Kaatsen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bioscoopjournaal uit 1953 over kaatsen
Kaatswedstrijd in Franeker

Kaatsen is een verzamelnaam van balsporten, waarbij de spelers de bal met de handpalm zodanig proberen te slaan, dat deze door de tegenpartij niet geldig kan worden geretourneerd.

De kaatssport wordt in diverse varianten in meer dan 50 landen en landstreken beoefend, onder andere in België, Frankrijk, Baskenland, Valencia, Italië en de Verenigde Staten. Kaatsen is één van de oudste nog beoefende balsporten. Ruwweg zijn de verschillende varianten op de te delen in veld- of pleinkaatsen waartoe het Friese en Belgische (jeu de pelote) spel behoren en muurkaatsen met als meest beoefende varianten Amerikaans handbal (American Handball), geëvolueerd uit het daar door Ierse emigranten omstreeks 1880 geïntroduceerde kaatsspel en het Baskische spel dat, behalve in het land van oorsprong, in een groot aantal landen in Zuid- en Midden-Amerika wordt gespeeld.

Het doorgaans als "typisch Friese sport" aangeduide Friese kaatsspel, is in de 16e eeuw in Friesland geïntroduceerd door Hollandse dijkwerkers. Het spel wordt op gras gespeeld tussen twee ploegen van elk drie spelers, de parturen. Het kaatsen is het populairst in de Friese kleigebieden (Fries: Klaai).

Geschiedenis[bewerken]

In de 16e eeuw werd door sommige spelers bij het in Noord-Frankrijk nog altijd beoefende "jeu de paume", een primitief racket gebruikt. Ook in Nederland groeide dit spel uit tot een zeer populair tijdverdrijf, dat bekendstond onder de naam kaatsen. In de 16e en 17e eeuw kende Nederland vele ´kaatsbanen´, waar in een speciaal gebouwde ommuurde en vaak overdekte baan werd gekaatst (in Engeland gebruikte men toen al de naam tennis). Het nu nog gespeelde real tennis is de oorspronkelijke vorm uit de 16e en 17e eeuw, net als het jeu de tambourin, een vorm met aangepast veld. Hieruit is in de 19e eeuw het tegenwoordige tennis ontstaan.

Het veld[bewerken]

Het speelveld bij het kaatsspel

Het Friese kaatsspel wordt gespeeld op een grasveld van 61 meter lang en 32 meter breed. Het veld wordt begrensd door een witte kunststoffen lijn van zo'n 4 cm breed. Parallel aan de achterlijn ('efterline', de korte zijde van het veld aan de kant waar de ontvangende partuur is opgesteld) en op 19 meter daarvan ligt over de hele breedte van het veld de voorlijn ('foarline'). Daartussen ligt op 13,5 meter van beide zijlijnen ('kwealinen', 'kwaadlijnen') het 5 meter brede perk. Op 30 en 32 meter van de voorlijn liggen recht voor het perk twee opslagvakken van eveneens 5 meter breed en 2 meter diep. Het dichtstbijzijnde opslagvak heet de ‘foarminststuit’, het andere de 'foarbêststuit'. De lijn die het einde van het veld aangeeft wordt de 'boppe' of 'boppeline' genoemd. De hoeken van het speelveld worden aangegeven met metalen of kunststoffen hoekpalen van 4 tot 6 meter hoog die ‘kweapeallen’ (‘kwaadpalen’) genoemd worden.

Sinds een aantal jaren zijn de opslagvakken vervangen door één lijn over de gehele breedte van het speelveld. Zowel de 1e (foarbêst) als 2e (foarminst) opslager serveren de bal vanachter die lijn de bal naar het perk. Per categorie is een vaste afstand geformuleerd voor deze lijn. Voor de heren senioren ligt de afstand op 30 meter.

Het partuur[bewerken]

Een kaatspartuur bestaat uit drie personen. In een partuur zijn vier taken te verdelen: 1e opslager (foar-bêstopslagger), 2e opslager (foar-minstopslagger), voorinse (voorste perkspeler) en achterinse (achterste perkspeler). Meestal slaat alleen de foar-bêstopslagger op; de foar-minstopslach wordt dan verzorgd door een van de perkspelers. Het is ook mogelijk dat de perkspelers zowel de foar-bêst als de foar-minst opslag voor hun rekening nemen. De derde speler is dan niet ‘in functie’ en wordt dan 'balkearder' (balkeerder) genoemd. De opslagers mogen tijdens het vervullen van hun functie geen kaatshandschoen dragen. Na een wijziging in de spelregels mag er, zolang er geen kaatsen (zie uitleg hiervan onder "Het spel") zijn, vrijuit gewisseld worden tussen de 1e en 2e opslager.

Parturen kunnen op verschillende manieren geformeerd worden:

  • Vrije formatie: Spelers die in dezelfde klasse spelen geven zich als partuur op in een 'frije formaasje keatspartij'.
  • Spelers worden door hun afdeling (vereniging) afgevaardigd naar een afdelingspartij.
  • Spelers geven zich individueel op in een 'troch-inoar-lotsjen-partij'. Een bijzondere vorm van zo'n "door-elkaar-loten"partij is een uitnodigingspartij, waarbij gekwalificeerde spelers een uitnodiging krijgen van de organisatie om in een partij deel te nemen en waarbij vervolgens via loting de parturen worden samengesteld. De deelnemerslijst, die uitmaakt welke parturen tegen elkaar spelen, wordt ook door het lot vastgesteld. De loting van door de K.N.K.B. vastgestelde kaatspartijen is altijd openbaar.

Bij het kaatsen hebben de parturen afwisselend de opslag en de uitslag. Beide parturen kunnen punten scoren.

Het spel[bewerken]

Het partuur met het laagste nummer op de deelnemerslijst begint met de opslag. De eerste opslager brengt vanuit de foar-bêststuit de bal met een onderhandse slag in het perk, waar op dat moment twee tegenstanders staan opgesteld. Het resultaat van de opslag kan als volgt zijn:

Direct een punt voor het opslagpartuur als:
  • de bal in het perk komt en door de perkspelers niet op geldige wijze voorbij de voorlijn geslagen wordt (de bal mag door de perkspelers zowel in de vlucht als met een stuit geslagen worden).
  • een perkspeler de bal zonder stuit over een zijlijn slaat.
  • een van de spelers van het opslagpartuur een door een perkspeler geretourneerde bal weer terug slaat over de voorlijn.


Direct een punt voor het perkpartuur als:
  • de opslag niet geldig gespeeld wordt. Dat houdt meestal in dat de opslager niet goed uit het opslagvak opslaat. Als hij te ver doorrent wordt dat 'overrennen' genoemd, als hij niet ver genoeg doorrent (de opslager moet op zijn minst met een voet in het vak staan) wordt dat een 'verkeerde opslag' genoemd.
  • de opgeslagen bal niet in het perk landt. Een bal die voor of op de voorlijn de grond raakt is ‘foar’. Een bal die buiten het perk of op een perkzijlijn komt is ‘bûten’. Een bal die zonder eerst in het perk te stuiten over of op de achterlijn landt is ‘kwea’.
  • de bal door een perkspeler met of zonder stuit over de boppeline geslagen wordt.


Een onbeslist punt of kaats als:
  • de bal ergens tussen de voorlijn en de bovenlijn in het speelveld blijft liggen. Als dit gebeurt na een opslag van de foarbêst, wordt die plek gemarkeerd met een wit kaatsblokje (eerste kaats).

Als er een eerste kaats geplaatst is gaat de opslagbeurt over naar de foar-minstopslagger, behalve als een of beide partijen in het lopende eerst 6 punten hebben. In dat geval wisselen de parturen van opslag- naar perkpartuur en andersom. In het geval dat geen van beide parturen op 6 punten staat duurt de opslagbeurt van de foar-minstopslagger tot er een tweede kaats ontstaat. Die wordt gemarkeerd met een rood blokje en de parturen wisselen. Ook als een van beide parturen op 6 punten komt wordt er gewisseld.

Na het wisselen wordt eerst om de eerste kaats gespeeld. Als er maar één kaats is slaat daarbij de foar-bêstopslagger op. Als er twee kaatsen zijn slaat de foar-minst op bij het verdedigen van de eerste kaats en de foar-bêst bij het verdedigen van de tweede kaats. De regels voor het veroveren van de kaats zijn simpel: de perkspelers moeten proberen verder te slaan dan waar de kaats ligt en het opslagpartuur (dat als perkpartuur de kaats gemaakt heeft) moet dat zien te voorkomen door een lastige opslagbal, door de geretourneerde bal voor de kaats te keren, of door de bal tot voor de kaats terug te slaan. Als er om de kaatsen is gespeeld is de cirkel rond en gaat de foar-bêst verder met zijn opslagbeurt tot er weer een nieuwe kaats komt en zo verder.

Een paar aanvullende regels: bij het terugslaan van de opslag mag een perkspeler maar met één hand een slaande beweging maken. Als hij met twee handen in de richting van de bal komt, ook al raakt hij de bal maar met één hand, dan is dat een niet geldige slag en gaat het punt naar de opslag. In het tussenspel, dat wil zeggen alle slagen na een geldige terugslag door een perkspeler van een opgeslagen bal, is het wel toegestaan de bal met twee handen te keren of te slaan. Als een perkspeler een slaande beweging naar een opslagbal maakt, maar die niet raakt, en de bal komt voor, naast of achter het perk neer (en zou dus eigenlijk foar, bûten of kwea zijn)dan zijn de punten voor de opslag. In het kaatsjargon wordt dan vaak (door de tegenstander) gezegd: “Hij slaat erop”.

De scoretelling[bewerken]

Het partuur dat in een kaatspartij als eerste 4 slagen wint in een eerst of 'halfspel' (vergelijkbaar met een game bij het tennisspel) krijgt dat eerst; het partuur dat als eerste 6 eersten heeft wint de partij. De telling van een eerst gaat als volgt: "2,4,6, earst" (elke gewonnen slag levert dus twee punten op). Twee eersten noemt men een "spel". In tegenstelling tot bij het tennis kan bij het kaatsen een eerst (en dus ook een partij) beslist worden met slechts één slag verschil.

Belangrijke wedstrijden[bewerken]

De belangrijkste kaatswedstrijd is de PC (genoemd naar de door de -sinds 2003 Koninklijke- Permanente Commissie der Franeker Balverkaatsdag) die deze wedstrijd sinds 1853 jaarlijks op het Sjûkelân te Franeker organiseert. De Franeker Balverkaatsdag zelf is veel ouder en waarschijnlijk zelfs de oudste reguliere sportwedstrijd ter wereld[1].

De Freulepartij in Wommels is de belangrijkste kaatspartij voor jongens van 14 tot 16 jaar. De partij is voor het eerst gespeeld in 1903.

De winnaar van de vier belangrijkste kaatswedstrijden PC, Bondspartij, Jong Nederland en de Freulepartij krijgt het "klavertje vier"[2]. Sinds het ontstaan van deze prijs is ze slechts 12 keer uitgereikt, voor het laatst in 2004.

Uitdrukkingen in het Friese kaatsen[bewerken]

  • De uitdrukking "Alles aan de hang" wordt gebruikt wanneer beide parturen 5 eersten (games) en 6 behaalde punten hebben. Per 2 punten wordt de score aangeduid met een kegel die onderaan de telegraaf (scorebord) hangt. Het eerste punt dat hierna gespeeld wordt is beslissend voor de winst.
  • De uitdrukking "op 'e dea stean", (op de dood staan) wordt gebruikt wanneer een van de parturen 5 eersten (games) en 6 behaalde punten heeft en dus op matchpunt staat.
  • Boppeslach (bovenslag) is een slag die vanuit het perk in 1 keer voorbij de achterlijn bij de opslag wordt geslagen. Een bal die over de zijlijn geslagen wordt is kwea (kwaad).
  • De telegraaf is een paal met zijtakken waar bordjes op komen te hangen om de score bij te houden. Bovenin worden de eersten (games) aangegeven met maximaal 2 keer een spul (spel) en één heal (half spel). Een half spel, oftewel 1 game wordt binnen het kaatsen eerst (earst) genoemd. Onderaan hangen 'kegeltjes' die elk voor 2 punten staan. Als van beide partijen 'alles hangt' is de score dus 5-5, 6-6 en moet de beslissende slag vallen.

Kaatsen in de taal[bewerken]

De uitdrukking "wie kaatst moet de bal verwachten", wordt gebruikt wanneer iemand zeker een reactie op zijn actie zal krijgen.

Referenties[bewerken]

  1. Volkskrant (2003-07-30). Bezocht: De dei is begûn http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/712093/2003/07/30/De-dei-is-beg-ucirc-n.dhtml op 2013-09-15
  2. PC-Franeker (2013). Bezocht: PC-Franeker - Eeuwig klassement http://www.pc-franeker.nl/Uitslagen/Eeuwig-klassement/ op 2013-09-12

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]