Junker

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel gaat over een Duits adellijk predicaat. Zie Mads Junker voor het artikel over deze voetballer

Junker (afkorting: Jkr.) is een Duits adellijk predicaat (en geen adellijke titel). Het vrouwelijk equivalent Junkfrau (Jkfr.) werd minder vaak gebruikt.

Predicaat[bewerken]

De Duitse ongetitelde adel wordt aangesproken met Herr of Frau/Fräulein en aangeschreven met hochwohlgeboren (hoogwelgeboren). Voor de ongetitelde adel uit Oost-Duitsland wordt het predicaat Junker/Junkfrau gebruikt. Het gebruik hiervan is na de beide wereldoorlogen echter in populariteit afgenomen. Het predicaat Junker is geen officieel predicaat (net zoals veel andere Duitse titels en predicaten), maar wordt gebruikt om een sociale klasse van de adel te benoemen op basis van hun oorsprong, de oostelijke delen van het oorspronkelijke Duitsland: grofweg de gebieden ten oosten van de Elbe ('Oost-Elbië', Duits: Ostelbien). Het predicaat wordt veelal vóór de naam geplaatst (afgekort tot Jkr. of Jkfr.), maar omdat geen vaste regels hierover zijn opgesteld kan het predicaat ook tussen de voornaam en geslachtsnaam geplaatst worden. Het als enkelvoud zowel als meervoud gebruikte Junker is afgeleid van het Duitse junger Herr (Nederlands: jonge heer of ouderwetser Jonkheer) en werd oorspronkelijk gebruikt om de zoon van een edelman mee aan te duiden. Later werd dit predicaat ook voor en door de oudere edelen gebruikt.

Rond de 16de eeuw was dit predicaat algeheel ingeburgerd. Het predicaat werd niet alleen gebruikt voor de ongetitelde adel, ook baronnen en graven werden hiermee aangesproken. Toen Maarten Luther op 26-05-1521 in de rijksban werd gedaan dook hij onder in het kasteel Wartburg te Eisenach met behulp van de keurvorst keurvorst Frederik en leefde hij bijna een jaar lang onder de schuilnaam Junker Jörg (hier vertaalde hij de Bijbel uit het Latijn en Grieks in het Hoogduits).

De meeste Junker hebben in hun familienaam een tussenvoegsel staan. Meestal is dit von (bv Werner von Braun), ook soms zu of zur. Vergelijkbaar met de Nederlandse voorzetsels van, te, de, tot. Maar anders dan in die Nederlandse naamgeving is het voorzetsel in Duitsland vrijwel altijd voorbehouden aan een adellijke naam. In het onderlinge spraakgebruik werd de aanduiding 'von' in adellijke kringen weggelaten.

Rangkroon[bewerken]

De rangkroon die een Junker mag voeren is afhankelijk van de rang binnen de adel (ongetiteld, Freiherr/Baron of Graf). Aan de ongetitelde adel (waartoe het merendeel van de Junker behoorde) werd veelal als rangkroon de helmkroon (laubkrone) verleend. Later werd het gebruikelijk om verdienstelijke mensen uit de hogere burgerklasse een adellijke titel toe te kennen waarbij “von” als tussenvoegsel voor hun familienaam mocht worden geplaatst. Zo'n "veradellijkte" naam verschafte dan de toegang tot hofkringen. Dit Von (in bv. von Goethe, von Schiller, von Müller) verwijst overigens niet naar de geografische naam van een landbezit en deze nieuwe adel werd ook niet beschouwd als behorend tot de eigenlijke Junkerklasse.

Geschiedenis[bewerken]

Rittergut Maldeuten ten zuiden van Koningsbergen, een typisch landhuis van een Junkerfamilie in Oostpruisen. Schilderij uit ongeveer 1860. Gutshaus in de 17de eeuw opgericht door de familie von Houwaldt.

Junker waren de landadel van de oostelijke gebieden van het Heilige Roomse Rijk dat nu grofweg het gebied van het huidige oostelijke Duitsland en van het westen en noorden van het na-oorlogse Polen beslaat. Ze bestuurden op middeleeuws feodale wijze de boeren, de dorpen en kleine zogenaamde landstadjes, gelegen op hun landgoederen (duits: Gut; tussen meestal 100 en 200 hectaren groot maar er waren ook grotere landgoederen, als regel in handen van graven, baronnen en hertogen). Zij leefden van de landbouwopbrengsten die hun pachters moesten afstaan in natura (een deel van de oogsten), in persoonlijke dienstverplichtingen en als belastingen. Na ongeveer 1720, vooral koning Frederik de Grote was een aanhanger van de Verlichting, kregen de boeren vrijheid van lijfeigenschap, het eerst de grotere boeren, terwijl de kleinere met al hun gezinsleden in dienstbaarheden afhankelijk bleven van hun 'heer', amper economische armslag bezaten en tot het bestaansminimum veroordeeld waren. Pas in 1851 werden zij ook persoonlijk vrij en in de gegeven omstandigheden uitte zich dat vaak in een vertrek naar de Duitse steden of overzee als emigrant naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten (de Landflucht). De Junkerfamilie bewoonde een centraal gelegen landgoed, aangeduid als Herrenhaus of Gutshaus, met daaraan verbonden een grote herenboerderij. Veel (jongere) zonen die bij het geldende erfrecht geen erfdeel kregen waarvan ze konden leven, traden als officier in dienst van het Pruisische leger, waar ze een dominante positie konden verwerven. De machtspositie en rijkdom van de Junker steeg en daalde over de eeuwen. In de 17de eeuw en 18de eeuw (met economische crises en oorlogen) moesten ze land verkopen en zagen zij zich genoodzaakt te richten op militaire carrieres. In de 19de eeuw raakten velen van hen in economische moeilijkheden en moesten zij hun grondbezit verhypothekeren. Hoewel de meesten een een middelgroot grondoppervlak bezaten, was een aantal van de families in het bezit van grootgrondbezit, met name in de oostelijke Pruisische provincies (Brandenburg, Mecklenburg, Pommeren, Oost-Pruisen, en Silezië). Het werd gezegd dat Pruisen over Duitsland regeerde en de Junker over Pruisen regeerden. Waar zij in Pruisen de dominante macht bleven vormen, moesten zij zich in het Keizerrijk na 1870 gaan verhouden met een nieuwe burgerlijke macht, namelijk die van de liberalen, die dominant werden in de snel groeiende steden en in de westelijke en zuidelijke delen van het rijk.

Duitse Keizerrijk en Weimarrepubliek[bewerken]

De Junkerklasse was diep verbonden aan het Pruisische koningschap en beleefde de vergroting van Duitsland tot het Duitse Keizerrijk van 1871 tot 1918, aanvankelijk als een bedreiging van haar macht (de tijdgenoot en literator Theodor Fontane geeft daar in zijn romans een scherp beeld van). Maar zij bleven niettemin aan het, nu keizerlijke, Huis Hohenzollern verbonden en het leger en de conservatieve partij controleren. Hun politieke belangen werden in de Reichstag behartigd door de Deutsche Konservative Partei of DKP (door tegenstanders veelal spottend 'Junkertum' of 'Junkerpartei' genoemd). Toen kanselier Leo von Caprivi in 1894 de bescherming tegen de import van goedkoper graan, met name uit Amerika, verminderde, eisten de Junkers, die als grootgrondbezitters belang hadden bij hoge landbouwprijzen, met succes zijn ontslag. In 1902 werden zelfs nieuwe toltarieven (Schutzzölle) ingevoerd om de invoer van importgoederen te blokkeren, waardoor de prijzen op de binnenlandse markt kunstmatig hoog gehouden werden. Friedrich Naumann, een deskundig waarnemer, betitelde de Landjunker als 'alter Herrenschicht'. Op een bevolking van 56 miljoen mensen (bevolking van Duitsland rond 1890) bedroeg hun aantal slechts 24.000, maar zij bezaten veel macht, ook door het autoritaire regeringssyteem en hun toegang tot het keizerlijke hof. Ondanks hun verlies aan politieke macht in de Weimarrepubliek van 1919 tot 1933, bleef ook toen het leger de basis van hun macht.

Tijdens het naziregime[bewerken]

De Bierkellerputsch van 1923, waarin Adolf Hitler en General Erich Ludendorff in München probeerden de macht te grijpen, werd neergeslagen onder leiding van een Junkerofficier (von Lossow) van de plaatselijke Reichswehr en de Beierse president Gustav von Kahr. Von Kahr werd later vermoord tijdens de Nacht van de Lange Messen van 30 juni 1934. Deze gebeurtenissen droegen ertoe bij dat Hitler een afkeer had van Junker in het algemeen en hen wantrouwde als sociale en politieke klasse die zich niet aan zijn totale controle onderwierp. Op hun beurt stonden veel Junker niet onvoorwaardelijk achter de standpunten van Hitler, al steunden zij hem tegen hun gezamenlijke vijand in het socialisme en communisme. Zij hoopten ook dat Hitler de oude glorie van het keizerrijk, die met de Weimar Republiek verloren was gegaan, zou herstellen, met name in een herstel van de vooroorlogse staatsgrenzen. Vooral degenen die hun grondbezit hadden verloren na de annexatie in 1919 door Polen van West-Pruisen, Posen en Opper-Silezië. Na de bezetting van Polen in 1938 gebeurde dat ook inderdaad in die opnieuw bij Duitsland gevoegde gebieden. Overigens voerde het Nazi-regime landhervormingen door ten gunste van de grotere boeren en ten koste van de Junkerklasse.

Toen de oorlog vorderde en de door Hitler opgedrongen militair onverantwoorde strategie steeds grotere verliezen teweegbracht, en ook de gruwelijkheden van het naziregime steeds duidelijker werden, waren er Junker op invloedrijke posities die deelnamen aan kolonel Claus von Stauffenbergs poging om de macht over te nemen door Hitler op 20 juli 1944 te vermoorden. Hun poging mislukte, maar de heimelijke weerstand in de Abwehr (militaire inlichtingendienst) onder admiraal Wilhelm Canaris leidde ertoe dat strategisch belangrijke informatie in handen kwam van de geallieerden, en uiteindelijk bijdroeg aan de geallieerde overwinning.

Na de oorlog en heden[bewerken]

Tegen het eind van de oorlog waren bijna alle Junkers gevlucht van hun domeinen in het oosten. Na de oorlog werden de meeste Oostelijke gebieden van het Duitse Rijk aan Polen gegeven. Oost-Pruisen werd verdeeld tussen Polen en de Sovjet-Unie. De hier achtergebleven Duiters werden alsnog bijna allen gedeporteerd naar het westen. Gedurende de Bodenreform (landhervormingen) onder het motto Junkerland in Bauernhand werd in de Duitse Democratische Republiek het grondgebied van de Junkers, overigens alle privé-eigendommen groter dan 100 ha. onteigend en in handen gesteld van collectieve landbouwbedrijven (LPG's) of waar het bos- en andere natuurgebieden betrof door de staat als domein geconfisqueerd. In West-Duitsland (de BRD) slaagden Junkerfamilies er in hun verloren goederen geldelijk gecompenseerd te krijgen, waaronder de familie, waartoe Prins Bernhard von Lippe-Biesterfeld behoorde. Deze familie bezat namelijk ook goederen in de door Polen geannexeerde gebieden. Na de Duitse eenwording in 1990 proberen Junkerfamilies hun oude landgoederen terug te krijgen. De achteraf te betalen grond- en onderhoudslasten uit de periode 1945-1990 drukken echter zo zwaar op deze restitutie dat veel voormalige grootgrondbezitters er vanaf zagen, of hun bezit doorverkochten aan kapitaalkrachtiger ondernemers. Ondertussen zijn enkele oude adellijke families er ook in geslaagd om terug te keren naar hun oude eigendom in de door Polen geannexeerde provincies. Na de toetreding van Polen tot de EU proberen zij, in het kader van vrije vestiging van EU-ingezetenen in de gehele Unie, dan voormalige landgoederen van hun familie uit Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen terug te kopen, maar door tegenwerking van de Poolse autoriteiten met weinig succes. "Buitenlanders" (en daarmee worden voornamelijk verdreven Duitsers bedoeld, zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog) is het namelijk niet toegestaan grond te verwerven in Polen, behalve als in de vorm van gedeeld bezit samen met Poolse staatsburgers.