Joannes Benedictus van Heutsz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Joannes Benedictus van Heutsz
Van Heutsz in goudgeborduurde rok, geschilderd door Hannké (1909)(Rijksmuseum, Amsterdam)
Van Heutsz in goudgeborduurde rok, geschilderd door Hannké (1909)(Rijksmuseum, Amsterdam)
Bijnaam Pacificator van Atjeh
Geboren 3 februari 1851
Coevorden
Vlag van Nederland Nederland
Overleden 11 juli 1924
Montreux
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Landmacht
Dienstjaren 1870 - 1910
Rang Luitenant-generaal
Slagen/oorlogen Contra-guerrilla in Atjeh
Onderscheidingen * Atjehmedaille.jpg Kraton-medaille
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Joannes Benedictus van Heutsz (Coevorden, 3 februari 1851Montreux, 11 juli 1924) was een Nederlands luitenant-generaal, onder meer gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1904-1909) en militair en civiel gouverneur van Atjeh.

Privé[bewerken]

De latere gouverneur-generaal en topmilitair J.B. van Heutsz was de zoon van Joannes Franciscus van Heutsz, Nederlands officier der artillerie, en diens echtgenote Maria Lucilla Koeken. Zijn wieg stond in de Zuid-Drentse stad Coevorden. Op 22 maart 1877 trad hij op 26-jarige leeftijd in het huwelijk met Maria Henriëtte van der Zwaan. Uit dat huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren.

Zijn zoon Johan Bastiaan van Heutsz (1882-1945) was een beroemd arts en tropengeneeskundige en werd later een nationaalsocialist, Nederlands vrijwilliger bij de Waffen-SS.

Loopbaan[bewerken]

Van Heutsz in de rang van eerste luitenant

Van Heutsz nam in 1867 als jonge 16-jarige volontair dienst bij het Instructie Bataljon in Kampen, werd in 1870 als fourier geplaatst bij de infanterie in Maastricht en werd in 1872 benoemd tot tweede luitenant. Hij werd in 1873 op zijn verzoek overgeplaatst naar het Nederlandsch-Indische leger en vertrok in september van dat jaar naar Soerabaja waar hij bij het dertiende bataljon infanterie werd geplaatst. Hij vroeg en kreeg overplaatsing naar Atjeh en diende daar bij het 3e Bataljon Infanterie. Voor zijn verrichtingen aldaar werd hij bij Koninklijk Besluit van 12 november 1875 nummer 18 benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde vierde klasse voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1875. In 1877 werd hij als adjudant bij het civiel en militair bestuur te Soerabaja overgeplaatst en in 1880 keerde hij terug naar Atjeh onder generaal van der Heijden. In deze periode ontwikkelde Van Heutsz de visie dat voor Atjeh een zuiver militaire oplossing noodzakelijk was. Daarmee ging hij in tegen de officiële politiek van het Indische gouvernement dat een snelle invoering van civiel bestuur beoogde. Van Heutsz presenteerde zijn visie in het artikel Civiel of militair bestuur, dat anoniem in het Militair Blad van 15 november 1882 verscheen. Hij was toen met verlof in Nederland (1881-1883) voor de verdere opleiding aan de Hogere Krijgsschool voor officieren in Den Haag.

Jaren te Atjeh[bewerken]

In 1883 keerde Van Heutsz terug naar Nederlands-Indië en was achtereenvolgens gedurende zes jaren commandant van verschillende garnizoenen. Hij werd in 1889 voor de derde maal, nu in de rang van kapitein (1886), naar Atjeh overgeplaatst, waar hij onder generaal-majoor van Teijn alle kansen kreeg zich te ontplooien. Van Heutsz ging deel uitmaken van het Korps Marechaussee te voet en nam onder meer deel aan de verovering van Kota Toeankoe in 1890. In datzelfde jaar werd Van Heutsz bij keuze bevorderd tot majoor. Toen Van Teijn wegens gezondheidsredenen aftrad en in 1891 door Pompe van Meerdervoort werd opgevolgd, vroeg en verkreeg Van Heutsz overplaatsing en werd benoemd tot garnizoenscommandant te Batavia. Hier schreef hij zijn brochure De onderwerping van Atjeh ('s-Gravenhage, 1893) - eerder gepubliceerd in Het Indisch Militair Tijdschrift - waarin hij pleitte voor het weer instellen van een marineblokkade als middel tot de pacificering van Atjeh.

Van Heutsz leerde in deze jaren Snouck Hurgronje (Islam-deskundige en adviseur Inlandse Zaken) kennen en waarderen. Beiden waren van oordeel dat Atjeh eerst militair onderworpen diende te worden alvorens er een civiel bestuur gevestigd kon worden en waren tegen de bezuinigingspolitiek van het Indisch gouvernement. Zij zetten vragen bij de methodes van generaal Deykerhoff om Toekoe Oemar met geld te bewegen zijn verzet op te geven. Snouck Hurgronje had dan ook alle waardering voor de militaire uitgangspunten van de brochure De onderwerping van Atjeh. In 1894 werd Van Heutsz bevorderd tot luitenant-kolonel en in die rang in 1895 benoemd tot gewestelijk militair commandant van Sumatra's Oostkust in Medan. Snouck Hurgronje, adviseur van gouverneur-generaal van der Wijck, prees Van Heutsz aan als de enige die het Atjeh-probleem aan kon pakken. Toen in 1896 het bericht kwam dat Teukoe Oemar zich tegen Deijkerhoff had gekeerd, werd Van Heutsz opnieuw overgeplaatst naar Atjeh als deelnemer aan de expeditie onder leiding van generaal Vetter. Van Heutsz werd in 1897 benoemd tot kolonel, chef van de generale staf te Batavia.

Van Heutsz in 1897 in het bivak Selimoen

Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië[bewerken]

In Batavia raakte Van der Wijck mede dank zij Snoucks pleidooien steeds meer overtuigd van de juistheid van de militaire inzichten van Van Heutsz. In 1898 werd deze dan ook bevorderd tot generaal-majoor en benoemd tot civiel en militair Gouverneur van Atjeh, waarbij Snouck Hurgronje hem als adviseur diende. In de periode van zijn gouverneurschap, van 1898 tot 1904, wist hij onder het motto waakzaamheid en bewegelijkheid met snelle onverwachte aanvallen gehele streken te bezetten. In 1899 sneuvelde bij een van die aanvallen Teukoe Oemar. Intussen ontstond een verwijdering tussen Snouck Hurgronje en Van Heutsz. De eerste had vooral bezwaren tegen Van Heutsz' naaste medewerker, majoor G.C.E. van Daalen, die bekendstond als bekwaam militair maar op persoonlijk vlak niet met Snouck Hurgronje overweg kon. In 1900, toen Van Heutsz tot luitenant-generaal was bevorderd, leerde hij de jonge stafofficier en overtuigde antirevolutionair Colijn kennen. In 1902 werd Van Heutsz benoemd tot adjudant-generaal van de Koningin. Nadat Pretendent-Sultan van Atjeh zich in januari 1903 had onderworpen vertrok hij het jaar daarop naar Nederland. In 1904 volgde zijn benoeming tot gouverneur-generaal. Colijn werd zijn rechterhand, hoewel Snouck Hurgronje tot 1906 adviseur Inlandse Zaken was. Samen met Colijn wist Van Heutsz bezuinigingen door te voeren in het bestuursapparaat en wist hij door middel van het doen tekenen van korte verklaringen alle nog onafhankelijke Indische vorsten op de eilanden buiten Java onvoorwaardelijk aan het Nederlands gezag te onderwerpen.

J.B. van Heutsz met zijn staf tijdens de aanval op Bateë-iliëk in 1901, door Jan Hoynck van Papendrecht

Van Heutsz voerde als gouverneur-generaal de onderwijspolitiek in, waardoor dessascholen werden opgericht; de dorpen bekostigden het onderwijs, terwijl het gouvernement voor de leermiddelen zorgde. In Atjeh was in 1903 Van Daalen als gouverneur benoemd met de instructie alle verzet te breken. Minister Fock verzocht naar aanleiding van parlementaire kritiek op de werkwijze van Van Daalen (zie ook Kuta Reh) Van Heutsz om opheldering. Deze zag niets in een commissie van onderzoek en bood daarom aan zelf nasporingen te doen om zo de zaken in de hand te houden. Van Heutsz rekende hierbij op de medewerking van Van Daalen maar deze weigerde, aangezien hij meende dat hij zich aan zijn instructies had gehouden en nam vervolgens ontslag. In 1908 werd de antirevolutionair A.W.F. Idenburg minister van Koloniën en deze wist de parlementaire kritiek te doen luwen. Eind 1909 trad Van Heutsz af als gouverneur-generaal en vestigde zich in Amsterdam.

Aanvankelijk hield hij zich actief bezig met allerlei Indische zaken en was hij onder meer betrokken bij de oprichting van het Koloniaal Museum (het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen). Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij zich bezig met het verdedigingsstelsel in de koloniën, na de dood van zijn vrouw, in 1919, trok hij zich echter terug uit het openbare leven en verhuisde naar Bussum en vanaf 1922 woonde hij deels in de Alpen zowel in Montreux als in Meran (Alto Adige in Italië). Van Heutsz overleed op 11 juli 1924 en werd op maandag 14 juli 1924 om half drie begraven op het kerkhof Clarens, nabij Montreux. Op donderdag 9 juni 1927 om twee uur werden zijn stoffelijke resten bijgezet in het mausoleum op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Hij kreeg hierbij als enige niet-koninklijke persoon een staatsbegrafenis. Van Heutsz was ridder, officier, commandeur en bezat het Grootkruis in de Militaire Willems-Orde. Hij verwierf bij Koninklijk Besluit van 26 juni 1890 nummer 27 de Eresabel (in de rang van kapitein) voor zijn werk in Atjeh in 1889 en 1890. In de rang van luitenant kolonel werd hij bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1897 nummer 59 benoemd tot officier, bij Koninklijk Besluit van 10 januari 1899 nummer 32 werd hij benoemd tot commandeur voor zijn verrichtingen in de Pedirstreek en aan de noord -en oostkust van Atjeh in 1898 en in 1903 bevorderd tot Grootkruis der Militaire Willems-Orde.

Monumenten[bewerken]

Borstbeeld in zijn geboorteplaats Coevorden

Amsterdam[bewerken]

Monument in Amsterdam bij de onthulling in 1935
Het praalgraf; rijksmonument nummer 526964

Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats bevindt zich een praalgraf voor Van Heutsz. In Amsterdam-Zuid, aan de Apollolaan, werd op 15 juni 1935 het Van Heutsz-monument onthuld, door Koningin Wilhelmina. Het monument heeft vanaf de onthulling veel kritiek gehad. Zelfs de zoon van Van Heutsz, Johan Bastiaan van Heutsz schreef op 16 juni 1943 hierover in een brief aan de Amsterdamse burgemeester Voûte dat hij het monument een aanfluiting vond en het liever verwijderd zag. Het monument bestond uit een groot vrouwspersoon op een sokkel met daaronder een buste van Van Heutsz, hierdoor vond hij de daadkracht van de persoon van zijn vader te weinig tot uitdrukking komen. Nadat het monument een aantal keer was vernield, 1967 met dynamiet, 1984 11 september ook explosieven, werd het in 2004 omgedoopt in Monument Indië-Nederland 1596-1949, en werden alle verwijzingen naar Van Heutsz verwijderd.

Coevorden[bewerken]

In Van Heutsz' geboorteplaats Coevorden werd een park naar hem vernoemd en bevindt zich een borstbeeld dat is vervaardigd door beeldhouwer August Falise uit Wageningen in opdracht van de Koninklijken Bond van Ridders der Militaire Willemsorde beneden den rang van Officier. Het beeld werd op 8 juli 1933 onthuld door Prins Hendrik. Op 9 april 1965 plaatsten Alard van Lenthe en de latere Minister van Defensie ter Beek, dan redacteuren van de Rooie Drentse Courant, bij het beeld een bord met daarop de tekst: Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw; om het geschokte vertrouwen van het Ned.-Indische bestuur opnieuw te funderen. De dochter van Van Heutsz diende hierop een aanklacht tegen Van Lenthe en Ter Beek in. Zij werden veroordeeld tot het betalen van een boete van 50 gulden. Op donderdag 17 september 2009 werd het beeld van zijn sokkel tegenover het gemeentehuis gehaald waarop het tot die tijd had gestaan. Hierna werd het opnieuw geplaatst op een locatie aan de haven. Hierdoor staat het beeld dichtbij het geboortehuis van Van Heutsz. De oorspronkelijke sokkel met tekst is afgevoerd en waarschijnlijk vernietigd en een nieuwe sokkel met tekst draagt nu het beeld. Op 17 of 18 oktober 2009 werd het monument van Van Heutsz beschadigd. Met een beitel of een soortgelijk voorwerp was de naam van Van Heutsz onleesbaar gemaakt en werd Atjeh in de sokkel gekerfd.

Nederlands-Indië[bewerken]

Het monument voor J.B. van Heutsz in Koeta Radja

De monumenten die in Nederlands Indië werden opgericht voor van Heutsz verdwenen in de loop der tijd vrijwel allemaal. In Jakarta werd ooit een monument opgericht, waarop een lange stoet mensen achter een olifant aanliep en waar op de zuil de naam van Van Heutsz stond afgebeeld. In 1932 werd te Banda Atjeh een monument onthuld, dat bestond uit een sokkel met buste. De buste van Van Heutsz werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bevolking van Kota Radja van de sokkel gehaald en voor de Japanners verborgen gehouden. Na de soevereiniteitsoverdracht werd het beeld aan Nederland teruggegeven; dit beeld staat tegenwoordig op het landgoed Bronbeek (Arnhem).

Het Regiment Van Heutsz van de Koninklijke Landmacht is vernoemd naar Van Heutsz. Dit Regiment zet de traditie van het Nederlands-Indische leger leger voort, met name die van het derde en zevende bataljon infanterie. Ook draagt het de traditie van het NDVN, Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat in de Koreaanse Oorlog vocht. Het Regiment Van Heutsz bestaat tegenwoordig uit het 12e Infanteriebataljon Luchtmobiel (AASLT) en de 11e Luchtverdedigingscompagnie 'Samarinda'. Er bestaat ook een Van Heutsz-mars.

Bronnen, noten en/of referenties
Voorganger:
in naam W.J. Stemfoort maar feitelijk J.A. Vetter
Gouverneur van Atjeh
1897-1904
Opvolger:
J.C. van der Wijck