Geschiedenis van het jodendom in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Joden in Nederland)
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee synagoges in Amsterdam in 1861, schilderij van Willem Hekking.
Jodenverbranding tijdens de pestepidemie van 1349
Interieur van de Portugees-Israëlitische Synagoge (Snoga) in Amsterdam. Schilderij van Emanuel de Witte, circa 1680, collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

De geschiedenis van het jodendom in Nederland (Hebreeuws: יהדות הולנד) begint vanaf de tweede helft van de Middeleeuwen.

Middeleeuwen[bewerken]

Reeds in de - latere - Middeleeuwen hebben er Joden gewoond op het grondgebied van het huidige Nederland (dat toen deel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk), al is er niet veel over hen bekend. Wel is duidelijk dat er in de 13e en 14e eeuw al joodse gemeenschappen waren in Limburg, Gelderland en Brabant. De oudst bekende gegevens komen uit 's-Hertogenbosch waar zich in 1164 een groep Joden vestigde. Enkele jaren later werden zij (183 personen) vermoord door verbranding op de Vughtse Heide[1]. De Maastrichtse Jodenstraat uit 1295 geldt als een ander oud bewijs van hun bestaan in Nederland.

In 1309 werden in het Zuid-Limburgse Born 110 Joodse vluchtelingen uit Sittard en Susteren vermoord in een pogrom. De Joden hadden hun toevlucht gezocht in het kasteel omdat ze daar veilig dachten te zijn. Dat bleek niet zo te zijn: de Joden werden vermoord en het kasteel in brand gestoken. Het was voor zover bekend de eerste massamoord op Joden op het huidige Nederlandse grondgebied.

Tijdens de pestepidemie die woedde tussen 1347 en 1349 werden Joden ervan beschuldigd de openbare waterbronnen vergiftigd te hebben. Men dacht dit omdat er veel minder Joden de pest kregen dan anderen en de Joden maakten - vanwege hun geloof - geen gebruik van deze waterbronnen. Later zou blijken dat er minder Joden aan de pest stierven door de Joodse reinigingswetten, maar toentertijd wist men nog niet dat pest onder andere werd veroorzaakt en verspreid door slechte hygiëne. De Joden werden tijdens de pestperiode als zondebokken vermoord of verdreven. In 1349 werden in diverse IJsselsteden alsook in Arnhem, Nijmegen en Utrecht alle daar woonachtige Joden levend verbrand. In heel Europa vonden talloze pogroms plaats met tienduizenden slachtoffers, in de steden Bazel, Frankfurt, Straatsburg en Keulen werd de totale Joodse bevolking uitgemoord. Zo werden in de 14e eeuw de Joden uit Nederland en uit delen van Duitsland verdreven, de overlevenden trokken verder naar het oosten, onder andere naar Polen waar al een Joodse gemeenschap was.

De Joden hadden geen eigen gebied en dus ook geen eigen lokale heersers, ze vielen in Duitsland daarom rechtstreeks onder de Duitse keizer. Deze kon lager geplaatste hoogwaardigheidsbekleders het recht geven om Joden onder hun hoede te nemen. Een hertog of graaf kon dan bijvoorbeeld een zakelijk beroep op de diensten van Joden doen, Joden werden door deze grootgrondbezitters ingezet om belasting te innen, wat ze niet bepaald geliefd maakte bij de burgers.

In de 15e eeuw ging de positie van de Joden er (weer) wat op vooruit. Er werden Jodenbrieven uitgegeven die de Joden in staat stelden zich (opnieuw) in het kredietwezen te begeven; de rentes die ze daarbij in rekening brachten konden oplopen tot over de veertig procent per jaar.

Al met al waren het tamelijk kleine aantallen Joden die toentertijd in Nederland leefden. In tegenstelling tot in andere Europese landen, hoefden Joden in Nederland niet in aparte (ommuurde) stadswijken, getto's, te wonen. Ook hoefden ze geen merkteken te dragen. Wel waren verreweg de meeste beroepen verboden voor Joden, mochten Joden absoluut geen opmerkingen maken over het christendom en mochten ze alleen in eigen kring trouwen.

Nieuwe tijd[bewerken]

Pas na de Middeleeuwen kwamen er grote groepen Joden Nederland binnen. De eerste grote groep Joden kwam naar Nederland aan het einde van de 16de eeuw. Deze groep was afkomstig uit Spanje en Portugal, de Sefardische Joden. Deze Joden waren op de vlucht voor de inquisitie, die hen voor de keuze stelde: zich bekeren tot het christendom of vertrekken. Veel Joden vertrokken naar Noord-Afrika of het Ottomaanse Rijk. Een kleinere groep trok naar het noorden, in aanvang vooral naar Antwerpen. Aan het begin van de 17e eeuw zochten ze ook een heenkomen in Holland. In 1604 had de Alkmaarse vroedschap als eerste stadsbestuur in Holland officieel ingestemd met de komst van Joden. Mits ze zich behoorlijk gedroegen, konden ze in alle vrijheid hun geloof beleven. Met 10.000 Joden had Amsterdam rond 1700 de grootste Joodse gemeenschap in West-Europa. De Sefardische Joden zijn tot op heden te herkennen aan achternamen zoals Pereira, Cardozo, del Castilho, Nunes, De Pinto of Vas Dias. Vele Sefardische Joden waren al in goeden doen toen ze in Nederland terechtkwamen. Uit hun land van oorsprong - Portugal of Spanje - namen ze handelscontacten mee. Spanje en Portugal waren toen immers grote spelers op het wereldtoneel en ook sterk vertegenwoordigd in de handel. Sefarden financierden onder andere reizen van de Oost-Indische Compagnie en traden ook op als huisbankiers van de Oranjes. In de 18e eeuw speelden ze een belangrijke rol in het culturele leven. Ook in Nederland kwamen de Sefarden veelal in de handel terecht (een groot aantal beroepen was nog steeds verboden voor Joden). Sefarden hadden een belangrijk aandeel in de Hollandse Gouden Eeuw, een tijd waarin handelaren nog rijker en machtiger werden.

In de 17e eeuw woedde de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) bij onze oosterburen, tijdens die oorlog nam ook de vervolging van de Joden toe. Hoogduitse en Oost-Europese Joden weken uit naar Nederland. Ze worden Asjkenazische Joden genoemd en komen uit landen als Duitsland, Polen en Rusland. Aan hun achternamen is deze afstamming nog te zien, bijvoorbeeld Polak, Hamburger, Bremer, Moszkowicz en Van Praag. De Asjkenazische Joden kozen later ook vaak namen van dieren of vruchten tot achternaam zoals: De Hond, De Haan, Schaap, Appel en Citroen. In tegenstelling tot veel Sefardische Joden waren de Asjkenazische Joden bepaald niet rijk, ze vonden hun werk op het platteland (als dagarbeider of turfsteker), in de ambulante handel of als slager, veehandelaar en kleine neringdoenden vooral op markten.

Beide groepen leefden jarenlang geïsoleerd van elkaar, en hadden in Amsterdam elk hun eigen synagoge.

Discriminatie[bewerken]

De Joden in Nederland mochten in het overwegend protestantse Nederland oorspronkelijk geen lid worden van een gilde en dus vrijwel geen enkel beroep uitoefenen. Sommigen zochten hun heil in het kredietwezen of de handel, verreweg de meesten probeerden echter als venter, marskramer of los-vaste arbeider wat te verdienen. De gilden verzetten zich in 1748 tegen de levendige straathandel. Handhaving van de strenge regels leverde rellen op en kritiek van de invloedrijke Isaac de Pinto.

Franse Tijd[bewerken]

Begin 1795 trok het Franse leger over de bevroren rivieren de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Dit is het begin van de Franse tijd. De Fransen namen de macht over van de regentenaristocratie en legden daarmee de basis voor de Bataafse Republiek en de eenheidsstaat zoals die er nu uitziet. Niet lang na de komst van de Fransen richtte een kleine groep Joden onder leiding van Mozes Asser in Amsterdam een patriottenclub op. Onder de naam Felix Libertate (Gelukkig door Vrijheid) hielden zij in een lokaal aan de Nes hun eerste openbare vergadering met de bedoeling zich actief in te zetten voor gelijke rechten voor alle Joodse burgers in Nederland. De tijd was rijp voor dit streven, omdat het nieuwe bewind met tal van gevestigde tradities wilde breken. Het was de tijd van de Verlichting, een tijd van nieuw elan. Om zich van aandacht verzekerd te weten, richtten de Libertate-leden zich onophoudelijk met rekesten tot de leden van de Nationale Vergadering.

De Nationale vergadering van de Bataafse Republiek (de toenmalige regering) stelde de Joden op 2 september 1796 volledig gelijk aan de leden van andere (religieuze) gezindten. Per die datum werd een besluit afgekondigd dat geen Jood zal worden uitgeslooten van eenige rechten of voordeelen die aan het Bataafsch Burgerregt verknocht zyn. Dat de Vergadering met het gelijkheidsideaal instemde was niet zo verwonderlijk tegen de achtergrond van het tijdens de Franse Revolutie gehanteerde adagium van 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap'. In hetzelfde jaar (1796) werd de uitsluiting van Joden van het lidmaatschap van gilden ongedaan gemaakt. Met het aannemen van het decreet werd weliswaar een belangrijke stap gezet in het emancipatieproces van de Nederlandse Joden, maar voltooid was dat allerminst. Na 1796 drongen zij slechts langzaam door tot andere beroepen. De burgerlijke gelijkstelling was vooral van toepassing op mannen die het maatschappelijk al hadden gemaakt. Aan vrouwen, kleine zelfstandigen en zeker voor de grote massa van het zogenoemde lompenproletariaat gingen de positieve effecten van het inburgeringsdecreet voorbij. Voor de wet waren Joden nu weliswaar gelijk aan andere Nederlanders, maar in de praktijk was dat nog lang niet het geval. In Amsterdam, de enige West-Europese stad die voor de Franse Revolutie op geen enkele wijze de immigratie van Joden had beperkt, was de rechtsongelijkheid nog steeds sterk merkbaar. Zeker zestig procent van de Joden leefde geheel of gedeeltelijk van de bedeling. Het tij keerde, toen zij zich rond 1850, op de golven van de economische vooruitgang, een Joodse middenklasse kon profileren. Een voorbeeld van deze ontwikkeling is de Joodse ondernemer Tuschinski.

De Franse koning Lodewijk Napoleon rekende de Joden tot de “Hollandse natie” en dus niet meer tot een aparte gemeenschap. De Joodse gemeenten bundelde hij door instelling van het Opperconsistorie (1808). Koning Willem I maakte van dit consistorie in 1814 de 'Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëlieten'. Het consistorie werd later onderverdeeld in een apart Nederlands-Israëlitisch (voor de Asjkenazische Joden) en een Portugees-Israëlitisch kerkgenootschap (voor de Sefardische Joden). Hoewel er nog steeds een scheiding was tussen Asjkenazim en Sefarden waren de inkomensverschillen tussen beide groepen Joden afgenomen. Na de Gouden Eeuw waren de Sefarden armer geworden en de Asjkenazim iets rijker. In de 19e eeuw behoorden de meeste Joden tot de onderste tree van de economie. Sefardische en Asjkenazische Joden gingen meer met elkaar om en begonnen ook meer onderling te trouwen.

Achternamen[bewerken]

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand eiste Napoleon in 1811 dat ook joden een achternaam zouden aannemen, waarbij het gebruik van namen van steden uit het beloofde land verboden werd. Bovendien werd gewerkt aan een nieuwe Bijbelvertaling, die zowel voor joden als christenen aanvaardbaar zou zijn. Het gebruik van het Jiddisch werd ontmoedigd om de emancipatie te bevorderen.

Emancipatie van de joden[bewerken]

Met de opkomst rond de eeuwwisseling (1900) van het socialisme en de vakbeweging begon er ineens iets ten goede van de grote massa kansarmen te veranderen. Die ontwikkeling was mede te danken aan de inspanningen van de Joodse vakbondsman en medeoprichter van de socialistische SDAP, Henri Polak. Als voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond stond hij aan de wieg van een vereniging, die na de Tweede Wereldoorlog model zou staan voor de moderne vakbeweging. Ook de Communistische Partij van Nederland met de Jood Saul (later Paul) de Groot als leider trok veel Joodse leden. Het zionisme, dat de vestiging van een Joodse staat propageerde, vond in Nederland weinig aanhangers. Wel waren er diverse opleidingscentra voor pionierswerk in Palestina en bestond er een zionistische jeugdorganisatie. De rechtstreekse bemoeienis van de arbeidersbeweging bracht het emancipatieproces van de grote groep arme Joden in een stroomversnelling. De invoering in 1919 van het algemene kiesrecht voor mannen en vrouwen was de voltooiing van dat lange proces.

Vluchtelingen in de jaren dertig[bewerken]

Nadat de nazi’s in buurland Duitsland in 1933 aan de macht kwamen en in 1935 de Neurenberger rassenwetten invoerden die de Joden alle burgerrechten ontnamen, kwam een stroom Joodse vluchtelingen op gang richting Nederland. Tot dan toe had Nederland een liberaal toelatingsbeleid, dat vluchtelingen in staat stelde vrij gemakkelijk asiel te krijgen. Vanaf 1935 verscherpte de regering echter de eisen: alleen bemiddelde Joodse vluchtelingen werden nog toegelaten, anderen moesten bewijzen bij terugkeer naar hun woonplaats in levensgevaar te verkeren, wilden ze kans maken op een verblijfsvergunning. Dit bewijs was echter lastig te leveren, zodat weinig Duitse Joden het land binnen konden komen.

De regering had meerdere redenen voor deze verscherping. Om te beginnen had de wereldwijde economische malaise ook in Nederland tot torenhoge inflatie en werkloosheid geleid. Een omvangrijke stroom vluchtelingen kon het land in deze omstandigheden niet aan, redeneerde het kabinet. In de tweede plaats vreesde de regering dat de toelating van grote groepen Joden het opkomende antisemitisme in de kaart zou spelen. Hoe meer Joden Nederland toeliet, hoe meer aanleiding de bevolking had hen te haten, zo dacht men. Het groeiende ledenaantal van de nationaalsocialistische NSB werd met argusogen bekeken.

In de aanloop naar de oorlog scherpte Nederland de toelatingseisen nog verder aan en werd de grens uiteindelijk geheel gesloten voor Joodse vluchtelingen. De Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland in 1938 en de Kristallnacht in datzelfde jaar veroorzaakten een nog grotere stroom Joodse vluchtelingen. In mei 1938 bepaalde minister van Justitie Carel Goseling dat Joden voortaan als ongewenste vreemdelingen werden beschouwd. Juist toen Joodse vluchtelingen konden bewijzen in levensgevaar te verkeren, ging de grens op slot. Nederland verscherpte zijn toelatingsbeleid ook om niet uit de pas te lopen bij andere staten in Europa. Als andere staten strengere eisen stelden, kon Nederland wel eens een vrijhaven worden voor vluchtelingen, dacht de regering.

Holocaust[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Holocaust in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het Auschwitzmonument door Jan Wolkers in het Wertheimpark in Amsterdam.

In de Tweede Wereldoorlog vond de Holocaust plaats. Op 19 mei 1941 nam de top van het Duitse Reichskommissariat (Seyss-Inquart en zijn vier Generalkommissare) het besluit dat alle Joden uit Nederland zouden moeten verdwijnen. Hun totale vermogen zou onder leiding van de Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft als sluitstuk van de uitplundering van de Joden worden opgevorderd om de operatie te betalen. De Joden zouden dus hun eigen deportatie moeten betalen. Nadat de Duitse bezetters ook in Nederland allerlei beperkende en discriminerende maatregelen tegen Joden hadden ingevoerd, kwamen vanaf 1942 de razzia's op gang. Sommige Nederlanders namen Joodse onderduikers in huis op, maar anderen, onder wie veel leden van de Duitsgezinde Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), hielpen de Duitsers juist bij de opsporing en arrestatie van Joden. Sommigen deden dit in het kader van hun werk (politie), anderen gewoon uit angst of onverschilligheid, weer anderen (criminelen) zelfs in ruil voor geld. Van de naar schatting 140.000 Joden die Nederland in mei 1940 telde, zijn er ongeveer 101.800 vermoord. Sommigen, zoals Anne Frank en Etty Hillesum, zijn door dagboeken beroemd geworden. De meeste anderen waren minder bekend, buiten hun werk, gemeenschap en families om. De meesten van hen werden vermoord, in vernietigingskampen vergast, doodgemarteld, verhongerd of op andere wijze om het leven gebracht. Andere verwaarloosde en uitgeputte gevangenen werden het slachtoffer van besmettelijke ziektes zoals tyfus. In totaal zijn in Europa door de nazi's naar schatting zes miljoen Joden omgebracht, een genocide die in deze regio haar weerga niet kent. Nederland kende, op Polen na, de grootste Jodenvernietiging van Europa: 87 procent van de joodse bevolking overleefde de Duitse bezetting niet.

Niet alle Joodse en niet-Joodse Nederlanders hebben de Holocaust zonder verzet laten gebeuren. Het verzet kwam wel neer op individuen, omdat - anders dan bijvoorbeeld in Denemarken - de Joden en hun helpers niet konden rekenen op steun van de staat. Zij die Joden bij zich thuis lieten onderduiken, liepen daarbij grote risico's voor hun eigen bestaan. Ook onder hen zijn slachtoffers gevallen. 4513 niet-Joodse personen of hun nabestaanden hebben voor hun dappere daad inmiddels een onderscheiding gekregen van de Israëlische staatsinstelling Jad Wasjem. De namen van Nederlanders die Joden geholpen hebben, zijn te vinden aan het 'Pad der Rechtvaardigen' in Jad Wasjem, opvallend is het grote aantal Nederlanders in vergelijking met andere nationaliteiten. Dit heeft te maken met het feit dat het verzet, zoals gezegd, neerkwam op individuele acties.

Zestig jaar na de oorlog, op 11 april 2005 tijdens een symposium ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), stelde premier Balkenende de collaboratie van Nederlandse ambtenaren met de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog openlijk aan de kaak [1]. Hij was hiermee de eerste Nederlandse bewindsman die een direct verband legde tussen het falen van de Nederlandse overheid en de moord op de Joden. Kort daarna bood de huidige directie der Nederlandse Spoorwegen, zonder wier actieve medewerking de deportatie van Joden niet mogelijk was geweest, voor het eerst officieel haar excuus aan de Joodse gemeenschap aan. Bekend is wel dat de regering na de Kristallnacht op 15 december 1938 de grens voor Joodse vluchtelingen sloot en hen bestempelde tot ongewenste vreemdelingen. Minister-president Hendrikus Colijn voelde niets voor het toelaten van meer vluchtelingen vanwege de economische druk die dat kon veroorzaken en het volgens hem bestaande antisemitisme in Nederland dat door de toelating van Joodse vluchtelingen alleen maar aangewakkerd zou worden. Colijn zei: "Dat zeg ik in het belang van onze Nederlandsche Joden zelf. In dezen tijd is geen enkel volk volkomen vrij van antisemitisme, de sporen ervan worden ook in ons land gevonden en wanneer men nu ongelimiteerd een stroom vluchtelingen uit het buitenland hier zou binnen laten, zou het noodzakelijk gevolg ervan zijn dat de stemming in ons eigen volk ten opzichte van de Joden een ongunstige kentering zou kunnen ondergaan." Uiteindelijk werd de Nederlandse regering door het parlement gedwongen de toelatingsquota te versoepelen.[2]

Herstel na de oorlog[bewerken]

De weinige Joden die na de oorlog uit de kampen terugkeerden waren getraumatiseerd, berooid of van al hun bezittingen beroofd. Hun woningen van voor de oorlog bijvoorbeeld waren inmiddels door anderen bewoond en zij moesten zich een plek hervinden, meestal zonder enige hulp van familie, die immers omgebracht was. Juridische conflicten betreffende Joods vooroorlogs bezit dat in handen van anderen was gekomen duren tot vandaag voort.[3] Jonge mensen vonden het na de oorlog vaak moeilijk hun studie weer op te nemen. Onder die omstandigheden trokken vele overlevenden naar Israël, anderen probeerden ondanks alles hun leven in Nederland weer voort te zetten. Het heeft lang geduurd voordat Nederlandse Joden zich van het trauma van de Holocaust konden herstellen en voor velen zullen de (geestelijke) wonden nooit genezen. Niet alleen de overlevenden van de Holocaust zelf, maar ook hun kinderen en kleinkinderen (de tweede en derde generatie oorlogsslachtoffers), leefden met voortdurende gedachten aan de confrontatie met de dood onder de vreselijkste omstandigheden.[4] Voor veel Nederlandse Joden blijft het beladen om met buitenstaanders over de eigen afstamming te spreken. Volgens een telling verricht door het Joods Maatschappelijk Werk (JMW) leefden er in het jaar 2000 tussen de 41.000 en 45.000 Joden in Nederland, onder wie ongeveer 10.000 Joden uit Israël die hier wonen vanwege studie of werk. Het JMW heeft bij zijn telling zowel moeder- als vaderjoden meegeteld. Iedereen met één Joodse ouder werd zo aangemerkt als Joods. Volgens de Joodse wetten (halacha) is alleen iemand met een Joodse moeder Joods. Met die wetten is bij deze telling geen rekening gehouden. Ook bekeerlingen (mensen die officieel zijn toegetreden tot de Joodse gemeenschap) zijn meegeteld.[5]

Hedendaags antisemitisme in Nederland[bewerken]

Sinds de Tweede Wereldoorlog brengen uitingen van antisemitisme (haat tegen joden) herinneringen aan de Shoah (of Holocaust) naar boven. Een deel van de critici van de staat Israël maakt geen onderscheid tussen (Nederlandse) Joden en Israëliërs.[6] Aan de andere kant wordt kritiek op het beleid van de staat Israël verward met antisemitisme. Het kwam voor dat in het voetbalstadion kwetsende leuzen werden groepen.[7]. In sommige buurten in Amsterdam was het een tijdlang gevaarlijk om met een keppeltje op over straat te lopen.[8]. Het komt voor dat synagogen en joodse graven worden beklad. Ook op internetfora wordt uiting gegeven aan antisemitische gevoelens. Hierdoor bestaat de indruk, vaak gevoed door persoonlijke ervaringen van joden, dat het antisemitisme in Nederland eerder toeneemt dan daalt. Dit laatste wordt door het CIDI in zijn jaarlijkse onderzoek (2007) bevestigd.[9]

Literatuur[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties