Johan Harmen Rudolf Köhler
| Johan Harmen Rudolf Köhler | ||||
| 1818-1873 | ||||
| Generaal Kohler | ||||
| Geboren in | Groningen | |||
| Gestorven in | Atjeh | |||
| Land/partij | ||||
| Onderdeel | Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger | |||
| Dienstjaren | 1832-1873 | |||
| Rang | ||||
| Eenheid | Infanterie | |||
| Slagen/oorlogen | Tiendaagse Veldtocht Lampongse Expeditie Eerste Atjehexpeditie |
|||
| Onderscheidingen | ||||
|
||||
Johan Harmen Rudolf Köhler (Groningen, 3 juli 1818 - Atjeh, 14 april 1873) was een Nederlands generaal, ridder in de Militaire Willems-Orde.
Loopbaan [bewerken]
Köhler trad op 3 mei 1832, hij was toen 14 jaar, in dienst van de negende afdeling infanterie en maakte als zodanig (in 1832 en 1833), naar aanleiding van de Belgische opstand, de veldtocht mee in België en Staats-Vlaanderen. Op 21 mei 1834 werd hij benoemd tot korporaal, op 16 december 1836 tot fourier en op 21 juli 1838 tot sergeant. In deze rang werd hij overgeplaatst bij het Oost Indisch leger en vertrok hij op 14 november 1839 naar Indië. Binnen vier maanden werd hij tot tweede luitenant benoemd en in 1847 geplaatst op Sumatra's Westkust. Op 4 oktober dat jaar werd hij benoemd tot eerste luitenant en in 1852 tot Kapitein, in welke rang hij optrad als civiel en militair gezaghebber der Lampongse Districten. In 1856 werd hij benoemd tot gouvernements-commissaris hiervan. Köhler werd in 1857 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse voor zijn gedrag tijdens de Lampongse Expeditie (1856). In augustus 1857 verliet hij Nederlands-Indië voor een twee-jaarlijks verlof. Gedurende zijn verblijf in Nederland werd hij in 1858 bevorderd tot majoor en keerde eind juni 1859 terug op Java. Hij aanvaardde daar het bevel over het tweede bataljon infanterie en in 1860 over het garnizoensbataljon van Banka. Zijn benoeming tot luitenant-kolonel volgde al spoedig en bij zijn bevordering tot kolonel (1865) werd hem het militair commando van Sumatra's westkust en onderhorigheden opgedragen.
Eerste Atjehexpeditie [bewerken]
Bij Koninklijk Besluit van de zevende januari nr. 19 1873 tot generaal-majoor benoemd, vertrok hij als opperbevelhebber der expeditionaire troepen der eerste expeditie naar Atjeh.
Het onafhankelijke sultanaat Atjeh op Noord-Sumatra zocht contact met Italië en de Verenigde Staten en daarnaast met het Osmaanse Rijk. Dat was voor Nederland, dat haar invloedssfeer in de Indische archipel streng bewaakte, een reden om ten strijde te trekken. De Nederlandse regering zond op 8 april 1873 een expeditie onder leiding van Generaal Köhler. Deze expeditie moest een basis opbouwen aan de monding van de Atjeh-rivier en vanuit die sterke positie het regeringscentrum veroveren, maar eindigde met een voortijdige terugkeer naar Java; geen der doelen werd bereikt. Köhler sneuvelde tijdens de de expeditie op 14 april 1873 gedurende een inspectie bij de net veroverde Mesigit; hij kreeg een kogel in zijn linkerarm die in zijn hart terecht kwam. Hij werd als opperbevelhebber der eerste expeditie opgevolgd door kolonel Van Daalen. Köhlers stoffelijk overschot werd te Singapore aan boord van het stoomschip Koning der Nederlanden gebracht en vervolgens naar Batavia getransporteerd om aldaar met militaire eer begraven te worden. Koning Willem III reed naar Groningen om persoonlijk de nabestaanden te gaan condoleren. Köhler werd in de twintigste eeuw herbegraven te Peutjoet.
Bronnen, noten en/of referenties
|