Jorge Eliécer Gaitán

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jorge Eliécer Gaitán (Bogota, 23 januari 1898 - aldaar, 9 april 1948) was een Colombiaanse advocaat en populair politicus van links-liberale signatuur, die door zijn dood de politieke situatie in Colombia in de tweede helft van de 20e eeuw aanzienlijk heeft bepaald. Gaitán werd door zijn tegenstanders wel "El Negro" genoemd vanwege zijn donkere huidskleur en zijn eenvoudige afkomst. Over zijn geboortejaar bestaat onduidelijkheid: verschillende bronnen noemen 1898, andere 1903.

Jorge Eliécer Gaitán volgde vanaf 1920 een studie rechten en sociale wetenschappen aan de Universidad Nacional. In 1924 behaalde hij zijn advocaattitel, en ging daarna naar de Koninklijke Universiteit in Rome waar hij de doctorstitel behaalde op het onderwerp Jurisprudentie.

Zijn carrière bestond uit een veelheid van, soms kortdurende, functies van aanzien. In een tijdsbestek van 19 jaar werd hij achtereenvolgens gekozen of benoemd tot afgevaardigde in de Volksvertegenwoordiging voor de Liberale Partij, voorzitter van Volksvertegenwoordiging, rector van de Vrije Universiteit, richtte hij de Nationale Unie van Linkse Revolutionairen (UNIR) op, keerde terug in de Liberale Partij na een tegenvallend verkiezingsresultaat van de UNIR, burgemeester van Bogota, lid van Nationale Academie van Jurisprudentie, lid van de rechterlijke macht van het Hooggerechtshof, Minister van Onderwijs, senator als vertegenwoordiger van het departement Nariño, president van de Senaat, Minister van Arbeid en partijvoorzitter van de Liberale Partij. Hij bleef ook als advocaat actief.

Gaitán was een populistisch politicus die ook wel demagogie verweten werd. Hij stond bekend om zijn retoriek. Zijn bewogenheid met de arme klasse maakte hem in die kringen bijzonder populair. Op 4 september 1929 begon in de Volksvertegenwoordiging een door hem aangezwengeld debat over de verantwoordelijkheid voor het bloedbad onder de bananenarbeiders, dat in december 1928 had plaatsgevonden. Gaitán werd de belangrijkste aanklager tegen de regering, tegen de verantwoordelijke generaal Cortés Vargas en tegen de United Fruit Company. Het debat droeg bij aan de val van de conservatieve regering.

In 1945 verklaarde hij als onafhankelijk kandidaat aan de presidentsverkiezingen deel te nemen, maar door deze stap verdeelde hij de stemmen onder het liberale electoraat, waardoor de verkiezingen verloren gingen aan de conservatieve Mariano Ospina Pérez. Daardoor eindigde een periode van 16 jaar liberaal bestuur.

In februari 1948 organiseerde hij in Bogota de Mars van de Stilte om te protesteren tegen het politiek geweld in de burgeroorlog, die bekendstaat als "La Violencia". In deze Mars van de Stilte sprak Gaitán de Smeekbede voor de Vrede uit: "Wij vragen wij u, geachte president, alleen de verdediging van het leven, omdat dat het laatste is wat een volk kan verliezen."

De opstand na de moord

Op 9 april 1948 werd hij vermoord. Een woedende menigte lynchte nog diezelfde dag de vermoedelijke dader Juan Roa Sierra en de massa nam het centrum van de stad in, opende de gevangenissen en viel overheidsgebouwen aan. De opstand was echter ongeorganiseerd en politie en leger onderdrukten de gewelddadigheden met tanks en mitrailleurs. Het geweld duurde verschillende dagen. Er vielen honderden (volgens sommige verslagen duizenden) doden en in Bogota werden honderden gebouwen in brand gestoken of vernield. De ordeverstoring sloeg over naar andere steden en uiteindelijk naar het gehele land. Als gevolg van de moord op Gaitán laaide de "Violencia" weer in alle hevigheid op.

Hoewel Juan Roa Sierra waarschijnlijk de moordenaar was, waren er ook verschillende beschuldigingen van een complot. Een uitgenodigde commissie van Scotland Yard kon daar later echter geen bewijzen van vinden.

De Colombiaanse regering beschuldigde twee Cubaanse studenten, Rafael del Pino en Fidel Castro, dat zij hadden deelgenomen aan de brandstichtingen na de moord. Ten tijde van de moord werd de Pan-Amerikaanse Conferentie in Bogota gehouden waarop alle Amerikaanse landen vertegenwoordigd waren. Fidel Castro was in Bogota met het doel de conferentie te verstoren maar een bewijs voor zijn betrokkenheid bij de moord is er niet. Na de moord namen de deelnemers aan de conferentie een resolutie aan waarin men het communisme veroordeelde (dit alles vond plaats gedurende de beginjaren van de Koude Oorlog). Daarmee ondersteunde men de beschuldiging van de Colombiaanse regering dat de moord op Gaitán een communistisch complot zou zijn geweest. Bewijzen waren daar echter niet voor en de communistische partij nam zelf ook niet deel aan de volksopstand die volgde op de moord.

De CIA beweerde dat Juan Roa Sierra familiebanden had met Eudoro Galarza Ossa, een journalist die door een luitenant Cortés was vermoord. Gaitán had als advocaat de verdediging van luitenant Cortés op zich genomen en verkreeg vrijspraak voor zijn cliënt. Gaitán had hem verdedigd met de twijfelachtige stelling dat hij als militair op een legitieme manier de eer van het leger had verdedigd. Binnen een dag na de vrijspraak werd Gaitán vermoord. Wraak? Ook hiervoor is geen bewijs, en ook heeft er tussen Juan Roa Sierra en Eudoro Galarza Ossa waarschijnlijk geen familieband bestaan.

Buste van Jorge Eliécer Gaitán

Persoonlijke rancune van Juan Roa Sierra kan een motief voor moord geweest zijn. Roa had Gaitán om werk gevraagd maar deze had hem niet serieus genomen en hem aanbevolen een brief naar de president te schrijven. Juan Roa Sierra, die overigens slecht opgeleid was, had dit serieus genomen en inderdaad een brief geschreven. De dag voor de moord had Juan Roa Sierra verscheidene malen geprobeerd opnieuw met Gaitán in gesprek te komen maar deze had hem niet meer toegelaten. Wellicht voelde Juan Roa Sierra zich gekrenkt.

De complottheorie is nooit hard gemaakt. In feite was het gewelddadige klimaat van de "Violencia" een belangrijke oorzaak van de moord. In dit klimaat kon iedere labiele driftkop - Juan Roa Sierra dacht dat hij de reïncarnatie van generaal Francisco de Paula Santander was - gemakkelijk tot zo'n gewelddadige handeling worden gedreven.

Op de dag na de moord accepteerde de Liberale Partij het aanbod van president Ospina Pérez om deel te nemen in de conservatieve regering in een poging het geweld te beteugelen. Desondanks bereikte de "Violencia" na de moord zijn hoogtepunt om pas in de jaren 50 af te zwakken na de staatsgreep van generaal Gustavo Rojas Pinilla. Uit de "Violencia" zouden echter de guerrilla-groepen FARC en ELN ontstaan, die tot op heden het politieke geweld in Colombia bepalen.

Bronnen, noten en/of referenties