Joodse diaspora

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verspreiding van synagogen in de klassieke oudheid

De Joodse diaspora (uit het Oud-Grieks: διασπορά, verstrooiing, uitzaaiing) begon met de ondergang van het koninkrijk Juda in 586 v.Chr..

Na de vernietiging van de eerste Tempel van Jeruzalem rond 587 v.Chr. door de Babyloniërs vertrok een deel van de bevolking van Juda naar Egypte; het grootste deel van de bevolking ging in ballingschap naar Babylon. In Babylon werden de Judeërs ondergebracht in afgesloten nederzettingen, waardoor zij hun tradities en religie binnen een omgeving met een ander geloof konden bewaren. Deze levenswijze, als minderheid met een eigen joods geloof en vaak ook met een andere juridische status dan andere bevolkingsgroepen, is het karakteristieke aan de Joodse diaspora.

Verdere ontwikkeling[bewerken]

Van Babylonië en van Palestina uit verspreidde de joodse diaspora zich in de daaropvolgende eeuwen via Syrië naar Klein-Azië, naar Mesopotamië, het Arabisch schiereiland en naar Centraal-Azië. In de tijd van het Hellenisme waren de meeste joodse nederzettingen te vinden in Egypte. Daarnaast waren er nederzettingen in Cyrenaica, in havensteden in het oostelijke Middellandse Zeegebied, langs de Zwarte Zee en uiteindelijk ook in Rome.

Reeds vóór de verwoesting van de tweede Tempel in het jaar 70 woonden er meer joden in de diaspora dan in Palestina. De grootste verspreiding, deze keer over bijna de gehele wereld, namelijk in Noord-Afrika, Europa, Azië en, na de middeleeuwen, ook in Amerika, begon na de mislukte joodse opstand in 135 na Chr., die door Julius Severus werd neergeslagen. Maar of daarmee een verband bestaat, kan betwijfeld worden. Het kan ook een interpretatie zijn.

Vanaf circa 1880 trokken tienduizenden Joodse migranten uit met name Oost-Europa maar ook uit Jemen naar Palestina, destijds een Ottomaanse provincie. Zij hoopten dat het herscheppen van een eigen thuisland of staat daar een einde zou maken aan het antisemitisme en aan de eeuwenlange vervolging en onderdrukking van de Joden in de diaspora. Het eerste Zionistische congres vond plaats in 1897 in Bazel onder leiding van de Oostenrijkse journalist Theodor Herzl, die in zijn boek “Der Judenstaat” een visioen had geschilderd over een eigen staat voor het Joodse volk, waarin zij een licht onder de naties zouden zijn. Het Zionisme was aanvankelijk grotendeels een seculiere beweging, maar het steunde op de religieuze en culturele band die de meeste Joden al die tijd waren blijven houden met Jeruzalem en het oude land. Veel orthodoxe Joden meenden aanvankelijk dat alleen de Messias hen terug kon leiden naar het ‘Beloofde Land’, maar de toenemende vervolging deed hen uiteindelijk van standpunt veranderen, zeker na de Holocaust.

Kritiek op de these van de 'verstrooiing' en de 'terugkeer'[bewerken]

In de 19e eeuw kwam het zionisme op, een beweging die de joodse diaspora wilde beëindigen en de joden wilde laten 'terugkeren' uit hun 'ballingschap'. Uit de hele wereld vandaan vertrokken joden naar Palestina en riepen daar in 1948 de staat Israël uit. Ook heden ten dage wonen er echter meer joden buiten Israël dan in Israël zelf: de meeste in de Verenigde Staten en daarnaast in Europa. Voor deze 'terugkeer' uit een verbanning bestaan echter geen historische aanwijzingen. De Israëlische historicus Shlomo Sand zegt dat er geen gegevens zijn over een verbanning van de joden, laat staan over deportaties uit het land Israel door de Romeinen na de verwoesting van de tempel. Ze mochten alleen niet meer in het religieuze centrum Jeruzalem komen, ze onderdrukten opstanden met harde hand, maar nergens in hun rijk hebben de Romeinen deportaties of verbanningen toegepast. De joodse 'diaspora' of verspreiding was al een gegeven in de periode ver voor het begin van de jaartelling en zij was ook toen niet steeds het gevolg van dwang. Shlomo Sand ziet de verbanningsthese, maar ook de 'verstrooiing' als een hardnekkige mythe, ontstaan onder christenen, die deze mythe voorstelden als een straf van God voor de kruisdood van Jezus. Deze 'verstrooiingsthese' is echter veel later, in de 19e-eeuwse romantische joodse 'nationale' geschiedschrijving van Heinrich Graetz e.a. overgenomen en zo tot een zionistisch motief geworden: het 'terugkeren' of 'terugbrengen' van één joods volk naar het door hen onder dwang verlaten land. Sand zou daarom willen onderzoeken in hoeverre de huidige Palestijnse bevolking afstamt van de oorspronkelijke joodse plattelandsbevolking. Hij refereert daarbij aan de eerste premier van Israël Ben-Gurion die de opvatting van het joods-Israëlische integrationisme was toegedaan, wat inhield dat de Palestijnse bevolking die hij in het Land tegenkwam van haar joodse etnische wortels bewust gemaakt moest worden. Na de verovering van de Westbank in 1967 verstomden deze integrationistische stemmen en werden de Palestijnen, ondanks de etnische smeltkroes die ze net als de Israëli feitelijk vormen, voortaan allemaal 'Arabieren' genoemd. Sand verklaart de etnische diversiteit van joden uit de succesvolle, tamelijk massale overgangen naar het jodendom onder verschillende volken rond het begin van de jaartelling en waaraan pas door Constantijn de Grote met een verbod voor joden om bekeerlingen te maken een einde is gekomen. Vandaar dat hij tot de conclusie komt dat het jodendom primair een religie was, die zich over verschillende volken heeft verspreid en er dus alleen sprake was van een diaspora van een religie en niet van een volk, al houden ook niet-gelovige joden vaak het kenmerk jood, omdat ze dat willen of omdat ze dat wordt opgedrukt. De bevolking van Israël in haar totaliteit noemt Sand bij voorkeur Israëli en geen joden.