Johan Ernst van Nassau-Siegen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret van Johan Ernst van Nassau-Siegen in het Rijksmuseum door Jan Antonisz. van Ravesteyn
De architect Giovanni de' Medici (1563-1621), de zoon van Cosimo I de' Medici, met wie Johan Ernst niet overweg kon
De ligging van de voornaamste steden in de Istrische of Uskokoorlog

Johan (of Jan) Ernst van Nassau-Siegen of Hans Ernst [1] (Dillenburg, 21 oktober 1582 - Udine, 27 september 1617) was een generaal in de Uskokoorlog, waarin niet veel gebeurde, maar die werd beheerst door ambitieuze, jonge edellieden, op zoek naar eer en roem.

Biografie[bewerken]

Johan Ernst was de oudste zoon van Jan VII van Nassau-Siegen en van diens eerste vrouw, Magdalena van Waldeck. Nadat zijn vader was hertrouwd breidde de familie zich uit tot het ongelooflijke aantal van 23 of 25 kinderen. O.a. Johan Maurits van Nassau-Siegen was zijn halfbroer; Johan Wolfert van Brederode was zijn zwager en stadhouder Maurits was zijn peetoom. Via zijn oom Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg kwam hij in dienst van de Staten-Generaal van de Nederlanden. Hij wist zich te onderscheiden in het Staatse leger, zodat hem het bevel over het regiment Oude Walen of zogenaamde Nieuwe Geuzen werd opgedragen, en hij als tweede bevelhebber in de Gulikse oorlog werd aangesteld.[2]

Het sluiten van het Twaalfjarig Bestand, en het bijleggen van de twisten over Gulik, ook bekend als Jülich, verkleinde de kans zich verder te onderscheiden. In 1616 verklaarde de Republiek Venetië de Aartshertog van Stiermarken, die over Binnen-Oostenrijk heerste de oorlog. Venetië vroeg de Republiek der Verenigde Nederlanden om steun, hetzij in geld, manschappen of schepen. (Het vervoer van goederen over de Alpen was Venetië al jaren ontzegd.) Jan Ernst diende zich eind september 1616 bij de resident Suriano aan en kreeg een contract voor een halfjaar. De voorbereidingen duurden een maand, maar de Amsterdamse reders stelden buitensporige hoge eisen aan de verhuur van twaalf schepen, zodat Jan Ernst uitweek naar Enkhuizen, en Rotterdam. Half november lagen alle schepen gereed maar o.a. door de ongunstige wind en stormen zouden de schepen drie maanden lang niet hebben kunnen uitvaren.[3]

Ondertussen was muiterij uitgebroken op de schepen in Schiedam: Johan Ernst kreeg ernstige problemen met het uitbetalen van een voorschot op het soldij en wel vanaf de dag van indiensttreding en niet vanaf de dag van uitvaren. De inwoners van Texel eisten kostgeld voor alle zeelieden die waren ondergebracht bij de eilandbevolking. Johan Ernst verloor de moed, want de Venetianen zouden pas betalen als de soldaten aangekomen waren. De schippers hadden voor drie maanden levensmiddelen ingeslagen en er waren al 2,5 voorbij. De uitreders van de schepen kregen steeds grotere vorderingen op Johan Ernst; de winsten waarop zij hadden gespeculeerd, dreigden te niet te gaan. De gruwelijke verveling en het beangstigende gerucht dat de Republiek Venetië op het punt stond te onderhandelen over vrede, maar ook ziekte, duurte, onderlinge gevechten (en religieuze twisten) speelden een desastreuze rol in dat jaar. Pas op 2 maart 1617 verlieten de manschappen de rede van Texel, een schip strandde voor de kust, de overigen kwamen op 4 april in de lagune voor Venetië aan. Daar werd Johan Ernst door de doge van Venetië, Giovanni Bembo ontvangen, die hem, zoals verlangd, de rang en titel van Generaal der Hollanders of van het Hollands Krijgsvolk verleende.

Wat Johan Ernst van Nassau in Venetië verrichtte behoort niet tot het collectief geheugen. Hij kwam met zijn 3.100 man, waaronder zijn broer Willem en Joachim Ernst van Sleeswijk-Holstein, voor Gradisca d'Isonzo aan, een kleine maar sterke Habsburgse stad in het graafschap Görz en Gradisca, aan de rivier de Isonzo. De stad was al 1,5 jaar door de Venetianen onder het bevel van een zekere Giovanni de' Medici ingesloten, vanwege Habsburgse steun aan de Uskokken, zeerovend langs de kust van Dalmatië, en de aanleiding tot de Uskokoorlog. Aanvankelijk werden twee vijandelijke schansen door de Nederlanders genomen, maar door onenigheid vroeg hij eind juli zijn ontslag aan. Prins Maurits drong evenwel aan om op zijn post te blijven. Het speet Louise de Coligny dat zij niet haar zoon prins Frederik Hendrik in zijn plaats had laten gaan.

Toen op 26 september 1617 de vrede van Madrid werd gesloten, was de belegering zinloos geworden.[4]

Jan Ernst had inmiddels dysenterie opgelopen en stierf in Udine, niet meer herstellend van deze vervelende kwaal. Het lijk werd gebalsemd, en is in een koets naar Venetië gebracht. Men kreeg geen toestemming van de kerkelijke autoriteiten hem ter plekke te begraven, zijn protestantse achtergrond bleek een te grote belemmering en Johan Ernst wilde in Arnhem, maar schijnt in Siegen te zijn begraven.[5] Vlak voor zijn dood gaf hij opdracht de schulden bij de diverse reders te vereffenen, en het resterende bedrag, 80.000 gulden, over te maken.

De troepen van enkele andere Nederlandse aanvoerders slonken in enkele jaren weg. [6] De Uskokoorlog en de ontwikkelingen in Bohemen, waar de Winterkoning werd afgezet, gaven aanleiding tot de Dertigjarige Oorlog.

Voetnoten[bewerken]

  1. http://www.royaltyguide.nl/images-families/nassau/nassausiegen1/1582%20Johann%20Ernst.jpg
  2. Toen het regerend geslacht van Gulik-Kleef-Berg met hertog Johan Willem van Kleef en Gulik op 25 maart 1609 uitstierf, vochten de erfgenamen een militaire strijd uit, die duurde tot 1614 en bekendstaat als de Guliks-Kleefse opvolgingsstrijd (Duits: Jülich-Klevischer Erbfolgestreit).
  3. Geijl, P. (1913) Christoforo Suriano. Resident van de Serenissime Republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623, p. ?.
  4. http://rjb.x-cago.com/GARJB/1914/12/19141231/GARJB-19141231-0067/story.pdf.
  5. http://www.hethuisvanoranje.nl/14%20Familiegraven/GrafkelderNassauSiegen.html
  6. http://www.dbnl.org/tekst/hoge001fkhk01_01/hoge001fkhk01_01_0001.htm

Bron[bewerken]

  • A. J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen "van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt".
  • Geijl, P. (1913) Christofforo Suriano. Resident van de Serenissime Republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623.