie, Jeanne d’Arc als symbool van verzet tegen alle “indringers”. Het Front National riep vervolgens tussen de twee rondes van de presidentsverkiezingen van 1988 een eigen feestdag uit voor Jeanne d’Arc op 1 mei en ze maakten van deze dag het orgelpunt van hun campagne. Jean-Marie Le Pen gebruikte Jeanne om katholieken te ronselen voor zijn partij, zijn dochter Marine Le Pen gebruikt Jeanne als symbool van de strijd tegen Europa.

Ook Nicolas Sarkozy probeerde Jeanne te gebruiken om zijn imago op te smukken voor de presitdentsverkiezingen van 2012. Op 6 januari 2012 vierde hij de 600e verjaardag van de geboorte van Jeanne door een reis naar de belangrijke plaatsen uit het leven van Jeanne, onder meer naar haar geboortedorp. Het was van 1920 geleden dat een Franse president Domrémy nog bezocht had. Maar ook tijdens zijn campagne van 2007 had Sarkozy al gebruikgemaakt van de figuur van Jeanne d’Arc.

In de kunsten[bewerken]

Haar persoon en leven heeft kunstenaars geïnspireerd in praktisch elk domein van de kunsten. Men kan hier lijsten van werken uit verschillende domeinen terugvinden.

In de literatuur (poëzie, roman, theater):

  • 1461: François Villon, Ballade des Dames du temps jadis.
  • 1588: Shakespeare, die haar in Henry VI als heks neerzette.
  • 1656: Jean Chapelain, La Pucelle ou la France délivrée.
  • 1752: Voltaire, La pucelle d'Orléans.
  • 1801: Schiller, Die Jungfrau von Orleans.
  • 1895: Mark Twain, Personal Recollections of Joan of Arc.
  • 1923: George Bernard Shaw, Saint Joan.
  • 1939: Paul Claudel, Jeanne au bûcher.
  • 1953: Jean Anouilh, L'Alouette.
  • 1959: Bertolt Brecht, Die heilige Johanna der Schlachthöfe.
  • 1961: M.J. Krueck von Poturzyn "Jeanne D'Arc-Die Sendung des Mädchens". Jeanne D'Arc- De maagd van Orléans (historische roman
  • 2001: Simone van der Vlugt, Jehanne.
  • 2002: Hubert Lampo, De duivel en de maagd
  • 2005: Régine Deforges, La Hire, ou la colère de Jehanne
  • 2011: Bernard Simonay, Le Lys et les Ombres
  • 2011: Michael Scott, "De geheimen van de onsterfelijke Nicolas Flamel (boek 2: De magiër)"
  • 2013: Michael Scoft, "De geheimen van de onsterfelijke Nicolas Flamel (boek 6: De ziener)"

In de muziek:

In de film:
Ook in de film is Jeanne goed vertegenwoordigd. Haar leven of delen eruit zijn het onderwerp van een groot aantal films en TV-series. Ze werd al opgevoerd in de tijd van de stomme film. De volgende lijst geeft een overzicht:

Beeldende kunsten:
Er zijn tientallen standbeelden van Jeanne d’Arc gemaakt waarop ze wordt afgebeeld zowel als ruiter, te voet in wapenrusting, geknield, biddend en zelfs als herderinnetje. Een mooi overzicht hiervan kan men vinden op Wikimedia-Commons

Ook in de schilderkunst is de geschiedenis van Jeanne een inspiratiebron geweest voor een groot aantal kunstenaars. De lijst hierbij geeft een overzicht van enkele belangrijke werken.

  • Parijs, Louvre : Jeanne d'Arc bij de zalving van Karel VII in de kathedraal van Reims, Ingres, 1854. olie op doek, 240 × 178 cm
  • Chinon, Musée Jeanne-d'Arc : Jeanne in Vaucouleurs, van C. R. Walter
  • Mehun-sur-Yèvre, Jeanne biddend voor de H. Maagd (met het kasteel van Mehun op de achtergrond), 1886, Grandin, naar een karton van Momet
  • New York, Metropolitan Museum of Art : Jeanne d'Arc, olie op doek 250 × 280 cm, Jules Bastien-Lepage(1848-1884)
  • Parijs, Louvre : Jeanne d'Arc in het gezelschap van Karel VII, beantwoordt de prelaten die haar ondervragen over haar missie en haar visioenen, 170 × 140 cm, 1833, Gillot Saint-Evre
  • Parijs, Musée d'Orsay : Jeanne d'Arc luistert naar haar stemmen, 46 × 55 cm, 1880 - 1890, Eugène Carrière
  • Parijs, Panthéon : Jeanne d'Arc als herderin, 1886 - 1890, Jules Eugène Lenepveu
  • Parijs, Panthéon: Jeanne d'Arc voor Orléans, 1886 - 1890, Jules Eugène Lenepveu
  • Parijs, Panthéon: Jeanne d'Arc in Reims bij de kroning van Karel VII, 1886 - 1890, Jules Eugène Lenepveu
  • Parijs, Panthéon: Jeanne op de brandstapel, 1886 - 1890, Jules Eugène Lenepveu
  • Rouen, Musée des Beaux-Arts: De zieke Jeanne d'Arc wordt in haar cel ondervraagd door de kardinaal van Winchester, olie op doek 277 × 217 cm, Paul Delaroche (1797-1856)
  • Rouen, Musée des Beaux-Arts: Jeanne in Domrémy, Léon François Bénouville (1821-1859)
  • Rouen, Musée des Beaux-Arts: Jeanne en haar stemmen, Eugène Romain Thirion, 1876
  • Rouen, Musée Jeanne-d'Arc : Intrede van Jeanne d’Arc in Orléans, Jean-Jacques Scherrer (1885-1916)
  • Vaucouleurs, Musée Jeanne-d'Arc : Het vertrek van Jeanne d'Arc, olie op doek 430 × 320 cm, Jean-Jacques Scherrer (1885-1916)
  • Jeanne d'Arc, de Gustave Doyen (1837 - ?)
  • Sainte Jeanne d'Arc, Paul de la Boulaye (1849-1926), 92 x 65 cm
  • Le Sacre de Jeanne d'Arc, Carole Dekeijser(1959-2008), 235 × 135 cm

Weblinks[bewerken]

Bronnen

  • Marie-Véronique Clin, Jeanne d’Arc, Le Cavalier Bleu, 2003
  • Régine Pernoud, Marie-Véronique Clin, Jeanne d’Arc, Fayard/pluriel, 2011
  • Jules Quicherat, Procès de Condamnation et de Réhabilitation de Jeanne Darc, dite la Pucelle, Paris 1841, Jules Renouard et Cie.
  • Auguste Vallet de Viriville, Procès de Condamnation de Jeanne Darc, dite la Pucelle d’Orléans, Paris 1867, Librarie de Firmin Didot Frères, Fils et Cie.
  • Albert Heuduin, Rôle préponderant de Guillaume Bouillé au Procès de Réhabilitation de Jeanne d'Arc, in Bulletin Trimestriel de la Société des Antiquaires de Picardie, 1939 2e trimestre.
  • Voor het aanmaken van dit artikel werd eveneens gebruikgemaakt van informatie op de Engelse, Franse en Duitse artikels over dit onderwerp.
  • Bron

Referenties

  1. a b c Moderne biografieën geven vaak 6 januari 1412 als haar geboortedatum, maar Jeanne zelf kon haar leeftijd slechts schatten. Dat geldt ook voor alle getuigen bij het rehabilitatieproces, hoewel verscheidene van dezen meters en peters van haar waren. De vaak genoemde datum 6 januari is op één enkele bron gebaseerd: een brief van Lord Perceval de Boulainvilliers op 21 juli 1429 (zie R. Pernoud, Joan of Arc: By Herself and Her Witnesses, New York, 1966, p. 98: "Boulainvilliers tells of her birth in Domrémy, and it is he who gives us an exact date, which may be the true one, saying that she was born on the night of Epiphany, January 6"). Boulainvilliers was echter niet afkomstig uit Domrémy. De gebeurtenis was waarschijnlijk niet vastgelegd. Het gebruik van parochieregisters voor niet-adellijke geboortes begon pas verscheidene generaties later.
  2. Dit is de gebruikelijke Franse spelling van haar naam. Haar naam werd op verscheidene wijzen geschreven, vooral vóór het midden van de 19e eeuw. Zie R. Pernoud - M-V. Clin, Joan of Arc: Her Story, New York, 1998, p. 220-221. Jeanne zelf schijnt haar naam altijd als "Jehanne" te hebben geschreven, zoals valt op te maken uit de drie overgeleverde ondertekeningen van haar hand: eerste, tweede en derde en laatste ondertekening.
  3. Voor Karel en Lodewijk had het paar al twee dochters en twee zoons die kort na de geboorte of in hun eerste levensjaren overleden. Karel VI was de oudste overlevende zoon.
  4. "The Glorious Age of the Dukes of Burgundy". Burgundy Today. Retrieved 9 March 2010.
  5. Noël Coulet, Le temps des malheurs (1348-1440) tiré de Histoire de la France des origines à nos jours sous la direction de Georges Duby, Larousse, 2007, p 405
  6. De historici zijn het nog altijd niet eens over de vraag tot welk gebied het noordelijke deel van Domrémy, waar Jeanne werd geboren, precies behoorde. Sommigen denken aan het graafschap Champagne anderen aan het leengoed van Bar. Alleszins werd het noordelijke deel van Domrémy in 1429 door Karel VII vrijgesteld van belastingen op het moment dat hij de familie in de adelstand verhief, wat dus pleit voor de Barrois.
  7. Haar moeder had als bijnaam la Romée omdat ze als meisje een bedevaart naar Rome gemaakt zou hebben.
  8. In de middeleeuwen een boer die zijn eigen grond bewerkte.
  9. Domrémy dat deel uit maakte van Greux.
  10. Proces 8e zitting, 21 februari 1431.
  11. a b Proces 9e zitting, 22 februari 1431.
  12. Marie-Véronique Clin, Jeanne d'Arc, Le Cavalier Bleu, 2003, p. 24
  13. Hier werd het Ile de France bedoeld.
  14. Die oom Durand Laxart was eigenlijk een neef, maar werd door Jeanne oom genoemd omdat hij veel ouder was.
  15. Ze werd begeleid door zes mannen van Yolande van Aragon, de twee schildknapen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy en een koninklijke koerier Colet de Vienne. Deze drie hadden elk een dienaar mee.
  16. Proces 11e zitting, 27 februari 1431.
  17. Chronique de la Pucelle van Guillaume Cousinot de Montreuil opgesteld in 1467
  18. Marie-Véronique Clin, Jeanne d'Arc, Le Cavalier Bleu, 2003, p. 57
  19. Twee torens die de brug over de Loire ten zuiden van de stad beheersten.
  20. Perroy, Edouard (1965). The Hundred Years War. trans. W.B. Wells. New York: Capricorn Books, p. 283.
  21. Richey, Stephen W. (2003). Joan of Arc: The Warrior Saint. Westport, CT: Praeger. p. 4.
  22. a b Régine Pernoud, Marie-Véronique Clin, Joan of Arc, Pluriel – Paris 2011.
  23. a b Kennedy Hickman, Hundred Years' War. The battle of Patay. Military Historical Guide 1400-1600.
  24. DeVries, Kelly (1999). Joan of Arc: A Military Leader. Stroud, Gloucestershire: Sutton Publishing. p. 134
  25. Guus Pikkemaat, Jeanne d’Arc. De maagd van Orléans. 2009, Uitgeverij Aspekt, p. 81.
  26. Jean Chartier, Chronique de Charles VII, roi de France, édition établie par Auguste Vallet de Viriville, tome I, p. 109, Paris, Pierre Jannet, 1858.
  27. Barbara Geiger, "A Friend to Compiegne", Calliope Magazine, april 2008, 18 (8): p. 32–34.
  28. Guus Pikkemaat, p. 101.
  29. Guus Pikkemaat, p. 102.
  30. Dit bedrag werd gefinancierd met een extra belasting op de bevolking van Normandië!
  31. Guus Pikkemaat, p. 105-106.
  32. Hij kreeg een “lettre de territoire” van het kapittel van Rouen om dit probleem te omzeilen. Rouen werd uitgekozen op basis van “overwegingen over de actuele en te voorziene omstandigheden”; blijkbaar was men bang om het proces elders, bijvoorbeeld in Parijs, te voeren.
  33. a b Proces 7e zitting, 20 februari 1431.
  34. In het order van Hendrik VI van 3 januari 1431 dat de overdracht regelde.
  35. In feite vond de eerste sessie plaats op 9 januari 1431 maar de eerste sessies werden gevuld met voorbereidend werk en met de samenstelling van het rechtscollege. 21 februari is de datum van de eerste publieke zitting waarop ook Jeanne aanwezig was.
  36. DuParc, Pierre (1977). Procès en Nullité de la Condamnation de Jeanne d'Arc, Volume 1. Société de l'Histoire de France. p. 181.
  37. M. Vallet de Viriville, Procès de condamnation de Jeanne d’Arc, dite la Pucelle d’Orléans, traduit du latin, Paris 1867
  38. Vrije vertaling: Als ik het niet ben dat God me dan de staat van genade geeft en als ik het wel ben dat hij me dan in de staat van genade houdt. Ik zou de meest droevige van de ganse wereld zijn als ik zou weten dat ik niet in staat van genade ben.
  39. Pernoud en Clin, New York 1998, p. 112.
  40. Pernoud en Clin, New York 1998, p. 10.
  41. M. Vallet de Viriville, p. 195
  42. Berisping, vermaning
  43. Afzweren van een geloofsdwaling.
  44. M. Vallet de Viriville, p. 229-230
  45. vrij vertaald: met het brood van de smart en het water van de angst.
  46. In wezen had zij de mannenkleding aangetrokken omdat de wachten op 27 mei de vrouwenkleding hadden weggenomen, zodat ze wel verplicht was om mannenkleding aan te trekken. Zie: M. Vallet de Viriville, p. 236 en Jules Quicherat (1844). Procès de Condamnation et de Réhabilitation de Jeanne d'Arc, Volume 2. Société de l'Histoire de France. p. 18.
  47. DuParc, Pierre (1977). Procès en Nullité de la Condamnation de Jeanne d'Arc, Volume 1. Société de l'Histoire de France. p. 427.
  48. Deuteronomium 22:5 “Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den Heere uw God een gruwel”.
  49. Forensic Science International, 194(2010) e9-e15.
  50. Jules Quicherat, (1844). Procès de Condamnation et de Réhabilitation de Jeanne d'Arc, Volume 2. Société de l'Histoire de France, p. 95-98
  51. Pernoud and Clin, p. 3, 169, 183.
  52. Olivier Bouzy, Jeanne d'Arc, femme providentielle, in “L'ombre d'un doute”, 4 december 2011
  53. Dimitri Casali, Le mystère Jeanne d'Arc, n° 3 van “Zoom sur l’Histoire”, Point de Vue, 6 januari 2012
  54. Dit was al in 1884 voorgesteld door Joseph Fabre lang voor Jeanne een nationalistisch symbool was geworden. Fabre vertaalde de notulen van het rehabillitatieproces van het Latijn naar het Frans en was dus een kenner van de geschiedenis van Jeanne.
  55. Met uitzondering van Georges Pompidou en Nicolas Sarkozy.
  56. De communistische schrijfster Édith Thomas publiceerde een biografie van Jeanne in 1947.
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Jeanne d'Arc.