Jona (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jona
Jonas in de Hvidbjerg Kirke (Denemarken)
Jonas in de Hvidbjerg Kirke (Denemarken)
Tijd 5e-3e eeuw v.Chr.
Taal Hebreeuws
Categorie Geschiedenis
Hoofdstukken 4
Vorige boek Obadja
Volgende boek Micha
Jona en de walvis door Dirk Crabeth
(detail glas 30 in de St. Janskerk te Gouda)

Het boek Jona (naar het Grieks ook Jonas, Hebreeuws: יוֹנָה, Yônā: "duif") is het 32e boek uit de Hebreeuwse Bijbel en het vierde in de serie Kleine profeten. Het boek is genoemd naar de hoofdpersoon Jona. Het verhaal komt ook in de Koran voor (Arabisch: يونس, Yūnus of يونان, Yūnān). Omdat ook een profeet Jona wordt genoemd in 2 Koningen 14:25 wordt het verhaal traditioneel geplaatst in de periode waarover dat bijbelboek handelt, namelijk de achtste eeuw v.Chr. Het boek zelf wordt over het algemeen later gedateerd: ergens tussen de 5e en 3e eeuw v.Chr.

Inhoud[bewerken]

Het boek Jona bestaat uit een aantal verhalen en een psalm. De psalm (Jona 2:3-10) past wat de inhoud betreft niet bij het verhaal. Ze is mogelijk ouder dan het boek en door een latere redacteur toegevoegd.

Jona en de vis (hoofdstuk 1 en 2)[bewerken]

God geeft Jona de opdracht om naar Ninive, de residentie van het Assyrische Rijk, te gaan en tegen deze stad te profeteren vanwege al het onrecht wat daar plaatsvindt. Echter, in plaats van naar Ninive te reizen vlucht Jona en hij gaat aan boord van een schip dat van Jafo naar Tarsis[1] of Tarsus vaart.[2][3][4]

Tijdens de tocht komt het schip in een hevige storm terecht. De zeelieden gooien lading overboord om het gevaar af te wenden en ze bidden tot hun goden. Jona is ondertussen in het ruim van het schip in slaap gevallen. Op een gegeven moment maakt de schipper hem wakker, en hij vraagt of Jona tot zijn eigen god wil bidden.

Intussen werpen de zeelieden het lot. Dat wil zeggen dat ze gebruikmaakten van orakelstenen of een ander hulpmiddel om aan de goden te vragen wiens schuld het is dat ze in zo'n hevige storm terecht zijn gekomen. Hierbij wordt Jona aangewezen als de schuldige. De zeelieden vragen hem om uitleg waarop Jona hen vertelt dat hij een Hebreeër, dat wil zeggen een Israëliet, is en dat hij de god dient die de zee en het land gemaakt heeft. Ook vertelt hij hen dat hij weggevlucht is voor God. Om de storm tot bedaren te brengen, vertelt Jona hen, moeten ze hem in zee gooien. De zeelieden doen dat niet en ze proberen naar land te roeien. Wanneer dit niet lukt, bidden ze tot God om vergeving en gooien ze Jona overboord. Hierop komt de storm tot bedaren.

Jona wordt in het water opgeslokt door een grote vis. Hij zit drie dagen in de buik van de vis voordat deze hem weer uitspuugt. In de buik van de vis bidt Jona tot God. Hoofdstuk 2 van het boek bevat de psalm die Jona in de buik van de vis gebeden zou hebben.

Nineve (hoofdstuk 3)[bewerken]

Hoeveel tijd er inmiddels verstreken is, wordt niet verteld, maar God geeft Jona opnieuw de opdracht om naar Nineve te reizen en tegen de stad te profeteren. Dit keer doet Jona wat hem gezegd is: hij reist naar Nineve. Als hij de stad een eind ingetrokken is, begint hij met profeteren en hij kondigt aan dat God de stad over 40 dagen zal vernietigen. De bewoners geloven wat hij zegt en beginnen te vasten. Als de koning van Jona's profetie hoort, staat hij op van zijn troon, trekt zijn koninklijke kleding uit en gaat hij in een boetekleed op de grond zitten. Hij beveelt alle inwoners van Nineve om te vasten, een boetekleed aan te trekken en God om genade te vragen. Ook moeten de inwoners van Nineve hun leven beteren en zich niet langer onrechtvaardig gedragen. Als God ziet dat de inwoners van Nineve hun leven beginnen te beteren, bedenkt hij zich en spaart de stad.

De wonderboom (hoofdstuk 4)[bewerken]

Jona had liever gezien dat Ninive vernietigd werd en hij is kwaad omdat God de stad gespaard heeft. Daar was hij al bang voor geweest en daarom was hij de eerste keer ook naar Tarsis gevlucht. "Laat mij maar sterven", klaagt hij, "ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven".

Hij heeft ondertussen de stad verlaten en hij is aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij wil vanaf die plek kijken wat er met de stad gaat gebeuren en hij heeft er een hut gebouwd. God laat nu een wonderboom groeien om Jona van schaduw te voorzien. Jona is erg blij met de boom, maar dat is van korte duur want de volgende ochtend laat God de boom door een worm aanvreten en verdorren. Ook laat God een hete wind waaien. Jona heeft zwaar onder de hitte te lijden en hij klaagt opnieuw dat hij liever dood zou zijn. Maar, vraagt God hem, als Jona al zoveel verdriet heeft om die boom waarvoor hij geen enkele moeite heeft gedaan, zou God dan geen verdriet hebben om Ninive, een grote stad waar zo veel mensen en dieren wonen?

Jona in het Nieuwe Testament[bewerken]

Jona en zijn geschiedenis worden aangehaald door Jezus in het Nieuwe Testament, in Matteüs 12:39,40 en in Lucas 11:29.

Trivia[bewerken]

  • De Latijnse vertaling voor grote vis is Cetus. Hiermee wordt tegenwoordig de walvis aangeduid. Of er in het verhaal ook sprake is van een walvis is onbekend. Een andere vertaling van Cetus is zeemonster.
  • De uitdrukking Jonassen slaat op het aan de armen en benen opgooien en weer opvangen, en is afgeleid van het bijbelverhaal waarin Jona door de opvarenden uit hun schip werd geslingerd.
  • De snelgroeiende boom die in het Nederlands wonderboom heet (Ricinus communis) is onder andere bekend als leverancier van de wonderolie. De boom heet niet zo omdat hij in het verhaal door een wonder groeide.
  • De Estische componist Rudolf Tobias schreef een oratorium Des Jona Sendung (‘De roeping van Jonas’), overigens op een Duitse tekst.

Zie ook[bewerken]

Bronnen

Noot