Jojakim

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jojakim, volgens het Promptuarii Iconum Insigniorum

Jojakim (Hebreeuws: יהוֹיָקִים) was koning van Juda. Hij was de opvolger van zijn jongere halfbroer Joachaz. Zijn regeerperiode wordt tegenwoordig gedateerd op 609 v.Chr. tot 598 v.Chr.. Over zijn leven valt in de Bijbel te lezen in 2 Koningen 23 en in 2 Kronieken 36.

Jojakim werd geboren als Eljakim. Hij was de oudste zoon van koning Josia, die in 609 v.Chr. sneuvelde in een oorlog van Juda tegen Egypte. Zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. Na de dood van Josia werd niet Eljakim, maar diens jongere broer Shallum, door het volk tot nieuwe koning gekozen. Shallum nam de naam Joachaz aan bij zijn troonsbestijging.

Kort na het aantreden van Joachaz viel de Egyptische farao Necho II opnieuw Juda binnen en zette Joachaz af. Eljakim werd door de Egyptenaren tot nieuwe koning benoemd en hij kreeg van de Egyptenaren de naam Jojakim.

Na deze interventie, bemoeiden de Egyptenaren zich niet meer met de interne politiek in Juda. Egypte had inmiddels de oorlog tegen de Babyloniërs verloren (Slag bij Karkemisch). Niet veel later vielen de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnezar Juda binnen en veroverden het. Jojakim werd gevangengenomen en als gevangene afgevoerd naar de hoofdstad Babylon, samen met veel volksgenoten (waaronder Daniël).

Jojakim werd later door Nebukadnezar weer vrijgelaten en tot koning van Juda benoemd, maar Juda werd daardoor een vazalstaat van Babylon. In deze periode profeteerde de profeet Jeremia. Zijn profetieën werden door Baruch in de tempel van Jeruzalem voorgelezen. Toen Jojakim hiervan hoorde, liet hij Baruch naar hem toekomen om hem de profetieën voor te lezen. De woorden bevielen hem niet en hij liet de boekrol in stukken scheuren en verbranden. Tijdens het bewind van Jojakim viel Juda terug in afgoderij en corruptie.

Na drie jaar een vazalstaat van Babylon geweest te zijn, kwam Juda in opstand. Nebukadnezar sloot echter een verbond met de oude vijanden van Juda, de Chaldeeën, Arameeërs, Moabieten en de Ammonieten. Deze volken veroverden en plunderden Juda.

Jojakim kwam hierbij om het leven. Zijn lichaam werd over de stadsmuur van Jeruzalem gegooid, om de vijanden van Juda ervan te overtuigen dat hij echt dood was. Zijn lichaam werd weggevoerd en ergens buiten Jeruzalem begraven. Nebukadnezar stelde Jojakims zoon Jojachin aan als opvolger van Jojakim.