Johan Lodewijk van Nassau-Hadamar
| Johan Lodewijk | ||
| 1590-1653 | ||
| Graaf en vorst van Nassau-Hadamar | ||
| Periode | 1606-1653 | |
| Voorganger | Jan VI | |
| Opvolger | Hendrik Maurits | |
| Vader | Johan VI van Nassau-Dillenburg | |
| Moeder | Johannetta van Sayn-Wittgenstein | |
Johan Lodewijk van Nassau-Hadamar (Dillenburg, 6 augustus 1590- Hadamar, 10 maart 1653) was een zoon van Johan VI van Nassau-Dillenburg en diens derde echtgenote Johannetta van Sayn-Wittgenstein.
Na het overlijden van zijn vader in 1606 werd Nassau verdeeld over zijn vijf nog levende zonen. Nassau viel uiteen in de graafschappen Nassau-Dillenburg (Willem Lodewijk), Nassau-Siegen (Jan), Nassau-Beilstein (George), Nassau-Dietz (Ernst-Casimir) en Nassau-Hadamar voor Johan Lodewijk . In 1643 verkocht de graaf de heerlijkheid Esterau met de voogdij Isselbach en Eppenrod aan veldmaarschalk Peter Melander. Hieruit ontstond het rijksgraafschap Holzappel. Op 8 januari 1650 werd Johan Lodewijk tot rijksvorst verheven.
Johan Lodewijk was op 26 augustus 1617 in Detmold gehuwd met Ursula (1598-1638), dochter van Simon VI van Lippe en Elisabeth von Holstein-Schaumburg, en werd de vader van:
- Johanna Elisabeth (1619-1647), in 1642 gehuwd met Frederik van Anhalt-Harzgerode, zoon van Christiaan I van Anhalt-Bernburg,
- Louisa Ursula (1620-1635)
- Sophia Magdalena (1622-1658), in 1656 gehuwd met Lodewijk Hendrik (1594-1662), graaf van Nassau-Dillenburg, zoon van George van Nassau-Dillenburg,
- Johan Lodewijk (1623-1624)
- Simon Lodewijk (1624-1628)
- Maurits Hendrik (1626-1679)
- Herman Otto (1627-1660), geestelijke in Mainz, Keulen en Trier.
- Filips Lodewijk (1628-1629)
- Sijbilla van Nassau-Hadamar (1629-1680)
- Anna Catharina (1630-1630)
- Johan Ernst (1631-1651)
- Anselmus Ferdinand (1633-1634)
- Johan Lodewijk (1635-1635)
- Frans Bernard (1637-1695), domprovoost in Keulen, Straatsburg, Emmerih en Bremen.
- Maria Elisabeth (1638-1638).
Johan Lodewijk van Nassau-Hadamar werd bijgezet in de franciscaner Liebfrauenkirche Hadamar. In 1835 werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar de Fürstengruft.