Jonge Turken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Jonge Turken of Jong-Turken (Turks: jön Türkler) is een bijnaam voor een groep Turkse officieren die in 1908 een staatsgreep pleegden. Zij hadden zich uit ergernis over het afkalven van het Ottomaanse rijk en de decadentie aan het hof verenigd in deze geheime vereniging, het seculiere en nationalistische "Comité voor Eenheid en Vooruitgang", bijgenaamd de Jonge Turken. De lokale afdelingen organiseerden zich zoals de Italiaanse Carbonari naar de wijze van vrijmetselaarsloges.

Aanleiding[bewerken]

Sultan Abdulhamid II stelde de grondwet van 1876 binnen enkele jaren buiten werking. Hij benadrukte het islamitische karakter van de staat, en riep zich uit tot kalief en verdediger van moslims over de gehele wereld. Door met een heilige oorlog te dreigen, dacht hij het "westers imperialisme" in Azië te kunnen ondermijnen.

Tegelijkertijd groeide er ook een Turks nationalisme dat zich concentreerde op de Turkssprekende bevolking op het schiereiland Anatolië. Het wilde antwoord vinden op de identiteitscrisis van de moslims als gevolg van de verpletterende overmacht van het Westen.

Een van de belangrijkste Turkse theoretici was Ziya Gökalp (1876-1924). Hij wilde weliswaar hervormingen naar het westers voorbeeld invoeren, maar dan wel met een nationalistische kleur. Hij vond dat Turken "zichzelf niet kenden"; zij waren zich "niet bewust van hun nationale verantwoordelijkheden". Gökalp keerde zich af van het multi-etnische en multi-religieuze karakter van de Ottomaanse staat. Hij riep de Turkssprekende intellectuelen op het voortouw te nemen in de ontdekking van het eigen volk, en een nieuwe Turkse natie. Hij pleitte met andere woorden voor een proces van turkificatie.

Staatsgreep[bewerken]

In 1908 pleegde een groep Turkse officieren een staatsgreep. Zij stelden zich ten doel: modernisering van de staat; een parlementaire democratie; afschaffing van allerlei voorrechten voor groepen buitenlanders (zoals Engelsen, Fransen en Duitsers). Ze werden geïnspireerd door het voorbeeld Japan, dat zich eind negentiende eeuw in hoog tempo had gemoderniseerd. Het waren nationalistische officieren, die de Europese opdringerigheid en overheersing haatten en tegelijk de westerse techniek en vooruitgang bewonderden.

Sultan Abdul Hamid II beschikte niet over loyale troepen en capituleerde voor de opstandige Jong-Turken. Hij moest akkoord gaan met het kortwieken van zijn macht. Binnen een jaar werd hij vervangen door zijn kleurloze broer Mehmed V, die geen enkele invloed had. De Jong-Turken hebben Turkije omgevormd tot een seculiere en op het westen gerichte staat. De latere president Mustafa Kemal Atatürk schijnt beinvloed te zijn door de ideeen van de Jong Turken, alhoewel hij het nooit met ze kon vinden. Vrouwen kregen stemrecht na de Eerste Wereldoorlog, de macht van het parlement werd hersteld en de constitutie hervormd aangenomen. De scheiding tussen godsdienst en staat werd strikt doorgevoerd, elke uitdrukking van islamitische religie verboden. Het ideaal van de Jonge Turken was tevens een systeem van lokale islamitische geestelijken die loyaal aan de staat waren en de seculariteit accepteerden.

Aanvankelijk hoopten de Jong-Turken op een soort Ottomaans nationalisme, dat aan alle onderdanen van alle nationaliteiten of geloven appelleerde. Het zou bovendien hiermee de christelijke Europese landen een argument ontnemen om zich met Ottomaanse zaken te bemoeien. De eerste dagen na de staatsgreep vonden dan ook met name op de Balkan verbroederingstaferelen plaats tussen Turkse, Griekse, Bulgaarse, joodse en Armeense onderdanen.

Van de Turkse zwakte na de staatsgreep werd echter handig gebruikgemaakt door Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije. Oostenrijk-Hongarije annexeerde nu officieel Bosnië-Herzegovina dat het reeds dertig jaar bezet hield. Bulgarije, formeel-juridisch nog onder het rijk vallend, verklaarde zich volledig onafhankelijk. De inheemse christenen werden mede hierdoor vanaf nu gewantrouwd en als vijanden van de natie gezien.

In Duits vaarwater[bewerken]

Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja behoorden tot de Jonge Turken. [1] Afgezien van Talaat hadden zij een militaire opleiding gevolgd. Enver was voor de Eerste Wereldoorlog enige tijd militair attaché in Duitsland en als nieuwe minister van Oorlog oefende hij grote macht uit. Hans Freiherr von Wangenheim, de nieuwe Duitse ambassadeur, won zijn vertrouwen en zo verminderde de Britse invloed in Turkije. Maar de belangrijkste reden dat de kant van Duitsland werd gekozen was het feit dat de andere mogendheden (Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland) weigerden om in te gaan op het verzoek van het Ottomaanse rijk bondgenootschappen aan te gaan.[2]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Alhoewel Mustafa Kemal Pasha (later Ataturk geheten) tot deze hervormingsgezinde beweging hoorde, viel hij onder een fractie van CUP die vond dat de legerleiding zich afzijdig diende te houden van de politiek. Dit leidde ertoe dat zijn fractie vanaf de beginjaren van de revolutie van 1908 in conflict was met de CUP, zie http://www.jstor.org/pss/260131 “The Origins of the 'Nationalist' Group of Officers in Turkey 1908-18”, Gwynne Dyer (Journal of Contemporary History, Vol. 8, No. 4 (Oct., 1973), pp. 121-164). Artikel is ook te vinden in http://www.tallarmeniantale.com/Dyer_Nationalists.htm (“Gwynne Dyer on Turkish "Nationalist" Officers, 1908-18”)
  2. professor Erik-Jan Zürcher in radio-uitzending Geert Mak, “In Europa salon, afl. 6: 1917, het Oostfront”, te beluisteren in http://weblogs.vpro.nl/ineuropa/2007/12/17/in-europa-salon-1917/