Jheronimus Bosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf Jeroen Bosch (schilder))
Ga naar: navigatie, zoeken
Jheronimus Bosch
Mogelijk portret van Jheronimus
Bosch (ca. 1550)
Volledige naam Jheronimus Anthonissen van Aken
Geboren circa 1450
Overleden augustus 1516
Geboorteland Hertogdom Brabant
Tegenwoordig Nederland
Beroep(en) kunstschilder
Kunst & Cultuurportaal

Jheronimus Bosch ('s-Hertogenbosch (?), circa 1450 – aldaar begraven, 9 augustus 1516), postuum ook Jeroen of Hiëronymus Bosch genoemd, eigenlijk Jheronimus van Aken, was een Nederlands kunstschilder van de Noordelijke Renaissance. Hij ging de geschiedenis in als ‘le faizeur de Dyables’ (de schepper van duivels) en als schilder van satirische voorstellingen, maar hij is vooral van betekenis als vernieuwer van de bestaande iconografische traditie. Hij ging hierin soms zover dat de betekenis van veel van zijn werk tegenwoordig moeilijk te ontrafelen is. Een groot deel van zijn voorstellingen is erg negatief, en laat zien hoe de mens aan zijn eigen ondergang werkt, maar de ondertoon is vaak, dat de mens zelf de keus heeft over zijn lot te beschikken. Daarmee bevindt de schilder zich op het breukvlak van de God-gerichte Middeleeuwen, waarin de mens van nature slecht is, en de meer mens-gerichte Nieuwe Tijd. Hoewel hij al tijdens zijn leven een beroemd schilder was, en hij zelfs opdrachten van het hertogelijk hof in Brussel kreeg, is er vrij weinig over hem bekend.

Inhoud

[bewerken] Leven

Volgens Karel van Mander werd Jheronimus Bosch in 's-Hertogenbosch geboren. Hij was een zoon van de kunstschilder Anthonis van Aken. Ook zijn grootvader Jan (vermeld in 's-Hertogenbosch in 1434/1435),[1] zijn broer Goossen en drie ooms waren schilder. Waarschijnlijk werd hij geboren in het huis ‘De Kleine Winst’, dat nu nog steeds aan de Bossche Markt staat. Een plaquette aan de buitenmuur van dit pand herinnert hieraan. Over zijn jeugd is niets bekend. In 1463 woedde er een grote brand in 's-Hertogenbosch, die Bosch als kind mogelijk heeft aanschouwd. Bij deze brand gingen 4000 huizen in vlammen op. In het latere werk van Bosch komen vaak stadsbranden voor.

[bewerken] Opleiding

Men gaat er tegenwoordig van uit dat Jheronimus Bosch opgeleid werd in het atelier van zijn vader in 's-Hertogenbosch. Toen Bosch opgroeide was er in 's-Hertogenbosch sprake van een bescheiden en niet erg vernieuwingsgezinde, lokale kunsttraditie. In een enkel geval is de Bossche invloed ook daadwerkelijk merkbaar in zijn werk. Zo is zijn Calvarie met schenker gebaseerd op een fresco uit 1444 in de Sint-Jan, dat in het verleden aan zijn grootvader, Jan van Aken, werd toegeschreven.[2]

[bewerken] Familieatelier Van Aken

Jheronimus Bosch. Tuin der Lusten, buitenzijde, Schepping van de wereld. 1480-1490. Madrid, Museo del Prado.
Anoniem. De lakenmarkt te ’s-Hertogenbosch, het huis ‘Inden Salvatoer’ is het zevende huis van rechts. Ca. 1530. ’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum.

In 1480 wordt Bosch in een akte ‘Joen Die Maelre’ genoemd, dus was hij uiterlijk op dat moment zijn carrière begonnen. Twee jaar daarvoor, in 1478, overleed zijn vader. Waarschijnlijk zetten Jheronimus en zijn broer Goossen het familieatelier voort. Dit atelier was gevestigd in het het huis ‘In Sint Thoenis’, aan de oostzijde van de Markt, dat van 1462 tot 1523 in het bezit van de familie Van Aken was. Eén van de eerste werkstukken van de gebroeders Van Aken is mogelijk een verloren gegaan retabel voor het hoofdaltaar van de toenmalige Sint-Janskerk met als onderwerp de Schepping van de Wereld.

Op 30 juni 1481 beloofde Goossen, dat hij tussen die datum en aanstaande Bamis (1 oktober) twee vleugels voor het hoogaltaar van de Sint-Janskerk zou beschilderen. Veel later, omstreeks 1610, wordt hetzelfde altaarstuk in de Historia chronologica oppidi Buscoducis (De chronologische geschiedenis van de stad ’s-Hertogenbosch) omschreven als opus creationis hexameron mundi (het werk van de schepping in zes dagen van de wereld). Bovendien wordt het daar niet als werk van Goossen van Aken genoemd, maar als dat van Jheronimus Bosch.[3] De Schepping van de Wereld wordt tegenwoordig in verband gebracht met de Tuin der Lusten, dat aan de buitenzijde hetzelfde onderwerp bevat. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Bosch de hem zo kenmerkende manier van schilderen al vrij vroeg ontwikkelde binnen de context van een familieatelier.

In juni 1481 blijkt Bosch getrouwd te zijn met Aleit Vander Meervenne (1447-1531), een telg uit een welgestelde familie van kooplieden. Via dit huwelijk kwam hij in het bezit van het huis ‘Inden Salvatoer’, aan de noordzijde van de Markt. Men gaat ervan uit dat Bosch hier geen nieuwe atelier vestigde, maar in het atelier ‘In Sint Thoenis’ bleef werken. In 1495 overleed zijn broer, waarna hij alleen leiding gaf aan het atelier.[4]

[bewerken] ‘Meester Jheronimus’

Jheronimus Bosch. Johannes de Evangelist. 1489 (?). Berlijn, Gemäldegalerie.

Bosch' eigenlijke familienaam was dus Van Aken. Vanaf omstreeks 1490 signeerde hij zijn werk echter met ‘Jheronimus Bosch’. In 1504 wordt hij voor het eerst onder die naam vermeld in de hertogelijke boekhouding: ‘Jerronimus Van aeken dit bosch paintre de (meurant) au bois le duc’ (Hieronymus van Aken, genoemd Bosch, schilder, wonende te 's-Hertogenbosch).[5] Zes jaar later wordt hij in 's-Hertogenbosch vermeld als ‘Jheronimus van Aken, scilder ofte maelder, die hem selver scrift Jheronimus Bosch’. Het aannemen van de 'achternaam' Bosch wordt door sommigen uitgelegd als een bewijs voor zijn bekendheid (ver) buiten de grenzen. Anderen menen dat hij niet zichzelf zo genoemd heeft, maar door andere met de naam Bosch werd aangeduid tijdens een verblijf in het buitenland. Verder wordt hij in de archieven vermeld als ‘Jeroen’, vaker ‘Joen’ en een enkele keer ‘Jonen’.[6] In het Spaans duidt men hem aan met El Bosco.

[bewerken] Onze-Lieve-Vrouwebroederschap

Bosch was tijdens zijn leven al een populaire schilder en ontving zelfs toelagen uit het buitenland. In 1486 of 1487 trad hij toe tot de elitaire en devote Onze-Lieve-Vrouwebroederschap, een conservatieve religieuze groep waarvan ongeveer 40 invloedrijke personen in 's-Hertogenbosch lid waren. In 1488 werd hij benoemd tot gezworene van deze broederschap, wat betekent dat hij zoals zijn medebroeders clericus moest zijn met ten minste een eenvoudige wijding. Via deze groep verwierf Bosch waarschijnlijk veel van zijn opdrachten, zoals de ‘deuren van der tafelen staende op Onser liever Vrouwen autair geschildert by meester Jeronimus' (luiken van het retabel staande op het Onze-Lieve-Vrouwenaltaar geschilderd door meester Jheronimus), die tegenwoordig in verband worden gebracht met de werken Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. Op het rechterpaneel zou hij zich, prominent boven zijn handtekening, als koorduivel hebben afgebeeld, een demon die alle zonden van de mens noteert en ze op de Dag des oordeels tegen hem zal gebruiken. Dit is niet te bewijzen, maar is wel zeer toepasselijk voor Bosch, die veel misstanden die hij om zich heen zag opnam in zijn werk.

Andere bronnen melden echter deze panelen allemaal verloren zijn gegaan en dat het laatste wat van deze stukken bekend is, dat Frederik Hendrik, toen hij in 1629 's-Hertogenbosch innam, de vertrekkende katholieke geestelijken toestond ze mee te nemen.

In 1493 of 1494 ontwierp hij een aantal glas-in-loodramen voor de kapel van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de Sint-Jan.[1]

Jheronimus Bosch. Laatste Oordeel, buitenzijde. 1476-1516.

Bosch lidmaatschap van het Onze-Lieve-Vrouwebroederschap wijst erop dat hij tot de burgerlijke elite van 's-Hertogenbosch behoorde. Veel thema’s uit Bosch’ werk hebben betrekking op zaken waar de gegoede burgerij zich mee bezig hield, of waar ze zich aan stoorde, zoals losbandigheid (Allegorie op de gulzigheid en Het narrenschip), goedgelovigheid (De keisnijding en De goochelaar), luiheid (Spotprent op de luiheid) en bedelarij (Sint-Maarten in de haven). In een alleen in prentvorm bewaard gebleven werk van Bosch, de Hekeling van krijgslieden en pretmakende armoedzaaiers, wordt niet alleen bedelarij aan de kaak gesteld, maar ook (indirect) de heersende klasse, de adel, die een constante bedreiging vormde voor de burgerij.[7]

[bewerken] Moderne devotie

Volgens Bosch-kenner Charles de Tolnay werd het karakter van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in Bosch’ tijd sterk bepaald door de Moderne devotie. Deze toen nieuwe richting binnen het katholicisme predikte de navolging van het leven van Christus buiten de kerk om en broederschappen zoals die van de Onze-Lieve-Vrouwe leenden zich hier uitstekend voor. De Moderne devotie was een reactie op de corruptie binnen de Kerk. Dat Bosch een aanhanger zou zijn van deze stroming blijkt volgens De Tolnay o.a. uit de vaak in zijn werk terugkerende hekeling van zowel hoge als lage geestelijken (zie bijvoorbeeld het middenpaneel van het Hooiwagen-drieluik.[8] Daarnaast stond de Moderne devotie voor een persoonlijke geloofsbelijdenis en praktische levenswijsheid. Kunsthistorici nu geloven dat hieruit Bosch’ vernieuwingsdrang en zijn toepassing van tot dan toe in de schilderkunst onbekende (literaire) motieven te verklaren is (zie bijvoorbeeld Tuin der Lusten).[9]

Bosch had een voorliefde voor kluizenaars (zie bijvoorbeeld het Heremieten-drieluik en de Heilige Hiëronymus). Deze vroeg-christelijke heiligen, met hun vrome en ascetische levenswijze, zijn waarschijnlijk voorbeelden van een nieuw levensideaal: de nieuwe asceet. Ook dit ideaal hangt samen met de moderne devotie. In de geest van de Broeders van het Gemene Leven wil de nieuwe asceet ‘godvruchtig leven en werken binnen de wereld’.[10]

Vermelding van Bosch in het wapenboek van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap. Ca. 1742.

[bewerken] ‘Seer vermaerd schilder’

Vlak voor 1504 ontving hij van Filips de Schone de opdracht een altaarstuk te schilderen. Dit altaarstuk wordt in de archieven omschreven als ‘ung grant tableau de paincture de 9 pietz de hault et 11 pietz de long Ou doit estre le Jugement de dieu assevoir paradis et infer que icellui Seigneur lui avoit ordonné faire pour son tres noble plaisir’.[11] Het gaat hier om een 248 bij 303 cm groot drieluik met als voorstelling de Dag des oordeels. De hertog betaalde Bosch een voorschot van 36 pond, maar het is niet bekend of het werk ook daadwerkelijk is opgeleverd. Het is niet onmogelijk dat het Laatste Oordeel-drieluik in Wenen een verkleinde kopie van dit werk is, al is het maar vanwege de heiligen Jakobus de Meerdere en Bavo, de patroonheiligen van Castilië en de Nederlanden, de belangrijkste erfladen van Filips de Schone, aan de buitenzijde. Dat Bosch een geliefde schilder was aan het Brusselse hof blijkt ook uit de vermelding in een inventaris uit 1516 van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk van een Verzoeking van de heilige Antonius, die zij mogelijk bij Bosch had besteld.[12]

Maar Bosch’ faam reikte tot ver buiten de grenzen van het hertogdom Brabant. Kardinaal Domenico Grimani liet in 1523 de werkjes Visioenen uit het hiernamaals na aan zijn geboortestad Venetië.[13] Daarnaast bevinden zich in die stad sinds mensenheugenis het Heremieten-drieluik en het Drieluik van de gekruisigde martelares. Deze opvallende concentratie van aanwijsbaar door Bosch geschilderde werken en het gegeven dat de figuren op één van deze werken Italiaanse kleding dragen, doet de vraag rijzen of Bosch ooit in Italië is geweest. Deze vraag heeft men echter nooit voldoende weten te beantwoorden.

De exacte sterfdatum van Bosch is niet bekend, maar zijn begrafenis, die door de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap betaald werd, vond plaats op 9 augustus 1516. Omstreeks 1742 wordt hij in een wapenboek van het broederschap vermeld als ‘Hieronimus Aquens, alias Bosch, seer vermaerd schilder, obiit 1516’.[14] Het is niet bekend waaraan hij stierf, maar in de jaren 1516/17 woedde in 's-Hertogenbosch de pleuritis.

[bewerken] Portretten

Anoniem. Jheronimus Bosch. Ca. 1550. Arras, Bibliothèque Municipale.
Hieronymus Cock. Jheronimus Bosch. 1572 (publicatie). Gravure.
Anoniem. Jheronimus Bosch. 16e eeuw (?). Amherst, Amherst College.

Van Jheronimus Bosch bestaan niet meer dan drie portretten, die allemaal na zijn dood tot stand kwamen. Men gaat er tegenwoordig van uit dat het portret afkomstig uit het Recueil d'Arras uit omstreeks 1550 en de in 1572 uitgegeven gravure van Hieronymus Cock teruggaan op een verloren gegaan portret of zelfportret.[1] Daarnaast bestaat er een ongedateerd olieverfpaneel dat Bosch op veertigjarige leeftijd voor zou stellen, maar ook hiervan ontbreekt een origineel. Het in 1929 gemaakte en in 1930 onthulde Standbeeld Jeroen Bosch van de beeldhouwer August Falise op de Markt in 's-Hertogenbosch is gebaseerd op het portret uit het Recueil d'Arras.

[bewerken] Historiografie

Iedere generatie heeft een nieuwe mening over Bosch, die niet zelden meer vertelt over die generatie dan over Bosch. Zo werd Bosch door de schrijver Lodovico Guicciardini gereduceerd tot ‘inventore nobilissimo miravigliose di cose fantastiche bizzare’.[15] Hij omschreef het werk van Bosch als bestaande uit vreemde drollen ende seltsame grillen ('drol' betekende in het toenmalige Nederlands 'grap').

Navolger van Jheronimus Bosch. Laatste Oordeel, met foutief gespelde signatuur ‘Jeronimus bosch’. Verblijfplaats onbekend.

De eerste systematische verzamelaar van het werk van Bosch was de humanist Felipe de Guevara, een vertrouweling van Karel V. Opmerkelijk is dat hij zich beklaagde over het grote aantallen imitaties, die hem werden aangeboden en die men in rookkanalen hing om ze er ouder uit te laten zien. Maar, zo schrijft Guevara, de imitaties laten zich van de originelen onderscheiden doordat Bosch uitging van de natuur, terwijl zijn navolgers de nadruk legden op zijn monsters en demonen en daarbij niet zelden de grenzen van het natuurlijke opzochten. Ook beweert Guevara dat Bosch een leerling had, aan wie hij de Zeven Hoofdzonden toeschreef.

Toen Guevara in 1570 overleed liet hij zes schilderijen op paneel en doek na aan de Spaanse koning, Filips II. In 1574 stuurde hij negen werken naar het Escorial, waaronder twee passiestukken, verschillende verzoekingen van de heilige Antonius en enkele grote allegorieën. Daarnaast worden nog eens twaalf werken genoemd in het koninklijk Paleis van Madrid en eenzelfde aantal in het jachthuis El Pardo.[12] Vanwege de verzamelwoede van Filips II bezit het Prado in Madrid tegenwoordig relatief veel werk van Bosch.

In de jaren ’30 werd onder invloed van de psychoanalyse gedacht dat Bosch krankzinnig was of dat hij op zijn minst geobsedeerd zou zijn door zonde en schuld. Ook vermoedde men in dit verband dat Bosch door middel van droombeelden via het onderbewustzijn van de toeschouwer een beroep probeerde te doen op zijn or haar moraal.

De Duitse kunsthistoricus Fränger, opperde in 1947 het idee dat Bosch lid is geweest van de Adamieten, ook wel de 'Broeders en Zusters van de Vrije Geest' genoemd. Dit was een sekte die Adam vereerde als de enige van zonden vrije persoon. Via Adam zou de mensheid terug kunnen keren naar een toestand van schuldeloosheid, waarmee het paradijs op aarde terug zou komen. De leden van de Adamieten zouden dan ook graag naaktlopen. Tegenwoordig meent vrijwel iedereen dat dit lidmaatschap onmogelijk waar kan zijn, omdat de Adamieten 100 jaar eerder dan Bosch in Brussel actief waren, maar niet meer tijdens zijn leven in 's-Hertogenbosch. Bovendien lijkt het lidmaatschap van de Adamieten onverenigbaar met het lidmaatschap van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw. Bovendien maakt de middeleeuwse symboliek ondubbelzinnig duidelijk dat de mensen op het middenpaneel zondig zijn. Bosch veroordeelt hen dus.

In de jaren zestig vroeg men zich af of hij als hij schilderde gedrogeerd geweest zou kunnen zijn. De ongebreidelde fantasie van Bosch doet de toeschouwer zich inderdaad afvragen waar hij het allemaal vandaan haalt. Niet alle schilders die leefden aan het eind van de Middeleeuwen hadden immers een dergelijk gruwelijke beeldtaal.

[bewerken] Invloeden

Hoewel Bosch bij leven een beroemd schilder was, werd hij relatief laat nagevolgd. De enige kunstenaars waar hij bij leven invloed op had waren de prentkunstenaar Alaert du Hamel, een stadsgenoot van Bosch, die enkele gravures maakte naar zijn tekeningen, en de schilders Joachim Patinir en Jan de Cock.[16] Via Jan de Cock kwam het werk van Bosch onder de aandacht van de groep Antwerpse maniëristen, waartoe onder meer Peter Huys en Jan Mandijn worden gerekend, die een oneindige reeks van kopieën en parafrases van zijn werk maakten. Maar ook van een Duitse schilder als Lucas Cranach is bekend dat hij werk van Bosch kopieerde. De meest bekende navolger van Bosch was echter Pieter Bruegel de Oude, die zich niet alleen Bosch’ stijl eigen maakte, maar ook diens thematiek verder uitwerkte. In de Noordelijke Nederlanden is zijn invloed merkbaar in werken van onder meer Lucas van Leyden, maar de navolging zoals hij die kreeg in Antwerpen, heeft daar nooit plaatsgevonden.[17] Men zegt ook dat de schilderijen van Bosch een bron van inspiratie zijn geweest voor het surrealisme uit de twintigste eeuw.

[bewerken] Werk

[bewerken] Schilderijen

Zie voor alle schilderijen van Bosch het artikel Lijst van schilderijen van Jheronimus Bosch

Al vanaf het eind van de 19de eeuw wordt onderzoek gedaan naar het werk van Bosch. Bij gebrek aan technische hulpmiddelen werd aanvankelijk nauwelijks onderscheid gemaakt tussen authentieke werken en dat van navolgers. Was een werk van mindere kwaliteit, deelde men het in bij de groep 'vroege werken', – zie bijvoorbeeld de Aanbidding der koningen in Philadelphia – was een werk excentriek dan moest het een 'laat werk' zijn – zie bijvoorbeeld de Kruisdraging in Gent. Bijkomend probleem was dat veel Bosch-navolgers en -kopiisten zijn signatuur minutieus vervalsten, uit eerbetoon of om aan te geven dat het ging om een vinding van Bosch.[18] In de loop der tijd vielen, met behulp van moderne technieken als röntgenstraling en dendrochronologie, een heel aantal werken van het Bosch-repetoire af, maar er kwamen er ook een enkele bij, zoals de Verzoeking van de H. Antonius in São Paulo. Uit dit geschuif met toeschrijvingen is een vrij heldere, vastomlijnde groep werken naar voren gekomen, die het kernoeuvre, de canon van Bosch vormt.

[bewerken] Kernwerken

Het kernoeuvre van Bosch kenmerkt zich door:

  • Grote, alleenstaande figuren of figuurgroepen in een soort schuldig landschap, waarin herinnerd wordt aan de slechtheid van de mens.[19]
  • Vervreemdende elementen, zoals monsters, vliegende vissen en uitvergroote flora en fauna. Zijn bouwwerken en steden doen organisch aan, terwijl zijn natuur juist iets kunstmatigs heeft.[20]
  • Overdreven, bijna karikaturale gelaatstrekken, en gemaniëreerde houdingen
  • Spaarzaam materiaalgebruik en schilderijen met een tamelijk ruw oppervlak, waarin de verfstreken duidelijk zichtbaar zijn, dit in tegenstelling tot de gladdere schilderijen van zijn tijdgenoten en voorgangers.
Afbeelding Titel Datering Land Plaats Museum
De Heilige Hiëronymus in gebed Ca. 1482 of later België Gent Museum voor Schone Kunsten
De verzoeking van de heilige Antonius Ca. 1500 Brazilië São Paulo Museu de Arte de São Paulo
Johannes de Evangelist op Patmos 1489-1499 Duitsland Berlijn Gemäldegalerie
Het narrenschip (1490-1510) Frankrijk Parijs Louvre
Heremieten-drieluik Ca. 1493 of later Italië Venetië Dogenpaleis
Drieluik van de gekruisigde martelares Ca. 1497 of later Italië Venetië Dogenpaleis
Visioenen uit het hiernamaals Ca. 1490 of later Italië Venetië Dogenpaleis
De Marskramer Ca. 1493 of later Nederland Rotterdam Museum Boijmans Van Beuningen
Sint-Christoffel Ca. 1496-1505 Nederland Rotterdam Museum Boijmans Van Beuningen
Zondvloed en hel Ca. 1514 Nederland Rotterdam Museum Boijmans Van Beuningen
De kruisdraging Ca. 1500 Oostenrijk Wenen Kunsthistorisches Museum Wien
De verzoeking van de heilige Antonius Ca. 1501 of later Portugal Lissabon Museu Nacional de Arte Antiga
Tuin der Lusten 1480-1490 Spanje Madrid Museo del Prado
Johannes de Doper in de wildernis (1489 of later) Spanje Madrid Museo Lázaro Galdiano
Driekoningen-drieluik Ca. 1495 Spanje Madrid Museo del Prado
Allegorie op de gulzigheid Ca. 1495-1500 Verenigde Staten New Haven (Connecticut) Yale-universiteit
De dood van een vrek Ca. 1494 of later Verenigde Staten Washington D.C. National Gallery of Art

Verder worden toegeschreven aan Bosch Fragment van een vrouwenkop. Daarnaast kende Bosch veel navolgers, zoals de Antwerpse schilder Marcellus Coffermans en de schilder van de Antonius met monsters, de schilder van De doornenkroning met stichtersportret en die van de Ecce Homo in Philadelphia. Ook het schilderij De doornenkroning in het Escorial, dat vroeger vrijwel unaniem aan Bosch toegeschreven werd, is waarschijnlijk van een navolger (zie het Passie-drieluik). Het fragmentje Twee figuren met mijters, dat vroeger aan Bosch toegeschreven werd, wordt tegenwoordig geplaatst in de omgeving van de Meester van de Levensbron.

Daarnaast zijn er ook verschillende werken van Bosch verloren gegaan. Sommige daarvan zijn in de vorm van kopieën, hetzij als schilderij, hetzij in prentvorm, bewaard gebleven. Andere zijn in hun geheel verdwenen. Zo verhaalt de Vlaams-Nederlandse schilder Karel van Mander in zijn Schilder-boeck hoe hij in Amsterdam van Bosch een Kruisdraging, een Vlucht naar Egypte en een Helletafereel zag. Met name de Vlucht naar Egypte, maar vermoedelijk ook de overige werken zijn niet bewaard gebleven.[21]

[bewerken] Atelierstukken

Men gaat ervan uit dat Bosch leiding aan een atelier met leerlingen en/of assistenten moet hebben gegeven. Dit atelier werd waarschijnlijk na zijn dood voortgezet. Een voorbeeld van een werkstuk uit het atelier van Bosch is het Van Os-Van Langhel-drieluik, dat tegenwoordig in het Musuem of Fine Arts in Boston bewaard wordt. Eén van deze leerlingen/assistenten is mogelijk de Brusselse schilder Gielis Panhedel, die omstreeks 1522 in de stijl van Bosch twee zijvleugels van het Mariaretabel van de Lieve Vrouwe-Broederschap in de Sint Jan schilderde en mogelijk naar aanleiding van een tekening van Bosch, een versie van het schilderij Zangers en musici in een ei maakte.

[bewerken] Tekeningen

Van Bosch zijn ook enkele tekeningen bewaard gebleven. In tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten maakte hij geen gebruik van de zilverstift, maar van de pen. Zoals zijn schilderijen kenmerken zijn tekeningen zich door zeer spaarzaam materiaalgebruik.[22]

[bewerken] Jheronimus Bosch Art Center

Het Jheronimus Bosch Art Center in 's-Hertogenbosch heeft reproducties op ware grootte van al zijn drieluiken, schilderijen en tekeningen.

[bewerken] Trivia

  • De Nederlandse schrijver Theun de Vries schreef een uitgebreide historische roman over Bosch, in 1964 uitgegeven als Moergrobben en in 1973 als Het raadselrijk. Ook Johan Vermeulen, Peter Dempf, Ian Watson schreven fictie geïnspireerd op Bosch.

[bewerken] Externe link

Bronnen

  • Friedländer, Max J. (1969) Early Netherlandisch Painting. Volume V. Geertgen tot Sint Jans and Jerome Bosch, Leyden: A.W. Slijthof, Brussels: La Connaissance.
  • Koldeweij, A.M. (1991) De ‘Keisnijding’ van Hieronymus Bosch, Zutphen: Walburg Pers. ISBN 9060117433
  • Koldeweij, A.M., P. Vandenbroeck en B. Vermet (2001) Jheronimus Bosch. Alle schilderijen en tekeningen, Rotterdam: Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam: NAi Uitgevers [enz.]. ISBN 9056622196
  • Romein, Jan, en Annie Romein-Verschoor (1977) Erflaters van onze beschaving, Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij. Zie dbnl.
  • Tolnay, Charles de (1984) Hieronymus Bosch. Het volledige werk, Alphen aan den Rijn: ICOB. ISBN 9061131642

Noten

  1. a b c Friedländer (1969): p. 45.
  2. De Tolnay (1984): p. 10-11.
  3. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 66, 69.
  4. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 54-55.
  5. Koldeweij (1991): p. 5.
  6. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): pp. 21-22.
  7. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 123.
  8. De Tolnay (1984): p. 23.
  9. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 62.
  10. De Tolnay (1984): p. 35.
  11. Aangehaald in Friedländer (1969): noot 21, p. 101.
  12. a b Friedländer (1969): p. 46.
  13. De Tolnay (1984): p. 51.
  14. Romein en Romein-Verschoor (1977): p. 59.
  15. Aangehaald in Friedländer (1969): p. 45.
  16. De Tolnay (1984): p. 51.
  17. De Tolbay (1984): p. 51.
  18. Friedländer (1969): p. 47.
  19. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 91.
  20. Friedländer (1969): p. 62.
  21. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 12.
  22. De Tolnay (1984): pp. 49-50.

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken