Johann Adam Reincken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johann Adam Reincken

Johann Adam Reincken, ook Jan Adams (Jean Adam, Jan Adam) Reincken of Reinken, Reinkink, Reincke, Reinike (Deventer, (doop) 10 december 1643 - Hamburg, 24 november 1722) was een Nederlands-Duitse componist, organist, klavecinist, gambaspeler en muziekorganisator.

Over het geboortejaar en de geboorteplaats van Johann Adam Reincken was tot voor kort weinig met zekerheid bekend. Volgens Johann Mattheson werd Reincken in 1623 in "Wilhuisen" geboren. Dit wordt door sommige biografen als Wildeshausen in Oldenburg opgevat, anderen gaan uit van Wilshausen in de Elzas. In 1643 werd Johan Adamszoon Reinken echter op 10 december in Deventer gedoopt. De door Mattheson overgeleverde geboortedatum en geboorteplaats blijkt, op grond van recente onderzoeken van de Duitse musicoloog Ulf Grapenthin, geheel onjuist.

Ook met betrekking tot Reinckens precieze geboortejaar heeft lange tijd onzekerheid bestaan: het regelmatig opduikende jaartal 1623 berust op een overdrijving, vermoedelijk van Reincken zelf. Bij zijn aantreden als plaatsvervangend Catharinaorganist in Hamburg heeft hij zich doelbewust ouder geafficheerd dan hij in werkelijkheid was. De reden hiervan was, dat hij zich hierdoor geaccepteerd wilde maken bij het stads- en kerkbestuur die anders bezwaren hadden kunnen opwerpen tegen zijn (te) jonge leeftijd.

Opleiding[bewerken]

In de Hanzestad Deventer kreeg Reincken les van de aldaar werkzame organist en stadsmusicus Lucas (van) Lenninck, een oud-leerling van Jan Pieterszoon Sweelinck. In 1654 verliet Reincken Deventer om (vermoedelijk) in Hamburg van Heinrich Scheidemann, eveneens oud-leerling van Sweelinck en organist van de Sankt Catharinenkirche (de belangrijkste kerk van Hamburg), les te krijgen in o.a. de kunst van het orgelspelen. Het stadsbestuur van Deventer bekostigde de studie van de hoogbegaafde jonge Reincken die in vrij arme omstandigheden was geboren en opgegroeid. Na een kort verblijf in Deventer waar hij organist van de Bergkerk was, vertrok hij in 1657 in alle stilte uit de stad: Reincken had bij een Deventerse een (buitenechtelijk) kind verwekt en wilde met betrokkene niet huwen. Hij vluchtte naar Hamburg waar hij de oude Scheidemann ging assisteren om hem na zijn dood in 1663 op te volgen als organist.

Hamburg[bewerken]

Reincken geldt, met zijn studievriend Dietrich Buxtehude, als een van de belangrijkste vertegenwoordiger van de Noord-Duitse Orgelschool. Hij had grote invloed op het muziekleven van stad-staat Hamburg en was in 1678 een van de oprichters van de Hamburgse opera, de eerste publieke opera in Duitsland. Hij was tot ver over de grenzen van Hamburg bekend om zijn orgelspel, waarin de improvisatiekunst centraal stond.

In 1687 verscheen in Hamburg van Reinckens hand een door hemzelf bekostigde uitgave van zes ensemblesonates. De volledige titel ervan luidt: Hortus Musicus recentibus aliquot flosculis Sonaten, Allemanden, Couranten, Sarabanden, et Giguen cum 2. Viol., Viola et Basso continuo. Reincken droeg deze verzameling op aan het stadsbestuur van Deventer, zijn vroegere 'sponsor'.

Van deze sonates heeft Johann Sebastian Bach, vermoedelijk in zijn gymnasiumtijd in Lüneburg (1700-1702), een integraal (nr.1), een ander grotendeels (nr.2) en van de laatste sonate (nr.6) slechts een deel voor het klavecimbel omgewerkt. Hierbij ging zijn belangstelling in toenemende mate uit naar het model van de permutatiefuga - een specifieke fugasoort met veel herhalingen - zoals Reincken deze in zijn Hortus Musicus (tuin van de muziek) op zeer virtuoze wijze had vormgegeven. In het bewerken van Reinckens ensemblestukken voor het klavecimbel verrijkte Bach niet zijn inzichten in Reinckens compositietechniek, waarin sprake is van een vrij transparante stemvoering, hij maakte zich deze ook zowel eigen als dat het tegelijk zijn eigen scheppingsvermogen inspireerde. Zo telt Bach omwerking (BWV 954) van Reinckens contrapuntisch-geaarde Allegro uit de zesde sonate in Bes-grote terts 95 maten, tegenover het origineel dat 50 maten telt: bijna verdubbeling.

J.S.Bach[bewerken]

Johann Sebastian Bach zelf maakte in zijn Lüneburger gymnasiumtijd (1700-1702) regelmatig reizen naar Hamburg om Reincken op het orgel van de Sankt Catharinenkirche te horen: het zal de jonge Bach hierbij vooral zijn gegaan om de Vespers, kerkdiensten op zaterdagavonden, in de kerk waarin Reincken op het reusachtige orgel excelleerde in breed uitgesponnen improvisaties over kerkliederen. Deze vorm van muziekmaken - vooral in improvisaties maar ook op muziekpapier (compositie) - behoort tot het genre van de Noord-Duitse Koraalfantasie. Persoonlijke contacten in deze periode tussen Bach en zijn idool Reincken kunnen niet uitgesloten worden, maar historische gegevens laat staan bewijzen hiervoor ontbreken (vooralsnog).

In 1700 vervaardigde de 15-jarige Bach ten huize van de Lüneburger organist en componist Georg Böhm een afschrift van Reinckens grote orgelbewerking over het kerklied 'An Wasser=Flüssen Babÿlons'. Deze compositie - die in de praktijk gemiddeld dertig minuten duurt - geldt als een van de meest representatieve specimen van de breed uitgesponnen 17de-eeuwse Noord-Duitse Koraalfantasie, als ook van Reinckens grote vaardigheid hierin.

Vele jaren later, in 1720, heeft de oude Reincken na een uitvoerige improvisatie door Johann Sebastian Bach op het orgel van de Sankt Catharinenkirche in Hamburg over het kerklied 'An Wasser=Flüssen Babÿlons' gezegd (hier in vertaling): "Ik dacht dat deze kunst gestorven was, maar ik zie in u leeft zij voort". Bachs improvisatie is vermoedelijk de laatste 'echo' geweest van het kunstgenre Noord-Duitse Koraalfantasie.

Reincken stierf uiteindelijk op 79-jarige leeftijd. Hij werd echter niet in Hamburg maar in Lübeck begraven, naast het graf van zijn aldaar gestorven dochter.

Het feit dat klaviercomposities van Johann Adam Reincken überhaupt bewaard bleven, is zo blijkt in zeer sterke mate aan de kopier-arbeid van Johann Sebastian Bach te danken. In Hamburg zelf en in het hele Noord-Duitse gebied zijn alle handgeschreven composities van Reincken, van hemzelf en van andere kopiisten, in de loop van de tijd verloren gegaan. Na Bachs terugkeer in 1702 vanuit Lüneburg naar Midden-Duitsland, liet de jonge musicus toe dat van eigen afschriften van werk van Noord-Duitse meesters w.o. Reincken afschriften konden worden vervaardigd. O.a. door zijn neef Johann Gottfried Walther en door eigen leerlingen. Deze documenten vormden de grondslag van moderne, wetenschappelijke uitgaven van Reinckens muziek voor orgel en voor klavecimbel.

Over Reincken[bewerken]

In een beschrijving van Johann Gottfried Walther, in diens befaamde 'Musikalisches Lexikon' (1732), lezen wij onder het lemma 'Heinrich Scheidemann' (hier in vertaling): "Scheidemann, organist aan de S.Catharinakerk in Hamburg, is (...) vanwege zijn composities als vanwege zijn spel wel zo beroemd geweest dat een groot musicus in Amsterdam, toen hij hoorde dat Adam Reincken op de plek van Scheidemann was benoemd, sprak: dit moet een stoutmoedig mens zijn, omdat hij het durft om op de plek te gaan staan van een zo beroemd mens. En hij ware wel zo nieuwsgierig hemzelf eens te zien. Reincken heeft hem hierop een voor het klavier gezet kerkgezang 'An Wasser Flüssen Babÿlons' toegestuurd en daarbij geschreven dat hij hierin een portret van de stoutmoedige mens zou kunnen zien. De Amsterdamse musicus is toen zelf naar Hamburg gekomen, heeft Reincken op het orgel gehoord, hem na afloop gesproken en hem uit bewondering de handen gekust."

De jongere ambitieuze Hamburgse musicus en musicograaf Johann Mattheson - die op zeker moment tevergeefs poogde om de inmiddels oude Reincken van zijn positie als Catharina-organist te verstoten - schrijft dat Reinkens levenswandel bepaald niet zuiver is geweest. In zijn traktaat Der Critica musica stelt Mattheson over Reincken: hij is „ein beständiger Liebhaber des Frauenzimmers gewesen und habe den fremden Dames, so er bis an seinen Tode im Hause gehabt, ein ansehnliches vermacht“. De betreffende dames blijken echter familieleden van de oude Reincken te zijn geweest die voor hem een verzorgende taak op zich hadden genomen, wat Matthesons uitlatingen over Reincken met 'uitermate subjectief' doet kwalificeren.

Overgeleverde composities[bewerken]

  • 'An Wasser Flüssen Babÿlons' (Noord-Duitse Koraalfantasie, voor orgel)
  • Was kann uns kommen an für Not' (Noord-Duitse Koraalfantasie, voor orgel)
  • Toccata in G, in g, in A en in G (voor klavecimbel)
  • Fuga in g (authenticiteit onzeker, voor klavecimbel)
  • Acht suites (voor klavecimbel)
  • Drie variatiecycli (voor klavecimbel)
  • Zes meerdelige sonates elk gevolgd ('suite') door vier dansbewerkingen, uit 'Hortus Musicus' (voor strijkers en basso contonuo)

Bronnen[bewerken]

  • David Mason Greene, Greene's Biographical Encyclopedia of Composers, 1985, ISBN 0385142781,
  • Website van de NCRV,
  • „Reincken, Johann Adam“ in: Allgemeine Deutsche Biographie, herausgegeben von der Historischen Kommission bei der Bayrischen Akademie der Wissenschaften, Band 28, pag. 7ff,
  • Breig, W. - Composition as arrangement and adaptation (in: The Cambridge Companion to Bach, Ed. by John Butt, Cambrdge, 1997)
  • Defant, C. - Johann Adam Reinckens 'Hortus Musicus' - Versuch einer Deutung als Metapher für die hochbarocke Musikauffassung in Deutschland (in: Die Musikforschung, 1989/2),
  • Edler, A. - Der nordelbische Organist (Kassel, 1982),
  • Grapenthin, U. - Johann Adam Reinken: Ruhmwürdigster Organist der Kirchen St.Catharina in Hamburg (Wildeshausen, 1997),
  • Grapenthin, U. - Bach und sein 'Hamburgischer Lehrmeister' Johann Adam Reincken (Dortmund, 2003),
  • Grapenthin, U. - 'Reincken, Johann Adam' (in: Die Musik in Geschichte und Gegenwart, 2. neubearbeitete Ausgabe, Band 13),
  • Hertog, J. den - 'Jan Adam Reincken en zijn muziektuin' (in: Het Orgel 2009/2)
  • Hilst, R. van der - 'Een engel uit de hemel - driehonderd jaar Bach en Nederland' (Amsterdam, 2000)
  • Houck, M. E. Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis, D. 6de, 2de Stuk (1899), pp. 151-158 doi:10.2307/947776,
  • Maul, M.; Wollny, P.- 'â Dom. Georg: Böhme descriptum ao. 1700 Lunaburgi': auf den Spuren des jungen Bach (BachMagazin 9, 2007),
  • Sharp, G.B. - 'Jan Adam Reincken 1623-1722' (in: Musical Times 1973/cwiv),
  • Walker, P. - 'Die Entstehung der Permutationfuge' (in: Bach-Jahrbuh 1989/nr 75),
  • Wolff, C. - 'J.A.Reinken and J.S.Bach. On the Context of Bachs Early Works' (in: J.S.Bach as Organist, ed. G.Stauffer en E.May, Bloomington 1986).
  • Wolff, C. - Johann Sebastian Bach: zijn Leven, zijn Muziek, zijn Genie (Utrecht, 2000)