Jodenster

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jodenster
Vrouw met Jodenster tijdens razzia in Amsterdam op 20 juni 1943

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten Joden boven de leeftijd van zes jaar in bijna het gehele door de nazi's bezette Europa een Jodenster dragen, met uitzondering van Finland, Noorwegen, Denemarken en Vichy-Frankrijk. Dit kenteken bestond uit een zwart getekende zespuntige ster uit gele stof ter grootte van een handpalm met de tekst (in de landstaal) in zwarte letters 'Jood'. De ster diende om Joden te identificeren. De Jodenster moest zichtbaar en vast opgenaaid op de linkerkant ter borsthoogte van het kledingstuk gedragen worden.

De nazi's maakten het dragen verplicht in Polen vanaf 23 november 1939. Vanaf 1 september 1941 moesten alle Joden vanaf 6 jaar oud in het gehele Duitse Rijk de ster dragen, op grond van de Polizeiverordnung über die Kennzeichnung der Juden. In Nederland werd de Duitse beslissing op 9 mei 1942 gepubliceerd. Een paar dagen eerder, op 29 april 1942, werden de voorzitters van de Joodsche Raad, Asscher en Cohen, over de maatregel geïnformeerd. Zij informeerden diezelfde dag per circulaire de Joden: met ingang van zondag 3 mei 1942 moesten alle Joden in Nederland de zespuntige 'Jodenster' dragen (per persoon voorlopig maximaal 4 sterren, per 4 sterren (of minder) één textielpunt, prijs per ster 4 cent (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit: € 0,22), door de dragers zelf te betalen. De Nederlandse sterren werden in Enschede in textielfabriek de Nijverheid gemaakt. Dit joodse familiebedrijf werkte onder een niet-joodse zaakwaarnemer - arische Verwalter - in dit geval een Duitser. In totaal werden 569.355 sterren geproduceerd.[1][2]

In Bulgarije mislukte dit initiatief faliekant doordat burgers uit protest zelf sterren gingen maken en deze dragen. Sommigen plakten daar zelfs een beeltenis van de koning op. Joden die de sterren droegen werden door hun medeburgers toegejuicht en op de schouder geklopt. Na verloop van tijd gaven de antisemieten en Duitsers het op. Ook latere pogingen om de Joden te deporteren werden tegengehouden.

Geschiedenis[bewerken]

Onder het islamitische systeem werd met behulp van kledingvoorschriften al vroeg onderscheid gemaakt tussen gelovigen (al-oemma) en religieuze minderheden (ahl al-dhimma). Zo werden de christenen in Egypte lange tijd gedwongen tot het dragen van een bijzondere dracht (donker gewaad met blauwe of zwarte tulband).[bron?]

In middeleeuws Europa werd tijdens het Vierde Lateraans Concilie onder paus Innocentius III van 1215 bepaald dat Joden en Saracenen onderscheidende kleding moesten dragen. Sommige historici zijn het oneens of dit gebruik door de kruisvaarders of langs tijdelijk Mohamedaans[bron?] Sicilië in Europa is bekend geraakt en daardoor hier ingevoerd. De invulling daarvan werd aan de lokale autoriteiten overgelaten. Niet overal werd dit direct nageleefd, maar in de veertig jaar daarna werd het standpunt 29 maal herhaald door pausen en concilies. Dit had een duidelijk effect en al in 1218 werd door Hendrik III van Engeland bepaald dat Joden een teken moesten dragen, terwijl zij van Frederik II op Sicilië vanaf 1221 een blauw teken moesten dragen. Ook in de rest van Europa werden dergelijke maatregelen afgekondigd, al zou het tot 1270 duren voordat in het Heilige Roomse Rijk de Jodenhoed verplicht werd gesteld. Na verloop van tijd werd het niet alleen een teken van onderscheiding, maar ook van minderwaardigheid. Het geel dat al door de islamieten werd gebruikt voor de Joden — christenen moesten in het islamitische systeem blauw dragen en Samaritanen rood — werd daarbij de dominante kleur. Een uitzondering was de Republiek, waar in 1619 werd bepaald dat Joden geen onderscheidende tekenen hoefden te dragen, wat overigens niet betekende dat er geen beperkende maatregelen waren. De verlichting bracht langzaam een verandering teweeg. Zo kondigde keizer Jozef II met het Patent van Tolerantie godsdienstvrijheid af in het Heilige Roomse Rijk en schaften veel andere Europese staten rond die tijd de tekens af, waarbij vooral de verspreiding van de Franse revolutie bij het verlenen van gelijke burgerrechten.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Bein, A. (1990): The Jewish question: biography of a world problem, Fairleigh Dickinson Univ Press.

Noten[bewerken]

  1. www.4en5meienschede.nl
  2. www.verzetsmuseum.org