Johannes van den Bosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johannes graaf van den Bosch
Gouverneur-generaal en commandant van het KNIL Johannes van den Bosch
Gouverneur-generaal en commandant van het KNIL Johannes van den Bosch
Geboren 2 februari 1780
Herwijnen
Overleden 28 januari 1844
Den Haag
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Koninkrijk der Nederlanden
Dienstjaren 1830-1833
Rang Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië
Onderscheidingen officier in de Militaire Willems-Orde
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Johannes graaf van den Bosch (Herwijnen, 2 februari 1780 - Den Haag, 28 januari 1844) was een Nederlands generaal, onder meer gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, commandant van het Nederlands-Indische leger, Minister van Koloniën en Minister van Staat; hij was officier in de Militaire Willems-Orde.

Familie[bewerken]

Van den Bosch was een lid van het adellijke en patricische geslacht Van den Bosch en zoon van de chirurgijn Johannes van den Bosch (1726-1809) en diens tweede vrouw Adriana Poningh (1749-1804).

Van den Bosch is tweemaal gehuwd geweest. Op 2 september 1804 trad hij in het huwelijk met Catharina Lucretia de Sandol Roy (1786-1814), met wie hij vier dochters en drie zonen kreeg. Na haar overlijden op 10 februari 1814 hertrouwde hij op 28 oktober 1823 met Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturler (1799-1873), met wie hij twee zonen kreeg.[1]

Behalve drie voor 1835 (verheffing in de adelstand) overleden kinderen had hij nog:

  • jkvr. G.C.A. van den Bosch (1805-1890); trouwt 1832 H.G. de Sandol Roy (1797-1865), kapitein in Pruisische dienst
  • mr. J.H. graaf van den Bosch (1807-1854), lid Hoog Gerechtshof te Batavia 1829-, resident titulair van Buitenzorg
  • jhr. H. van den Bosch (1812-1882), burgemeester van De Bilt 1865-1871
  • jhr. F. van den Bosch (1813-1882), 1e luitenant artillerie titulair (1845)

Nederlands Indië (1798-1808)[bewerken]

Van den Bosch werd in 1797 benoemd tot luitenant der genie en op zijn verzoek om op eigen kosten bij de genie in Indië te worden geplaatst, in 1798 aangesteld als eerste luitenant bij het garnizoen te Batavia. Op 6 februari 1801 werd hij bevorderd tot kapitein en benoemd tot adjudant bij gouverneur-generaal van Overstraten; in 1802 werd hij belast met de directie van het topografisch bureau te Batavia. Op 15 mei 1804 werd Van den Bosch benoemd tot majoor-adjudant bij gouverneur-generaal Siberg en op 25 februari 1807 bevorderd tot luitenant-kolonel en adjunct-generaal bij gouverneur-generaal Wiese. Nadat in januari 1808 maarschalk Daendels als gouverneur-generaal te Batavia was aangekomen werd Van den Bosch, wiens schoonvader, brigadier-generaal de Sandol Roy, door Daendels van het commando over de troepen was ontheven wegens een ernstig meningsverschil, op 18 mei 1808, op eigen verzoek, eervol uit de militaire dienst ontslagen met de rang van kolonel. grapje natuurlijk

Nederland[bewerken]

Van den Bosch vertrok in november 1810 naar Nederland; op zijn reis daarheen werd hij door een Brits oorlogsschip krijgsgevangen gemaakt en naar Engeland gevoerd, waar hij ongeveer twee jaar in krijgsgevangenschap bleef; in november 1813 behoorde hij tot de eerste militairen, die zich bij het voorlopige bewind aansloten; op 23 november nam hij, op aandrang van de commissarissen-generaal te Amsterdam, in naam van de Prins van Oranje, Utrecht in bezit, waar hij een provisioneel bestuur instelde. Op 25 november 1813 trad hij op als kolonel-adjudant van generaal-majoor gouverneur van de stad Amsterdam, Kraijenhoff. Als zodanig was hij gedurende de wintermaanden van 1813 en 1814 belast met met de insluiting van de vesting Naarden, een van de plaatsen, die nog door de Fransen bezet werden gehouden. Op 28 februari 1815 werd Van den Bosch benoemd tot kolonel bij de Generale Staf en belast met de directie van alle zaken betreffende de troepen, die voor de koloniën bestemd waren. Op 1 april daarop volgend werd hij benoemd tot chef van de staf bij luitenant-generaal baron Constant Villars te Maastricht, waar hij zich gedurende de Slag bij Waterloo bevond. Van den Bosch werd op 24 november 1816 benoemd tot generaal-majoor titulair en op 1 januari 1819, op eigen verzoek, op nonactiviteit gesteld.

Gouverneur-generaal Johannes van den Bosch

Hij begon in 1818 met zijn pogingen om behoeftige stedelingen over te brengen naar de nog onbebouwde streken van Overijssel en Drenthe, waarvan de oprichting der vrije koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid het gevolg was. Na veel tegenwerking liet hij zich overhalen daaraan ook bedelaarsgestichten Veenhuizen (gevangenis) te verbinden, hetgeen nadelig werkte op het oorspronkelijke plan. Lange tijd voerde Van den Bosch zelf het beheer over de door hem gestichte koloniën en woonde hij in de nabijheid daarvan. Hij werd op 23 september 1823 aangesteld als administrateur voor de nationale militie en schutterijen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Waterstaat. Op 12 oktober 1827 werd Van den Bosch naar West-Indië gezonden als commissaris-generaal, vertegenwoordiger van de Koning, om de stand van zaken in het algemeen te onderzoeken en alles te doen wat voor een grotere welvaart van de volkplantingen en tot verbetering van het koloniale stelsel leiden kon. Hij kwam op 28 april 1828 in Suriname aan en arresteerde reeds op 21 juli, onder nadere goedkeuring van de Koning, een nieuw reglement op het beleid van de regering; hoewel hij ook andere hervormingen tot stand bracht en zijn handelingen de goedkeuring van de Koning wegdroegen, werd het hoofddoel van zijn zending niet bereikt, daar de inkomsten van die koloniën ontoereikend bleven om de uitgaven te dekken; Van den Bosch keerde op 1 augustus 1828 terug naar Nederland.

Nederlands Indië[bewerken]

Toen commissaris-generaal in Oost-Indië, Bus de Gisignies, naar Nederland zou terugkeren, werd tegen de algemene verwachting dat luitenant-generaal de Kock zijn opvolger zou zijn, op 16 oktober 1828 Van den Bosch tot luitenant-generaal, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië benoemd. Evenals in 1827 vóór zijn zending naar West-Indië had Van den Bosch ook nu verzocht niet in aanmerking te komen vooral wegens de belangen der Maatschappij voor Weldadigheid, voor welke hij, ook na zijn terugkomst uit Indië, bleef ijveren. Zijn vertrek werd vertraagd door herhaalde beraadslagingen met de Koning en de ministers omtrent de beginselen van bestuur die door hem gevolgd zouden worden, in het bijzonder met betrekking tot het stelsel, neergelegd in het rapport van commissaris-generaal du Bus de Gisignies, steunend op vrije arbeid en uitgifte van woeste gronden, waarvan minister van Koloniën Elout een voorstander was, beraadslagingen, die tot gevolg hadden, dat Elout zijn ontslag nam, ondanks pogingen van Van den Bosch om hem daarvan terug te houden. Van den Bosch vertrok op 24 juli 1829 uit Nederland met een persoonlijke instructie, waarin de financiële aangelegenheden op de voorgrond waren gesteld, en kwam op 2 januari 1830 te Batavia aan, waar hij op 16 januari als gouverneur-generaal optrad. Drie dagen later werd een door de Koning gearresteerd regeringsreglement, waarbij de macht en de verantwoordelijkheid van de gouverneur-generaal werden uitgebreid, in werking gesteld.

Politieke en economische situatie[bewerken]

De troepen van de sultan van Djokjakarta

Het hoofddoel van de zending van Van den Bosch was het stelsel van bestuur in Indië zodanig in te richten, dat de Oost-Indische bezittingen in de kosten van het eigen onderhoud zouden kunnen voorzien; dat haar productief vermogen werd vermeerderd en dat zij meer aan de belangen van de Nederlandse handel (waaronder die van de Nederlandsche Handel-Maatschappij wel in de eerste plaats genoemd zou mogen worden) en van de Nederlandse industrie dienstbaar zou worden gemaakt. Omdat bij de komst van Van den Bosch in Indië de opstand in Midden-Java reeds was gedempt en ten gevolge van de gevangenneming van Diepo Negoro, een paar maanden nadat Van den Bosch het bestuur had aanvaard, de rust op Java was weergekeerd, waren de omstandigheden niet ongunstig voor de verwezenlijking van hetgeen Van den Bosch beoogde. In de eerste plaats moesten echter schikkingen worden gemaakt met de vorsten van Soerakarta en Djokjakarta, die aanzienlijke landstreken, tot hun gebied behorend, moesten afstaan en daarbij de apanages der prinsen, zowel van hen, die getrouw gebleven waren, als van hen, die zich gedurende de opstand hadden afgescheiden, geregeld worden. Verder moest de organisatie van de vier nieuwe residenties Bandjoemas, Bagelen, Madioen en Kediri plaats hebben. Daarna kon Van den Bosch zich aan zijn hoofddoel wijden.

Het cultuurstelsel[bewerken]

Hoewel Van den Bosch zich in zijn eerdere geschriften een, zij het dan ook niet onbepaald, voorstander getoond had van vrije handel en vrije arbeid en hij zich er tegen verklaard had de inlander meer te belasten dan al gebeurde, gaf hij al voor zijn vertrek in zijn Nota van 6 maart 1829 over de kolonisatie op Java te kennen, dat zijns inziens de duurdere en zwakkere werkkrachten aldaar en de hogere vracht ten gevolge van de langere afstand, bij de concurrentie met West-Indië en Amerika, Europese ondernemers zou afschrikken om ondernemingen met vrije arbeid te vestigen. Toch achtte hij de teelt van producten voor de algemene markt beslist noodzakelijk ten einde gouden en zilveren species machtig te worden zonder welke geen lasten geregeld kunnen worden voldaan en zonder welke het gouvernement de krachtigste hefboom mist, om de slapende krachten der bevolking in beweging te brengen en in het algemeen belang aan te wenden. Op een andere plaats stelde Van den Bosch in het licht, dat zonder voorbrenging van producten voor de algemene markt en aldus zonder natuurlijke toevloeiing van specie, ieder land, en dus ook Java, meer en meer verarmen moet. Daarom moest hierin worden voorzien; daarom moest de Javaan werken, evenals de inwoners van andere landen, die veelal daartoe werden gedwongen door de noodzakelijkheid om in hun levensonderhoud te voorzien.

Suikerriet-plantage

Al zes maanden na de aankomst van Van den Bosch op Java deed hij schriftelijke voorstellen aan de Raad van Indië tot uitbreiding van de teelt van producten voor de Europese markt. Volgens die voorstellen wilde hij gebruik blijven maken van de door zijn voorganger ingestelde commissies van landbouw en aanvankelijk wilde hij nog alles tot stand brengen door vrije industrie van Europeanen, Chinezen en vrijwillige arbeid van Javanen, zodat ook in de jaren 1830 en 1831 enige suiker- en indigocontracten op die voet tot stand kwamen. Maar door de overgrote behoefte aan geld van het moederland na het begin van de Belgische omwenteling in 1830, was een grotere uitbreiding der cultures, dan op die wijze verkregen werd, nodig. Het beheer en de leiding van de cultures werd nu uit handen van de commissies van landbouw en in de hand van de regering genomen. Wel liet Van den Bosch de particuliere industrie naast de gedwongen cultures bestaan en werd zij zelfs door het gouvernement gesteund, maar meer en meer geraakten de gouvernementscultures op de vóór- en de particuliere industrie op de achtergrond. Het planten, bereiden en leveren van koffie en indigo op grote schaal werd, in beginsel - maar, zoals later bleek, niet in de praktijk - tegen betaling van landrente voor de Javaan verplicht; evenals het planten van suikerriet en het leveren daarvan aan de fabrieken, waarvoor de levering van gefabriceerde suiker eveneens verplicht werd gesteld. Aan hen, die fabrieken oprichtten, werden voorschotten verstrekt. Ook richtte het gouvernement zelf fabrieken op. Een van de hoofdbeginselen van Van den Bosch was, dat het Nederlandse bestuur zich zo min mogelijk met de inwendige aangelegenheden der Javanen moest bemoeien en deze, zowel als de regelingen betreffende de cultures, moest overlaten aan de hoofden. Om hen en ook de Europese ambtenaren aan te moedigen, werden hun voordelen uit de cultures toegekend. Doordat het gouvernement de producten door Nederlandse schepen deed overbrengen, ging dat vervoer, dat eerder meestal door de Engelse handel geschiedde, in Nederlandse handen over. In de Raad van Nederlands Indië vonden de plannen van Van den Bosch tegenwerking van de kant van het lid Merkus, die zelfs ontslag uit zijn functie had verzocht, omdat hij zich met de voornemens van de nieuwe gouverneur-generaal niet kon verenigen; aan zijn verzoek werd echter op aandrang van Van den Bosch niet voldaan.

Kanttekeningen bij het cultuurstelsel[bewerken]

Rivier te Tji Mandiri, Java

Ten gevolge van het door Van den Bosch ingevoerde stelsel, dat in de volgende jaren werd verbeterd en aanzienlijk uitgebreid, vloeiden in de loop der tijd grote sommen in de Nederlandse schatkist en werd Nederlands Indië financieel onafhankelijk van het moederland, terwijl ook handel en industrie, die in verval waren geraakt, gingen bloeien, maar zeker was het dat daardoor aan de Javaan grote belemmeringen en zware verplichtingen werden opgelegd, omdat het werk tegen te lage beloning en feitelijk gedwongen plaats had, terwijl door het streven om de "batige sloten" zo hoog mogelijk op te voeren, onvoldoende voorzien werd in de behoeften van het land en de ontwikkeling daarvan werd belemmerd. Opmerking verdient echter, dat baron van Hoëvell, een van de krachtigste bestrijders der koloniale exploitatie-politiek, in de Tweede Kamer (8 mei 1851) erkende, dat, naar zijn mening, vóór 1830 het cultuurstelsel, zoals het voortsproot uit het brein van Van den Bosch, niet zoals het uitgevoerd werd, misschien het enige mogelijke en uitvoerbare was, om Java productief te maken voor de Europese markt; hij voegde daarbij, dat al die schilderingen, die destijds in de Kamer werden opgehangen omtrent de ongelukkige toestand van de Javaanse bevolking, waarheid bevatten. Dit zou echter, volgens hem, geen noodzakelijk gevolg van het stelsel zijn geweest, maar het was te wijten aan de wijze, waarop het ten uitvoer was gebracht. Door de zending van te veel producten naar Nederland, buiten de handel om, werd een nadelige invloed uitgeoefend op het munt- en bankwezen; de kopercirculatie werd op onrustbarende manier uitgebreid. Door de tegenwerking, die Van den Bosch bij de invoering der door hem gewenste maatregelen ondervond en die invloed had op zijn gestel, gaf hij reeds in oktober 1830 en andermaal in maart 1831 de wens te kennen, naar het vaderland terug te keren. Maar op een besliste wens van de Koning bleef hij in functie, maar werd Baud, die zich met zijn inzichten kon verenigen, in september 1832 naar Indië gezonden, om als eerste ambtenaar, op de gouverneur-generaal volgend, werkzaam te zijn en het bestuur over te nemen, als Van den Bosch Nederlands Indië zou verlaten. Van den Bosch hield zich nu op met de inrichting van bestuur en administratie op Sumatra's Westkust en vertrok op 15 oktober naar Batavia, waar hij op 13 november aankwam. Omdat hij grote plannen voor Sumatra koesterde en dit gehele eiland, voor zover dit mogelijk was, in verband met het in 1824 met Engeland gesloten tractaat, wilde onderwerpen, had hij nog bevel gegeven Bondjol in te nemen en het Nederlandse gebied naar het binnenland zover mogelijk en aan de westkust tot Singkel uit te breiden, terwijl hij van de omstandigheid dat de sultan van Djambi enige vijandelijkheden in het gebied rond Palembang had gepleegd, gebruik maakte om hem te noodzaken tot het sluiten van een verdrag, waarbij onder meer het recht verkregen werd tot het bezetten van Moeara-Kompeh aan de rivier van Djambi, waardoor, naar de mening van Van den Bosch, de Nederlanders in de gelegenheid zouden zijn de handel van Djambi en daardoor het landschap zelf te beheersen. Zijn adjudant indertijd was de in de Paderi-oorlogen door de wol geverfde luitenant-kolonel Bauer.

Na terugkeer in Nederland[bewerken]

Protestantse kerk van Veenhuizen gebouwd in 1825/1826 en waarvan de eerste steen werd gelegd door Rudolphina van den Bosch-Sturler, de tweede echtgenote van Johannes van den Bosch

Op 31 januari 1834 legde Van den Bosch zijn waardigheid als gouverneur-generaal neer. Bij zijn aftreden gaf hij aan zijn opvolger een uitvoerig verslag van zijn verrichtingen in Indië gedurende zijn bestuur en vertrok op 2 februari 1834 naar Nederland, waar hij op 18 mei aankwam. Daar was de politieke toestand nog steeds zeer ongunstig, doordat de verhouding tot België nog steeds niet geregeld was en de oorlogstoestand voortduurde. De financiën verkeerden in bedroevende staat, terwijl de bevolking onder zware lasten gedrukt ging. Onder die omstandigheden werd Van den Bosch reeds op 30 mei 1834 benoemd tot Minister van Koloniën en hem ruime macht gegeven om het doel: het verkrijgen van een grote hoeveelheid producten en daardoor van remises tot ondersteuning van de schatkist, te bereiken. Bestendiging en uitbreiding van het cultuurstelsel waren daartoe volstrekt nodig. Ongetwijfeld ondervond dit stelsel, alhans de werking daarvan, ook ernstige bestrijding; dit belette echter niet dat het krachtig werd vastgehouden. Geld moest er zijn, ook tot handhaving van de "status quo" na 1834. Intussen maakten de eisen, aan de Indische geldmiddelen gesteld, het nodig herhaaldelijk leningen bij de Nederlandse Handelmaatschappij aan te gaan. Toen de regering in de zitting 1839-1840 een ontwerp van wet indiende tot het aangaan van een lening van 56 miljoen, uit welke opbrengst ook de circa 39 miljoen grote schuld aan de Handelmaatschappij zou worden afgelost, werd dit voorstel, omdat de financiële politiek der regering werd afgekeurd, door de Tweede Kamer verworpen. Op 20 december 1839 trad Van den Bosch als minister af nadat de Tweede Kamer genoemd wetsvoorstel inzake de aflossing van een voorschot bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij op de verkoop van Indische producten had verworpen. Overigens verzochten de leden van de Staten-Generaal, zowel oppositie als regeringsaanhang, hem op zijn ontslagaanvraag terug te komen. Ondanks dit dringende verzoek weigerde hij.[2]

Op 7 juli 1842 werd Van den Bosch door de Staten van Zuid-Holland gekozen tot lid der Tweede Kamer; ook in die functie trachtte hij, door adviezen en geschriften, het zijne bij te dragen tot herstel van de geldmiddelen van het land. Slechts korte tijd mocht hij als zodanig werkzaam zijn, omdat hij in januari 1844, na een zeer korte ziekte, overleed. Kort na zijn dood werd een gedenkpenning te zijner ere geslagen. Hij was officier in de Militaire Willems-Orde en op 17 januari 1835 verheven in de adelstand met de titel van baron, bij recht van eerstgeboorte en bij zijn aftreden op 25 december 1839 werd hij benoemd tot Minister van Staat, terwijl hem de titel werd verleend van graaf, met de bepaling dat deze titel zou overgaan op zijn wettige afstammelingen bij recht van eerstgeboorte. Van den Bosch schreef in 1818 Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering en de belangrijke voordelen van een algemene armeninrichting in het Rijk der Nederlanden, door het vestigen van een landbouwende kolonie in het noordelijke gedeelte (Amsterdam). Anoniem schreef hij Brief inhoudende enige onpartijdige aanmerkingen op een memorie, onlangs in het licht verschenen, onder de titel "Staat der Nederlands Oost Indische bezittingen onder het bestuur van gouverneur-generaal Daendels" (1815, Den Haag).

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland en: Nederland's Adelsboek 80 (1989), pp. 319-320.
  2. Jacobus Johannes Westendorp Boerma, Johannes van den Bosch als sociaal hervormer, de maatschappij van weldadigheid, Groningen 1927
Voorganger:
Arnoldus Brocx
Minister van Koloniën
1834-1840
Opvolger:
Jean Chrétien Baud
Voorganger:
Hendrik Merkus de Kock
Commandant van het KNIL
1830 - 1831
Opvolger:
Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers