Johann Gottfried Reiche

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Johann Gottfried Reiche (Weißenfels, 5 februari 1667Leipzig, 6 oktober 1734) was een Duits trompettist, muziekpedagoog en componist.

Levensloop[bewerken]

Reiche werd in zijn geboortestad opgeleid als trompettist, vooral in het zogenoemde "clarinblasen". In 1688 werd hij te Leipzig als gezel opgenomen in de "Leipziger Stadtpfeiferei". In 1706 werd hij tot "Stadtpfeifer" benoemd en in 1719 tot "Senior Stadtmusicus".

Reiche was bevriend met Johann Sebastian Bach, die sinds 1723 in Leipzig woonde. Uit dagbladberichten, beschrijvingen van tijdgenoten en ook uit de te Leipzig geschreven werken van Bach kan duidelijk afgeleid worden, dat Reiche een begaafd trompettist moet zijn geweest. Bachs trompetpartijen stellen meestal (voor die tijd) zeer hoge eisen aan de uitvoerenden en de mogelijkheden van het instrument. Aangenomen wordt dat Bach de tussen 1723 en 1734 ontstane werken slechts kon laten uitvoeren, omdat hij met Reiche een superieure musicus voor de trompetpartijen had.

Op 5 oktober 1734, een dag voor zijn overlijden, werkte Reiche in Leipzig mee aan een feestelijke serenade. Daarbij werd in aanwezigheid van de keurvorst de Bachcantate Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215) uitgevoerd.

Als componist schreef Reich talrijke Turmmusiken, 24 Quatricinia (1696) en 122 verloren gegane Abblasen-Stücke, koralen die op gezette tijden op de stadstorens werden geblazen. Zijn werken worden als het hoogtepunt van de "Stadtpfeiferkunst" beschouwd.

Schilderij[bewerken]

Johann Gottfried Reiche geportretteerd door Elias Gottlieb Haussmann (1695-1774).

Er is discussie over het instrument dat Reiche op het schilderij van Elias Gottlieb Haussmann in zijn handen draagt. Dit rondgebogen instrument lijkt op een hoorn, maar is een "gewonden" tromba da caccia (jachttrompet). Het muziekstuk dat Reiche in zijn hand houdt, zou een van zijn eigen composities kunnen zijn. Het zou ook een fanfare van Johann Sebastian Bach kunnen zijn, die hij voor Reiches 60e verjaardag gecomponeerd had. Voor geen van beide veronderstellingen bestaan bronnen.

Bibliografie[bewerken]

  • Wolfgang Suppan, Armin Suppan: Das Neue Lexikon des Blasmusikwesens, 4. Auflage, Freiburg-Tiengen, Blasmusikverlag Schulz GmbH, 1994, ISBN 3-923058-07-1
  • Albert Hiller, Edward H. Tarr: Trompetenmusiken aus drei Jahrhunderten (ca. 1600-nach 1900). Komponistionen für 1 bis 24 (Natur-)Trompenten mit und ohne Pauken, Band 2 : 18. Jahrhundert, die Blütezeit, Köln: Wolfgang G. Haas, 1991, 84 p.
  • Don Smithers: Bach, Reiche and the Leipzig Collegia Musica, in: Historic Brass Society Journal 2, 1990, S. 1-51
  • Don Smithers: Gottfried Reiches Ansehen und sein Einfluß auf die Musik Johann Sebastian Bachs, in: Bach-Jahrbuch 73, 1987, S.113-150
  • Herbert Heyde: Das Instrument Gottfried Reiches, in: Das Musikinstrument, 36. Jg., Heft 11/ November 1987, S. 32-34
  • Friend Robert Overton: Der Zink : Geschichte, Bauweise und Spieltechnik eines historischen Musikinstruments, Mainz: Schott, 1981, 260 p.
  • Wilhelm Ehmann: Der Bach-Trompeter Gottfried Reiche, Ehmann: Voce et tuba. Kassel 1976. S. 48~489.
  • Wilhelm Ehmann: Der Bach-Trompeter Gottfried Reiche, seine Quatricinien und seine Trompete, in: Der Kirchenmusiker 12 (1961), s. 49-55.
  • D.F. Urban: Gottfried Reiche : notes on his art, life, instruments, and music, in: Monthly Journal of Research in Music Education 1, no. 5 (1966): 14-55.
  • Bernhard Knick: St. Thomas zu Leipzig; Schule und Chor; Stätte des Wirkens von Johann Sebastian Bach, Wiesbaden: Breitkopf & Härtel, 1963.
  • Mary Rasmussen: Gottfried Reiche and his Vier und zwantzig Quadricinia (Leipzig 1696), in: Brass Quarterly. 4 (1960), S. 3-17.
  • Sigrid Struth: Alte Meister : Bachs Trompeter Gottfried Reiche, Das Musikleben. 6 (1953), S. 171-172.
  • Ludwig Plass: Johann Sebastian Bach's Clarintrompeter (Gottfried Reiche) und seine Kunst, in: Allgemeine Musikalische Zeitung 54 (1927): 1121-1123.
  • Arnold Schering: Zu Gottfried Reiches Leben und Kunst, in: Bach Jahrbuch 15 (1918): 133-140.
  • Arno Werner: Städtische und fürstliche Musikpflege in Weißenfels bis zum Ende des 18. Jahrhunderts, Leipzig: Breitkopf & Härtel, 1911, 160 p.
  • Max Schneider, Johann Mattheson: Grundlage einer Ehren-Pforte, woran der tüchtigsten Capellmeister, Componisten, Musikgelehreten, Tonkünstler & c. Leben, Wercke, Verdienste &c. erscheinen sollen, Berlin: 1910
  • Ernst Ludwig Gerber: Historisch-biographisches Lexicon der Tonkünstler, welches Nachrichten von dem Leben und den Werken musikalischer Schriftsteller enthält., Leipzig: 1790-91, 2 Teile.