Johan Frederik van Oordt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johan Frederik van Oordt
(Collectie RU Groningen)

Johan Frederik van Oordt (Rotterdam, 23 november 1794 - Leiden, 11 december 1852) was een Nederlands hoogleraar theologie, grondlegger van de Groninger School en ridder in de Militaire Willems-Orde.

Loopbaan[bewerken]

Van Oordt bezocht in zijn geboortestad de Latijnse school, waarna hij in 1812 in Utrecht theologie ging studeren. Hij volgde er de lessen van zijn oom, Gabriël van Oordt, van Jean Henri Pareau, Jodocus Heringa en onderging, in het bijzonder, de invloed van Philip Willem van Heusde, de grote Plato-kenner, die door zijn opvatting van de geschiedenis als een ontrolde kaart van de voortgaande ontwikkeling der mensheid ook voor een deel de Groningse School heeft beheerst. In 1815 trok Van Oordt te velde als sergeant bij de studenten-jagercompagnie, die echter alleen garnizoensdienst heeft verricht. In 1819 werd hij benoemd tot predikant te Nederlangbroek en op 3 april 1821 promoveerde hij op het proefschrift De religione christiana ad conjunctionis et societatis studia alenda et promovenda cum aptissima tum efficacissima . In september 1822 vertrok Van Oordt naar Alkmaar, op 25 oktober van het jaar daarop naar Utrecht. Te Utrecht maakte hij naam als kanselredenaar, maar deed hij ook wetenschappelijk werk. Toen te Groningen Eelco Tinga was overleden, bood men Van Oordt diens katheder aan. Hij inaugureerde op 20 februari 1829 met de rede de Eloquentia sacrae natura. Drie maanden na Van Oordt kwam Hofstede de Groot te Groningen aan en in 1831 zou Pareau zich bij hen voegen; dit was het bekende driemanschap dat de Groninger School stichtte.

Van Oordt trok op 25 oktober 1830 weer te velde, ditmaal als officier bij de Groninger flankeurs, nadat hij op 17 oktober in een vermaard geworden leerrede over psalm LX14a (in God zullen wij kloeke daden doen) had opgewekt aan de roeping der volksbewapening gehoor te geven. Hij werd bij Koninklijk Besluit van 12 oktober 1831, nummer 92, benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde. Van Oordt heeft tien jaar in Groningen gewerkt; hij heeft hier met Pareau en De Groot die theologische en godsdienstige denkbeelden ontwikkeld, die de Groningse school en de evangelische richting zou doen ontstaan, tot dat hij geroepen werd te Leiden de plaats van L. Suringar in te nemen. Hij aanvaardde zijn ambt op 11 december 1839 met de rede de Vero in theologica unice sectando. Te Leiden gaf hij veelgeprezen colleges over pastoraat, maar streed tegelijkertijd ook als pre-adviserend lid in de synode der Hervormde Kerk voor de leervrijheid (1835) en werkte mee aan de voorbereiding van het Algemeen Reglement van 1851. Als ouderling der Leidse gemeente verzette hij zich bij geschrift tegen het vonnis der rechtbank, waarbij in zake het huiszittenhuis de Kerkenraad in het ongelijk was gesteld. Op 8 februari 1842, bij het neerleggen van het rectoraat, sprak hij de Perfecta institutoris specie in J.C. conspicua. Buiten de theologie hield Van Oordt zich ook bezig met de schone letteren, was goed in het schrijven van enkele moderne talen, gaf letterkundige studies, onder meer over Eugène Sue, uit en dichtte verzen. Van Oordt overleed, binnen een maand na zijn door hem zo geliefde vrouw, op 11 december 1852.

Profiel RU Groningen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • 1893. P.H.K. van Schendel. De Militaire Willemsorde.
  • 1912. P.C. Molhuysen en P.J. Blok. Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek. Deel 2. Bladzijde 1023-1024.
  • 1940. G.C.E. Köffler. De Militaire Willemsorde 1815-1940. Algemene Landsdrukkerij. Den Haag.
Voorganger:
Jan ten Brink
Rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen
1833–1834
Opvolger:
Jacob Herman Philipse
Voorganger:
Johan Rudolf Thorbecke
Rector magnificus van de Universiteit Leiden
1841-1842
Opvolger:
Jan van der Hoeven