Jezus (historisch-kritisch)
| Deel van een serie van artikelen over Jezus |
|
|
Visies op Jezus, zie:
|
|
De historisch-kritische benadering van Jezus probeert op een wetenschappelijke wijze vanuit rationeel-naturalistische kaders te achterhalen wat over het bestaan van Jezus van Nazareth bekend is, wat hij kan hebben gezegd en kan hebben gedaan. Daarbij tracht men aan te geven en te beargumenteren wat historisch is, en dit te scheiden van fictie, legende of mythe.
Inhoud |
[bewerken] De historische Jezus
Wetenschappers hebben lang geen heil gezien in onderzoek naar Aramese of Hebreeuwse versies van de vroeg-christelijke teksten over Jezus; de oudste christelijke kerken bedienden zich immers van de Griekse taal. Het zou de joodse afkomst van Jezus teveel onderstrepen. Zo ontstond een 'historische Jezus' met vele verschillende, elkaar vaak tegensprekende gezichten, afhankelijk van de overtuiging van de wetenschapper en de feiten die hij of zij selecteerde. In de meeste gevallen interpreteerde men Jezus vanuit het Griekse of hellinistische wereldbeeld van die tijd en niet vanuit Midden-Oosters perspectief.[1]
Wetenschappers hebben aan het einde van de twintigste eeuw ingezien dat de vroege christelijke wortels niet alleen teruggaan tot het jodendom, maar hebben ook hun vertakkingen naar de islam naar voren gehaald. Volgens onder andere de christelijke geleerde Hans Küng bewaart de islam enkele van de oudste beelden van Jezus, zoals Jezus als geadopteerde en niet als de exclusieve zoon van God. Vanuit dat perspectief kan Jezus niet als orthodoxe christen of jood worden gezien, maar als een door spiritualiteit van het Midden-Oosten geïnspireerde leraar.[1]
[bewerken] Bronnen
[bewerken] Bijbelse bronnen
Voor de kennis van Jezus is men voor meer dan 90 % aangewezen op de vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes). Verder zijn er nog enkele andere gegevens in de andere geschriften van het Nieuwe Testament: vooral in de Handelingen der Apostelen, maar ook nog in de brieven. Deze teksten worden echter niet door iedereen als historisch betrouwbaar beschouwd en betreffen hoofdzakelijk de interpretatie van de dood van Jezus en de zogeheten ‘paaservaringen’, die in het Nieuwe Testament zelf als verschijningen beschreven worden.
Irenaeus van Lyon schrijft eind tweede eeuw over vier Evangeliën. De onderlinge verhouding tussen deze vier en met name de eerste drie heeft veel theorieën opgeleverd. Tegenwoordig gaan vele schrijvers er van uit, dat Marcus ontstaan is rond het jaar 70 en gebruikt is door de schrijvers van Lucas en Matteüs die dan rond het jaar 80 zouden zijn ontstaan. Matteüs en Lucas hebben nog ander materiaal gezamenlijk, met name uitspraken van Jezus. Het is niet zeker of hiervoor gebruik gemaakt is van een schriftelijke bron Q of van een mondelinge traditie. Los hiervan is er veel aandacht voor de lotgevallen van de mondeling overgeleverde tekst (Formgeschichte), voordat ze werd opgeschreven en voor de theologische ideeën die de schrijvers van de Evangeliën wilden overbrengen (Redaktionsgeschichte). In de negentiende eeuw werd het Evangelie volgens Johannes steeds later in de tweede eeuw gedateerd. Papyrus 52, een fragment van Johannes maakte echter duidelijk dat het Evangelie rond 125-150 al in Egypte bekend was, de eveneens oude Papyrus 66 en 75 geven bijna de gehele tekst. Tegenwoordig dateert men het in 90-110 en noemt men niet Johannes als schrijver, maar de Johanneïsche school. Johannes heeft meer het karakter van een theologisch geschrift dan de andere drie.[2]
De genealogieën van Jezus in Matheus en Lucas komen onderling niet overeen, maar wijzen beide naar de lijn van Jezus naar David - aangezien de genealogieën echter behoorlijk afwijken, kan dit als een theologisch punt aanzien worden (Jezus wordt aan David gelinkt om theologische redenen). Slechts twee van de vier evangeliën, Lukas en Matteüs, vertellen elk hun eigen verhaal over de geboorte van Jezus. De verslagen van Jezus' kruisdood verschillen in kleine details. Ook worden in de Evangeliën de twaalven genoemd, de discipelen van Jezus, waarover nauwelijks historisch-biografische gegevens te vinden zijn. Een handvol passages in de Talmoed spreekt over een man, genaamd Yeshu, die vijf discipelen had: Matai, Nakkia, Netzer, Buni en Todah.
De verslagen van de opstanding hebben twee onderwerpen:
- De ontdekking dat het graf leeg is (alle vier de Evangeliën),
- Ontmoetingen met de opgestane Jezus (Matteüs, Lukas, Johannes, 1 Korintiërs 15). (Deze laatste brief dateert van AD 56 en is waarschijnlijk het oudste geschreven bericht van de opstanding).
Het Evangelie volgens Marcus eindigt abrupt in Marcus 16:8; bij de ontdekking van het lege graf. In tweede instantie zijn er twee eindes aan geschreven, een kort en een lang. Beide ontbreken in de oudste handschriften. Het langste slot doet verslag van een ontmoeting met de opgestane Jezus.[3] Zie voor de echtheid of onechtheid van dit slot Marcus 16.
[bewerken] Buiten-bijbelse bronnen
Buiten het Nieuwe Testament zijn de gegevens uiterst schaars. Twee onafhankelijke verwijzingen naar Jezus vinden we bij de belangrijkste joodse historicus van die tijd, Flavius Josephus: een betreft het Testimonium Flavianum, de ander is een verwijzing naar de broer van Jezus, Jakobus. Bij de betrouwbaarheid van het Testimonium Flavianum (de omvangrijkste van de verwijzingen) worden vraagtekens gezet aangezien daar wijzigingen aangebracht lijken te zijn door latere christelijke kopiisten. De meerderheid van exegeten is echter van mening dat deze passage wel werd gewijzigd door christenen, maar dat er wel een oorspronkelijke verwijzing naar Jezus was. Bijbelwetenschapper Geza Vermes heeft een poging gedaan om het originele fragment te reconstrueren.
De korte vermelding van Tacitus (Annales, geschreven rond 116, boek 15, hoofdstuk 44, over de eerste christenvervolging in Rome door Nero) kan onafhankelijk zijn, maar leert ons relatief weinig over Jezus behalve dat hij werd gekruisigd door Pontius Pilatus gedurende het bewind van Tiberius. Referenties van Suetonius, Plinius de Jongere en Lucianus van Samosata kunnen onafhankelijk zijn, maar bieden over Jezus eigenlijk niets wezenlijks aangezien ze het eerder over "Christenen" hebben, in plaats van expliciet over Jezus.
Noch bij Philo van Alexandrië, noch in de zogenaamde Tussentestamentaire literatuur (joodse, niet-bijbelse, apocalyptische geschriften), en in de rollen van de Dode Zee vindt men enig spoor van Jezus. Men kan zich echter wel de vraag stellen of in dit soort werken verwijzingen verwachten, wel realistisch is: Philo verwijst namelijk ook niet naar andere bekende Joodse figuren (zoals de zogenaamde Egyptische profeet, waarover Flavius Josephus schrijft dat hij zo veel mensen mobiliseerde dat de Romeinen een regiment cavalerie moesten zenden om hem te liquideren), dus dit zegt niet zo veel. En het grootste deel Tussentestamentaire literatuur en de Dode Zee-rollen zijn geschreven voor Jezus' leven, wat ook veelzeggend is.
De (veel latere) Talmoed lijkt ook geen expliciete verwijzingen naar Jezus te maken, alhoewel de naam Yeshu wel enkele malen voorkomt; of dit dan effectief een verwijzing naar Jezus is, valt sterk te betwijfelen. In iedere geval helpt al deze literatuur ons wel om het politieke, sociale en religieuze klimaat van de eerste eeuw beter te begrijpen.
[bewerken] Apocriefen
De zogeheten apocriefe evangeliën - er zijn er 68 bekend - worden, evenals de evangeliën uit de Bijbel, niet als (betrouwbare) historische informatie beschouwd. De meeste van deze teksten zijn grotendeels verloren gegaan, maar uit de overgebleven fragmenten wordt duidelijk dat zij doorgaans met veel zin voor mythologie, magie en fantasie de onbekende aspecten van Jezus’ leven invullen (vooral uit zijn kinderjaren). De bewaard gebleven teksten dateren alle van na de canonieke evangeliën. Sommige ervan hebben grote invloed gehad op de volkse overleveringen. Zo stammen bijvoorbeeld de geboortegrot van Betlehem (waarboven de huidige Geboortekerk gebouwd werd) en de namen van Maria’s ouders, Joachim en Anna, uit het 2e-eeuwse apocriefe proto-evangelie van Jacobus. De os en de ezel in de stal komen uit het 5e-eeuwse Evangelie van pseudo-Matteus (door de schrijver zelf de Geboorte van Maria en Kindertijd van de Verlosser genoemd). Mogelijk zijn er enkele minieme historische herinneringen aan Jezus in een fragment van het evangelie van Petrus, en aan Jezus’ woorden in het bekendste van alle apocriefe evangeliën: het Koptische evangelie van Thomas. Dit laatste werd in 1945 bij het Egyptische dorp Nag-Hammadi ontdekt en is een gnostisch geschrift dat de vertaling is van een 2e-eeuws Grieks origineel. Sommigen veronderstellen dat het evangelie van Thomas wellicht oorspronkelijke uitspraken van Jezus bevat. Het Thomasevangelie bevat echter geen enkel verhaal over Jezus; biografische bijzonderheden kan men er dus niet in vinden.
De apocriefen geven weliswaar een beeld van de evolutie van de verschillende Jezustradities uit de eerste eeuwen, maar verschaffen geen betrouwbare informatie over de historische Jezus.
[bewerken] Koran
De Koran verschaft weinig informatie over Jezus, hoewel hij meer dan welke andere profeet genoemd wordt. De feitelijke boodschap herhaalt de Koran niet; de lezer wordt geacht deze zelf op te zoeken in de joodse en christelijke Bijbel.[4]
[bewerken] De persoon Jezus
Hoewel onder onderzoekers algemeen erkend wordt dat er geen fysiek bewijs is dat Jezus heeft bestaan, gaan vrijwel alle historici ervan uit dat Jezus wel degelijk een historische figuur is. Zij doen dit op grond van de vele sporen die Jezus heeft nagelaten in de godsdiensten van het Midden-Oosten en de tekstkritiek van de bestaande bronnen (isolering van het kerygma).
In de boeken van de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus wordt Jezus vermeld. Het gaat om de woorden "...de broer van Jezus die Christus wordt genoemd, genaamd Jacob...". De historicus heeft het over een broer van Jezus, die Jacob heet, en in het jaar 62 met enkele anderen tot de dood door steniging was veroordeeld. Als argument om deze woorden als betrouwbaar te beschouwen, wordt wel aangevoerd dat christelijke kopiisten nooit de uitdrukking "...Jezus die Christus genoemd wordt..." zouden hebben gebruikt. Jacobus is volgens het Nieuwe Testament een broer van Jezus die na de dood van Jezus leider werd van de gemeente in Jeruzalem. De steniging van deze Jacobus wordt niet vermeld in het Nieuwe Testament.
De Romeinse geschiedschrijver Tacitus spreekt in zijn Annales over de christenen met betrekking tot de brand van Rome onder het bewind van Nero: "Hun naam komt van Chrestus, die tijdens het bewind van Tiberius terechtgesteld werd door de procurator Pontius Pilatus". Tacitus maakt geen melding van de naam "Jezus", en geeft Pilatus de verkeerde titel "Procurator" in plaats van "Praefectus".
Ook Suetonius, Plinius de Jongere en Lucianus doen in hun geschriften melding van de vroege christenen, maar spreken niet over Jezus.
Exegeten leiden met vrij grote zekerheid uit het beperkte aantal historische gegevens over Jezus uit andere bronnen dan de Bijbel af, dat Jezus in de ogen van zijn tijdgenoten geen belangrijke historische figuur was. Anders zou er veel meer over hem bekend zijn. Maar het feit dat er in de Bijbelse evangeliën diverse personen figureren van wie de historiciteit algemeen aanvaard is, wordt als een argument voor een minimale historische betrouwbaarheid van de evangeliën gebruikt. Dit impliceert echter niet dat bijvoorbeeld de wonderen waarvan sprake in de evangeliën werkelijk zijn gebeurd. De evangeliën zijn dus geen betrouwbare historische bron (er zijn verder geen directe historische bronnen of ooggetuigen uit het leven van Jezus). Maar beweren dat de verhalen over Jezus in de Bijbel van a tot z verzonnen zijn, brengt je hoogstwaarschijnlijk in problemen bij het verklaren van latere, wél historische gebeurtenissen. En dat is dus een tweede argument, 'uit het ongerijmde', om te veronderstellen dat er wél een historische kern zal hebben bestaan voor de evangeliën (bijvoorbeeld de kruisdood). Toch ligt de graad van mytho-poëtisering en legendevorming in de evangeliën hoger dan het aantal factische gegevens, zeker naarmate de bronnen jonger zijn, dat wil zeggen later geschreven werden. Precies daarin tracht de exegeet, in de mate van het mogelijke, het onderscheid te maken tussen fictie en werkelijkheid.
Door de verhalen van de evangelisten te combineren met kennis over het leven in Palestina in Jezus' tijd, zijn diverse onderzoekers tot hun eigen beeld van Jezus gekomen. Afhankelijk van de keuzes die hierbij zijn gemaakt wordt Jezus neergezet als vrome jood, als anti-Romeinse rebel, als radicale godsdienstvernieuwer, als Esseen, als hippie enzovoort. Dit geeft ook duidelijk aan, hoe moeilijk het is om een objectief beeld van Jezus te krijgen, zonder inkleuring met eigen levensvisie.
[bewerken] Moedertaal
Niet iedereen is het er over eens, wat Jezus' moedertaal was. In het Nieuwe Testament worden meerdere instanties genoemd waarin hij Hebreeuws sprak, maar geen enkele waarin hij Aramees sprak. Uit het feit dat bepaalde citaten van hem in de Griekse manuscripten in het Aramees zijn, wordt wel eens geconcludeerd dat zijn moedertaal het Aramees moet zijn geweest, maar het is ook mogelijk, dat Aramese originelen ten grondslag liggen aan die Griekse manuscripten. Wel blijken enkele Aramese citaten van Jezus zinloos te worden zonder historisch fundament. Hetzelfde geldt voor enkele Griekse citaten. In de tijd van Jezus van Nazareth was Grieks de universele taal van het oostelijke Middellandse Zeegebied en eveneens lingua franca in de westelijke grote steden van het Romeinse Rijk. Het is zeer waarschijnlijk dat Jezus hiervan minstens een basiskennis gehad heeft. Niets wijst er op dat Jezus een hoge opleiding gehad heeft. Maar algemeen wordt vandaag aangenomen dat Aramees de moedertaal van Jezus is geweest, dat hij Hebreeuws kon lezen, en dat hij zeker een basiskennis van Grieks gehad moet hebben. Uit de historische context kan wellicht ook afgeleid worden, dat Jezus met Pontius Pilatus het Latijn gesproken moet hebben, daar dit nog altijd de juridische en ambtstaal was voor de Romeinse provinciën.
[bewerken] Een religieuze Jood
Jezus was een religieuze, in een geseculariseerd deel van Palestina opgegroeide Jood. Hij wordt door zijn volgelingen rabbi, leraar, genoemd en gedraagt zich als leraar. Veel van zijn uitspraken doen vermoeden dat hij het grotendeels eens was met de milde Hillel, alleen op het punt van echtscheiding is hij net zo streng als Sjammai. Vermeld wordt dat mensen de kwast van zijn (gebeds?)kleed willen aanraken. Volgens de evangeliën had Jezus er geen problemen mee, om doden, melaatsen, vrouwen met een vloeiing aan te raken, waarmee hij zich ritueel verontreinigde. Uit de evangeliën komt naar voren dat hij alleen innerlijke reinheid belangrijk vond. Enkele decennia na Jezus' optreden werd de Misjna op papier gezet, die uit zou groeien tot de Talmoed. Vanuit de nadruk die hij op het innerlijk legt, lijkt Jezus kritiek te hebben op de groeiende invloed van de mondelinge overlevering. Anderzijds zou het conflict dat hij dikwijls aanging, namelijk of je op Sjabbat zieken mag genezen, hem nu niet meer in conflict brengen met de Joodse orthodoxie; de eerbied voor het leven staat daar bovenaan.
Jezus en de discipelen gaan er van uit dat het koningschap van God aanstaande is; uit de Dode Zee-rollen is bekend dat deze verwachting breed leefde, wat de reactie van het onder Romeinse bezetting levende publiek, van de discipelen, maar ook van de Joodse elite verklaart.[5][6]
[bewerken] Levensloop
Onderstaande levensloop laat ongeveer het beeld zien dat uit het historisch-kritisch onderzoek naar voren komt. De beschreven gebeurtenissen staan vermeld in de Bijbelse Evangeliën en worden van historische kanttekeningen voorzien.
[bewerken] Levensloop volgens de historisch-kritische methode
[bewerken] Oorsprong van de naam
De naam Jezus is via het Grieks afgeleid van het Hebreeuwse Jehosjoea of het Hebreeuws-Aramese Jesjoea. De betekenis is 'JHWH is redding' of 'De Heer is redding'.
Deze namen en-/of benamingen zijn in omloop voor Jezus:
in de Bijbel:
- (de) Christus - waarbij men zijn betekenis volgens de christelijke visie op het oog heeft
- Jezus
- Jezus van Nazareth - volgens sommigen naar aanleiding van het dorp in Galilea waar hij vandaan zou komen
- Jezus de Nazarener
- Jezus, zoon van Jozef - gereconstrueerde naam volgens joodse conventies van toentertijd en dus wellicht zijn originele aanspreeknaam: Jesjoea ben Josef (Hebreeuws)
- Jezus, zoon van Maria
- Jezus, heiland - Jezus als redder van de mensheid (18e-eeuwse Moravische aanduiding)
- Masih - titel in de Koran voor Jezus
- Messias – waarbij men zijn betekenis volgens de christelijke visie op de verzoeningsleer op het oog heeft
in de Koran:
- (een) Geest van Hem - aanduiding in de Koran (soera De Vrouwen 171)
- Isa - Arabische naam, zoals deze voorkomt in de Koran
- Isa, de zoon van Maryam - gangbare aanduiding in de Koran
- Zijn Woord - volgens de Koran wierp God Zijn Woord op Maryam (soera De Vrouwen 171)
De titel Christus is de vernederlandste weergave van het Griekse woord Χριστός (Christos), dat de Griekse vertaling van het Hebreeuwse masjie'ach (gezalfde) is. In het Nederlands wordt ook vaak de Griekse verbastering Messias gebruikt. Het woord gezalfde wordt in de joodse traditie gebruikt voor koningen, priesters en profeten, en er was de verwachting van de komst van "Gods gezalfde", die het joodse volk verlossen zou van de Romeinse overheersing. Volgens christenen heeft Jezus zelf verklaard de Messias te zijn toen hij na zijn arrestatie werd voorgeleid voor het joods hooggerechtshof, het Sanhedrin. Ze beroepen zich daarbij op Marcus, hoofdstuk 14. Jezus staat daarom onder christenen bekend als Jezus Christus of Jezus Messias, daarmee aanduidend dat hij de gezalfde van God zou zijn. Volgens bepaalde historici is de messiasgedachte vooral een constructie van na zijn dood die door zijn volgelingen is opgesteld. Volgens de moderne exegese is er zelfs geen aanleiding om aan te nemen dat hij ooit heeft beweerd Zoon van God te zijn.[7]
Jezus ('God zal redden') was een veel voorkomende naam, denk aan de vele bezettingen die het Joodse volk te verduren had in die tijd. Sommige critici menen dat de bijbelse Jezus een verzameling bevat van diverse Jezussen, die allen vrijheidsstrijder waren, elk op een verschillende manier. Zo zou Jezus bijvoorbeeld zijn verward met Jesjoe ben Pandira, die ongeveer honderd jaar eerder leefde en op de vooravond van Pesach zou zijn gestenigd en opgehangen. Dit verschijnsel van het toeschrijven van gebeurtenissen of avonturen van vele personen aan één persoon of held heet in de literatuurwetenschap epische verdichting. Wel is zeker dat Jezus een veel voorkomende naam was in die tijd.
[bewerken] Geboorte en jeugd
Geen enkele historicus durft definitieve uitspraken te doen over de eerste dertig jaar van Jezus' leven. Zeker de bepaling van zijn geboorte blijft speculatief.
Door onjuiste berekeningen, gebaseerd op de Romeinse kalender van Dionysius Exiguus rond 525, werd steeds aangenomen dat Jezus geboren was in het jaar 1.
In de evangeliën worden echter gebeurtenissen vermeld die historisch niet lijken te kloppen. Matteüs stelt dat Jezus werd geboren toen Herodes I nog leefde en de dood beval van alle kinderen onder de twee jaar (Matt. 2:16). Volgens de kalender van Dionysius Exiguus stierf Herodes echter in het jaar 4 v.Chr.[8] Veel historici hebben geconcludeerd dat het jaar 6 à 7 v.Chr. het meest waarschijnlijke jaar van Jezus' geboorte was.[9]
De geboortedatum van Jezus is niet bekend, de datum 25 december steunt niet op bijbelse of historische bronnen. De datum lijkt eerder ingegeven door de dag van Mithras, de Zonnewende en de Romeinse Sol Invictus-feesten op 25 december.[10] Als geboortedatum komt eerder oktober in aanmerking.[11]
Binnen de christelijke traditie wordt Bethlehem als geboorteplaats van Jezus beschouwd. De profeet Micha voorspelde dat het koningshuis van David hernieuwd zou worden met een persoon uit Bethlehem-Efrata in de bergen van Judea, al dan niet als voorbeeld voor een onbelangrijke plaats.[12] Hierin zien veel christenen een teken dat Jezus de Messias zou zijn.
Sommige kritische historici stellen dat de geboorte van Jezus in Bethlehem kan zijn geplaatst om hem als Zoon van David te kunnen beschouwen en om de voorspelling uit te laten komen (middel-doel-verfraaiing). Zij wijzen daarbij op een opvallend verschil in de versies van Lucas en Matthëus: volgens Lucas woonden de ouders van Jezus, Jozef en Maria, aanvankelijk in Nazareth en gingen zij - kort vóór de geboorte van Jezus - naar Bethlehem wegens een volkstelling.[13] Maar volgens Mattheüs vestigden zij zich pas in Nazareth na de dood van Herodes I en hun terugkeer uit Egypte, uit vrees voor de nieuwe koning van Judea, Archelaus, de zoon van Herodes, waarmee hij dus lijkt te zeggen dat de eerdere woonplaats Bethlehem was of in elk geval in Judea lag.
Overigens is er bij archeologische opgravingen in de oude stad Betlehem in Judea geen enkel bewijs gevonden dat rond de tijd van Jezus daar mensen leefden. Wel zijn er veel oudere voorwerpen gevonden stammende onder meer uit de IJzertijd. De archeoloog Awieram Oshri van het Israëlisch Archeologisch Instituut stelt dan ook dat Jezus niet in Betlehem geboren kan zijn.[14]
[bewerken] Johannes de Doper
De doop door Johannes de Doper, omstreeks het jaar 26, is het moment waarop de gezamenlijke evangeliën een consistenter beeld over Jezus' leven bieden. Het is het moment waarop Jezus in de openbaarheid trad.
Johannes de Doper was een populaire religieuze leraar uit die tijd. Volgens de evangeliën was hij een neef van Jezus. Johannes doopte talrijke mensen in de Jordaan als symbool van de verlossing van hun zonden. Een dergelijk ritueel is bij de mandaeërs nog steeds in zwang. Zij beschouwen Johannes als de belangrijkste leraar uit hun traditie en Jezus als iemand die uit hun kring voortkwam maar zich ontpopte als een verrader.
[bewerken] Prediking
Na de doop door Johannes de Doper hield Jezus zich bezig met het prediken van zijn boodschap in de provincie Galilea. Hij predikte in synagogen, bij mensen thuis en in de open lucht. De evangeliën spreken ook van discussies tussen Jezus en diverse Schriftgeleerden. Men gaat er van uit dat de totale tijd van Jezus' prediking ongeveer drie jaar in beslag heeft genomen.
De Bijbel spreekt van de omgang van Jezus met destijds in het algemeen geminachte mensen, zoals prostituees en tollenaars. Een centrale rol in de prediking van Jezus was het nabije Koninkrijk van God, een profetische traditie die al in de dagen van Jezus enkele eeuwen oud was (vgl. Amos). In zijn prediking betrok Jezus de joodse verwachting van Gods Koninkrijk op zichzelf. Uitgestotenen en armen waren blijkbaar een belangrijke of zelfs belangrijkste groep, die door Jezus werd aangesproken.
Jezus stond in zijn prediking niet alleen. Een groep van mensen reisde met hem mee op zijn voettochten door het land. Hierbij hadden volgens de Bijbel twaalf discipelen een speciale plaats. De meesten van hen waren vissers uit Galilea. Zij ontvingen onderricht van Jezus.
[bewerken] Naar Jeruzalem
Uiteindelijk reist Jezus naar Jeruzalem, waar hij niet onopgemerkt verblijft. Volgens de verslagen van de evangelisten maakt hij zijn entree zoals het een messias betaamt: hij rijdt de stad binnen op een ezel en wordt door het volk toegejuicht. Vervolgens raakt hij in het zoveelste debat met de religieuze leiders verzeild. Deze Joodse religieuze macht, in de vorm van het Sanhedrin, neemt Jezus uiteindelijk gevangen omdat hun volgelingen in groten getale achter hem aangaan. Omdat het Sanhedrin de doodstraf niet mocht uitvoeren, die wel werd geëist, wordt Jezus overgeleverd aan de Romeinen. Volgens de Bijbel wordt Jezus onschuldig verklaard, maar uiteindelijk toch ter dood gebracht door middel van kruisiging, uit angst voor een opstand van het Joodse volk.
[bewerken] Sterfdatum
Evenals Jezus' geboortedatum, is men het over zijn sterfdatum niet eens. Uit het evangelie is af te leiden dat Jezus is gekruisigd op vrijdag, op de veertiende dag van de joodse maand nisan, tijdens het bewind van Pontius Pilatus.[15] Pontius Pilatus was praefectus van Judea van 26-36 en de enige jaren waarop de veertiende dag van Nisan op een vrijdag viel, waren 27, 33, en 36 en wellicht 30, afhankelijk van wanneer de volle maan zichtbaar was boven Jeruzalem. Een andere aanwijzing is dat het Pasen (Pesach) was na de kruisiging. Het jaar dat Pasen op zaterdag (Sabbath) begon was 30 na Chr.[16]
Volgens de Bijbel zou er die dag tevens een aardbeving en een (zons)verduistering hebben plaatsgevonden, en duurde zijn doodsstrijd van 's ochtends negen tot 's middags drie uur. Van een zonsverduistering kan op grond van de huidige astronomische berekeningen geen sprake zijn geweest, enerzijds vanwege de vermelde tijdsduur (enkele uren), anderzijds vanwege de traditie dat het paasfeest samenvalt met volle maan.[17] De zonsverduistering (en ook de aardbeving) wordt heden door historici beschouwd als legendarisch: het was gebruikelijk post factum zulke natuurfenomenen toe te schrijven aan historische figuren.
De Koran (7e eeuw) volgt deze theorie niet; Jezus is niet gekruisigd.[18] De interpretatie is dat God hem gered heeft van de kruisiging en hij levend naar de hemel is opgestegen (soera De Vrouwen 157).[19]
[bewerken] De vergoddelijking van Jezus
Tot het bereik van het historisch onderzoek behoort ook de ontwikkeling van “de historische Jezus” (de persoon Jezus) naar de “Christus” (de vergoddelijkte constructie na zijn dood door zijn volgelingen). Wetenschappelijke verklaringen voor deze overgang vindt men bijvoorbeeld met behulp van de huidige kennis binnen de psychologie en de sociologie.
De godsdienstsocioloog John G. Gager paste voor het eerst de theorie van de cognitieve dissonantie (Festinger, 1957) toe op de kwestie Jezus.[20] De kern van deze theorie zegt dat wanneer een voorspelling niet uitkomt, het geloof in de voorspelling toeneemt, afhankelijk van het commitment van de gelovigen. Deze toename gebeurt via een herinterpretatie van de boodschap (bijvoorbeeld het opschorten van de voorspelling). Het uitblijven van de voorspelling geeft immers cognitieve dissonantie, en dissonantie moet worden gereduceerd ter immunisering van het geloof. Festinger zelf dacht dat zijn theorie niet kon toegepast worden op het vroege christendom.[21]
Die toepassingen kwamen er toch naarmate door latere deskundigen meer kennis verworven werd over deze periode. Toegepast op Jezus beargumenteert John G. Gager dat het vroege christendom een kleine millenaristische groepering was die het einde van de wereld verwachtte (‘Het Rijk Gods is nabij’). Die eindtijd kwam echter niet uit, en werd daarop wegverklaard met ‘de noodzaak van een wereldwijde prediking en proselytisme’. Bij Paulus (ca 50-56) is er al een bezorgdheid voor het uitblijven van het Rijk Gods merkbaar; bij Marcus 13:10 (ca. 70) moet “het Evangelie eerst gepredikt worden onder al de volkeren”.
Meer concreet voltrok dit proces zich volgens Gager in twee fasen: eerst is er een mutatie van de messias-verwachting: men verwachtte in het jodendom van die tijd altijd een succesvolle messias, maar er gebeurde niets, dus is men de kruisdood als het doel gaan voorstellen. Men verwachtte wel nog het directe einde van de wereld bij de naderende wederkomst van Jezus; toen ook die wederkomst uitbleef, is men de boodschap gaan veranderen tot "eerst moet de hele wereld geëvangeliseerd worden" en dan zal de wereld ten einde lopen.[22]
Godsdienstwetenschappers zoals Etienne Vermeersch (gewezen vice-rector van de Universiteit Gent) formuleerde in de jaren 70 onafhankelijk van Gager een vergelijkbare verklaring. Deze verklaring stelt dat de volgelingen van Jezus zijn dood — het feit dat 'God' of 'de messias' sterft op het kruis — psychologisch en emotioneel niet konden verteren, waardoor er een middel-doel-omkering plaatsvond in de perceptie van die volgelingen: 'Voor de kruisdood is hij precies gekomen, om de zonden van ons op zich te nemen door voor ons te sterven'. In het spoor daarvan voltrekt zich een meer uitgebreid proces van legende- en mythevorming waarvan men een neerslag ziet in de evangeliën en latere geschriften.
[bewerken] Historische zekerheden
Volgens professor Peter Schmidt van de faculteit Godgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Leuven heeft de Nieuwtestamentische exegese gedurende de laatste twee eeuwen de volgende inzichten bereikt:[7]
- Alle evangeliën werden in het Grieks geschreven, tussen ca. 70 en ca. 100.
- Geen van de vier canonische evangelisten was een ooggetuige van de feiten.
- De evangeliën bevatten een zekere hoeveelheid aan biografisch en historisch materiaal, maar kunnen niet beschouwd worden als verslaggeving, biografie of memoires.
- Evangeliën zijn boeken van geloofsverkondiging. Zij vormen een apart literair genre, een complexe mengeling van overgeleverde herinneringen, symbolisch-religieuze interpretatie en literair-theologische constructie.
Historische gegevens over Jezus waarover volgens Schmidt voldoende zekerheid bestaat zijn:
- Jezus is geboren ca 7 à 4 v.Chr., rond de tijd dat Herodes de Grote stierf.
- Hij bracht zijn kinder- en jeugdjaren door in Nazareth in Galilea.
- Hij werd gedoopt door Johannes de Doper.
- Hij verzamelde leerlingen om zich heen.
- Hij onderwees in kleine steden en dorpen en op het platteland.
- Hij predikte de komst van het Rijk Gods.
- Rond het jaar 30 ging hij naar Jeruzalem voor het joodse paasfeest.
- Hij verwekte opschudding in de tempel.
- Hij hield een laatste maaltijd met zijn leerlingen.
- Hij werd gevangengenomen en ondervraagd door joodse gezagdragers in Jeruzalem.
- Hij werd terechtgesteld op bevel van de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus.
Volgens Schmidt kunnen deze gegevens bogen op een grote consensus onder 'de auteurs van de hedendaagse queeste'.
[bewerken] Literatuur
- David Strauß (1835), Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet
- Ernest Renan (1863), La vie de Jésus
- Albert Schweitzer (1905, 1906²), Geschichte der Leben-Jesu-Forschung
- Romano Guardini (1937), Der Herr: über Leben und Person Jesu Christi, ISBN 3-451-07813-9
- en:Géza Vermès (1973), Jesus the Jew: a historian's reading of the Gospels, Fortress Press - Philadelphia , ISBN 0-8006-1443-7
- Edward Schillebeeckx (1974), Jezus, het verhaal van een levende, Nelissen - Bloemendaal, ISBN 90-244-1509-8
- Alister McGrath (1997), Christelijke theologie: een introductie - hoofdstuk 10, Kok - Kampen, ISBN 978-90-242-7803-9
- Paul Verhoeven (2008), Jezus van Nazareth - Meulenhoff - Amsterdam, ISBN 978-90-290-7891-7
[bewerken] Zie ook
- Jezus (traditioneel-christelijk)
- Godsdienstwetenschap
- Moderne theologie
- Modernisme (theologische stroming)
- Schriftkritiek
- Tekstkritiek (algemeen)
- Tekstkritiek van de Bijbel
- Francesco Carotta, (omstreden) theorie dat het verhaal van Jezus identiek is aan dat van Julius Ceasar
| Zie de categorie Jesus Christ van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
Bronnen
Noten
|